Er was niets veranderd in de eetkamer toen ik weer binnen kwam. Mandor zat voor zich uit te staren en Owen was rustig aan het spelen met een kiepwagen die vol geladen was met pluimvee. Ik negeerde mijn aanstaande, die mijn aanwezigheid toch niet opmerkte en liep naar onze zoon.
“Ga je mee, Owen?” vroeg ik. “Dan gaan we wat anders doen.”
“Wat doen?” vroeg hij en graaide zijn dinosaurus van de grond terwijl hij opstond.
“Iets maken,” beloofde ik.
“Maken,” knikte hij en stak zijn handje uit. We gingen naar de speelkamer, waar ik de kist tevoorschijn haalde met de resten van zijn treinbaan die hij tijdens zijn woedeaanval had vernield. Ik ging erbij op de grond zitten, Owen kwam er nieuwsgierig bij zitten en keek in de kist.
“Is kapot!” was zijn conclusie.
“Het is kapot en nu gaan we het maken. Weet je nog wel hoe dat gaat? Dat je iets kunt maken door te bedenken hoe het moet zijn?”
“Jahaa,” zei hij en keek toe hoe ik een wagonnetje uit de doos haalde. Ik concentreerde me, ik wilde het blijvend maken. Het duurde even voor het wagonnetje weer heel was. Owen pakte het aan en bekeek het van alle kanten. Vervolgens zette hij het zorgvuldig neer, graaide in de kist en gaf me een ander treinstel aan.
“Is kapot!” Hij keek me afwachtend aan. Ik glimlachte naar hem en ook dit treinstel conjuurde ik heel. Het ging wat gemakkelijker dan de eerste. Dit wagonnetje werd netjes naast het andere gezet en Owen gaf me het volgende aan.
“Jij kunt het ook maken,” zei ik en gaf het wagonnetje terug. Hij schudde zijn hoofdje.
“Neehee, is kapot! Hier!” en duwde het weer terug in mijn hand. Natuurlijk maakte ik deze ook, dat ging nog wat eenvoudiger dan de eerste twee en pakte snel een gebroken locomotiefje. Ik duwde het Owen in zijn handen, die wat verbouwereerd keek.
“Ga maar maken,” zei ik. “Jij kunt dat wel.”
“Jij doen,” zei hij, “is kapot!”
Natuurlijk maakte ik deze ook weer en had moeite mijn lachen te houden toen ik zag hoe hij razendsnel een ander kapot onderdeel uit de kist haalde en het me aangaf, voordat ik op de gedachte zou komen om het hem weer te laten maken. Ik liet het maar zo, het was mijn bedoeling om Owen spelenderwijs wat verder te oefenen in conjuration, het moest voor hem vooral leuk blijven.
Met ieder treinstel ging het conjuren steeds eenvoudiger en het duurde niet lang voor de gehele trein was gemaakt. Toen was ik er ook even doorheen, voor dat moment miste ik de kracht om de rails en de stationnetjes ook te maken, hoe jammer Owen dat ook vond.
“Misschien kan jij dat doen,” zei ik tegen hem. “Dan kun je de trein op de rails laten rijden.”
Hij knikte en koppelde de treinstellen zorgvuldig aan elkaar. Vervolgens ging hij op de grond met de trein rijden, en maakte alle bijbehorende geluiden.
Er werd op de deur geklopt en ik liep er naar toe. Het was de kokkin die wilde weten of er veranderingen waren in het weekmenu nu meneer weer thuis was.
“Geen veranderingen, alleen wat extra uiteraard,” zei ik. “En graag wijn bij het eten.”
Ze mompelde iets en liep weer weg. Ik keerde terug naar mijn zoon, die zijn trein nu aan het rijden was op een complete rails, zelfs de stationnetjes, bomen en dieren ontbraken niet. De gebroken rails lag nog steeds in de kist echter en een incompleet stationnetje slingerde ergens op de grond.
Even staarde ik verbluft naar het tafereeltje, intussen voelde ik mijn hart zwellen van trots. Hij kon het echt! Hij was het helemaal niet verleerd. Ik zei echter niets om Owen niet uit zijn concentratie te halen, het was geweldig om hem zo te zien spelen.
Na een poosje was hij uitgespeeld en verdween tot zijn grote teleurstelling de hele baan. Ik knuffelde het jochie en verzekerde hem ervan dat hij een prachtige treinbaan had gemaakt. Hij straalde!
Het waren een aantal rare dagen. Mandor was thuis, maar niet aanwezig. Ik deed nog steeds precies hetzelfde als toen hij er niet was, behalve dat ik iedere dag een tijdje uittrok om met Owen wat te conjuren. Het kind was inderdaad een natuurtalent en razend intelligent. Hoewel zijn praten nog niet echt goed was, begreep hij vrijwel alles dat gezegd werd. Het aantal puzzels dat hij tegelijkertijd legde, verhoogde hij naar drie, maar leek dat saai te gaan vinden. We waren begonnen met tekenen en dat leek hij voor het moment wel leuk te vinden en kon daar ook uiterst geconcentreerd mee bezig zijn. De speciale dikke kleuterpotloden liet hij links liggen, zijn voorkeur ging uit naar fijne potloden en viltstiften. Er werden harkerige poppetjes getekend, die steeds meer detail kregen, ook verschenen er dieren en treinen op het papier.
Iedere nacht sliepen Mandor en ik gezamenlijk in ons bed. Inderdaad slapen. Meer gebeurde er niet. Omdat ik nog steeds slecht sliep merkte ik dat hij regelmatig wakker was ’s nachts en dan voor zich uit lag te staren. En iedere keer voelde hij dan koud aan. Gelukkig leek hij er geen last van te hebben als ik hem probeerde op te warmen met mijn lichaam.
Natuurlijk miste ik de intimiteit en de seks. Maar seks hebben met iemand die zich gedraagt als een zombie was niet bepaald een opwindend vooruitzicht. En ik had geduld, putte hoop uit het feit dat hij geen enkele nacht zijn eigen vertrekken opzocht.
Elke ochtend waren Mandor en Owen vroeg op en al verzorgd en aangekleed eer ik het bed uitwam. Dat was niet veranderd, het was iets dat Mandor uit gewoonte deed. Ik merkte dat Owen af en toe bevreemd opkeek naar zijn vader en hem, net als ik, met rust liet.
Natuurlijk hadden we wel zo onze gesprekken tijdens de gezamenlijke maaltijden. Met hoogdravende onderwerpen zoals het weer, het eten en de kleur van de gordijnen.
Gedurende die dagen, tijdens het spel van Owen of wanneer hij op bed lag, was ik begonnen aan een speciaal project. Ik wilde een persoonlijke gift maken voor Mandor om hem te geven als we getrouwd zouden zijn. Of het nu een verstandshuwelijk zou blijken of niet, ik vond het belangrijk om iets persoonlijks voor hem te maken. Tijdens de eenzame nachten van de afgelopen maanden was het idee in mijn hoofd gerijpt. Het zou een boek gaan worden dat mij eigen was en het moest tevens iets zijn dat hem individueel aan zou spreken. Met grote zorg maakte ik een lijst van onderwerpen waar ik over wilde schrijven. Gedeeltes uit gedichten die me aanspraken. Beschrijven waarom ik dat zo bijzonder vond. En, als dit van belang was, ook iets over de dichter.
Zo kwam er een stukje in dat ik vond in een reisverslag van mezelf vroeger over de bouw van piramiden. Ook weer voorzien van commentaar, vooral omdat ik daar een conclusie had getrokken toentertijd, die inmiddels geheel achterhaald was.
Ik zocht naar pakkende foto’s en vond er één in een stapeltje waarvan ik eerder dacht dat ze waren vernietigd in de Schaduwstorm die Mandor had veroorzaakt. Het waren foto’s die ik had laten maken tijdens mijn zwangerschap en die ik bij nader inzien niet in één van de albums had geplakt omdat ik het een beetje raar vond zo mezelf zo te zien.
De betreffende foto was een paar dagen voor de bevalling gemaakt. Ik hield mijn handen op mijn buik op een manier alsof ik het kind daarbinnen wilde beschermen. Maar het was vooral de uitdrukking op mijn gezicht die me trof. Eén van hoop, onzekerheid, blijdschap en angst tegelijkertijd. Na heel lang aarzelen besloot ik deze in het boek te plakken en dacht nog veel langer na over de begeleidende tekst. Uiteindelijk schreef ik kort en sober iets over mijn gevoelens toentertijd, die daar aardig weerspiegeld waren op mijn gezicht.
Mijn zwangerschap was iets dat ik alleen had doorgemaakt. Dat was een bewuste keuze geweest. Toen dacht ik dat het goed was zo, nu wist ik beter. Ik had dat zo niet moeten doen, niet Mandor pas moeten confronteren met Owen toen deze er al was, zelfs al een naam had. Gedane zaken nemen geen keer, maar leveren alleen gevoelens van spijt op. Die eenzame tijd toen… het had anders kunnen zijn. Ook daarover schreef ik een paar woorden.
Tevens wilde ik gaan schrijven over de hype van mijn geboorteschaduw en –tijd waar het spoken, demonen en geesten betrof. Over voodoo en ouija borden, ik had het idee dat dit hem aan zou spreken. Iets over de bloederige oorlog tegen de boeren, waar ik genoeg over gehoord en gelezen had. Zelfs over martelwerktuigen, die tegelijkertijd zowel verschrikkelijk waren als iets fascinerends hadden. Maar ook over de woeste en ruige natuur van de Peak, over bepaalde monumenten, over typische personages. Het belangrijkste was dat het onderwerpen zouden zijn die mij intrigeerden en waarvan ik vrijwel zeker was dat ze hem ook interesseerden.
Alles werd geschreven op handgeschept duur papier, om het te binden zou ik op zoek gaan naar een omslag van speciaal leer. Het zou een waar project worden, niet van belang voor de rest van de mensheid, maar wel voor mij.
Maar soms, na alweer zo’n dag van stilzwijgen, vroeg ik me af waarom ik dit allemaal deed…
Op een middag waren Owen en ik een piramidecomplex aan het bouwen van kapla. Uiteraard kwamen we blokjes tekort en Owen conjuurde er enthousiast een aantal bij. Precies op dat moment kwam Mandor de speelkamer binnen.
“Hallo Morwenna,” zei hij.
Ik keek hem vorsend aan. Hij lachte naar me en leek me voor het eerst sinds lange tijd echt te zien.
“Fijn dat je er bent,” zei ik terughoudend.
Hij kwam bij ons zitten, streelde me over mijn haar en keek belangstellend naar de bouwwerken.
“Kijk pappa!” riep Owen en wees op de net geconjuurde blokken. Vervolgens begon hij ze toe te voegen aan zijn werk.
“Dat conjuren gaat goed hè,” zei Mandor tegen mij en keek vol trots naar Owen.
“Hij doet het uitstekend,” beaamde ik en vertelde hem wat hij allemaal had gedaan op dat gebied. “Hij doet het één keer per dag, vaker kan hij niet en dat weet hij zelf ook heel goed. Hij wordt er moe van.”
“Natuurlijk,” zei Mandor. “Hij is uiteraard nog steeds een klein kind. Maar dit is al fantastisch!”
Ik leunde wat tegen hem aan, hij sloeg een arm om me heen en drukte een kus in mijn haar.
“Het spijt me dat ik geestelijk afwezig ben geweest,” zei hij. “Je had zo niet veel aan me. Als ik verkeerde dingen heb gezegd…”
“Is al goed,” viel ik hem in de rede. “Je was ergens mee bezig toch?” Intussen verbaasde ik me over mezelf. Kon ik alles zo gemakkelijk vergeten dan? Zelfs dat hij me een slechte moeder vond? Dat hij me echt gekwetst had met die opmerking? Of wilde ik hem gewoon geen excuses horen maken?
“Ik heb een wraakdemoon opgeroepen. Dat is een hele moeilijke om te controleren en ik moest me daarop blijven concentreren.”
“Mary Ann zei al zoiets. Ook dat het mis kon gaan.”
“Wie? Oh ja, het kindermeisje. Natuurlijk ging het niet mis. Ik had deze op iemand afgestuurd als waarschuwing. Het was niet de bedoeling dat hij Brand zou vermoorden, al zou ik er geen enkel probleem mee hebben gehad als dit wel gebeurd was. Brand heeft hem uiteindelijk weg gekregen, maar het heeft hem veel moeite gekost,” zei Mandor met een boosaardige grijns.
Inderdaad Brand dus. Mandors wraak was direct geweest en had dodelijk kunnen zijn. Ik vroeg me af in hoeverre Brand de boodschap nu had begrepen of dat hij zichzelf alleen maar zielig en onbegrepen zou vinden omdat iedereen zich tegen hem keerde, zelfs Mandor Sawall. Ook gaf dit hele gebeuren aan hoe ontzettend gevaarlijk Mandor was als je hem tegen je kreeg.
Ik zuchtte, waarschijnlijk was het hiermee niet afgelopen. Op korte termijn moest ik zelf de confrontatie met mijn oom aan om hem te zeggen dat ik niet ging meewerken aan zijn plan. Ook zou ik hem duidelijk moeten maken dat ik bezoeken van zijn kant niet op prijs stelde. De manier van Mandor was eigenlijk veel gerichter, maar ik was niet heel goed in dergelijke vormen van wraak nemen. Ik moest nog veel leren, heel veel.
“Heb je zelf schade ondervonden van het oproepen van die demoon?” vroeg ik bezorgd.
“Nee, niet echt. Ik zei al dat het soort erg vervelend is om onder controle te houden en daarom heel gevaarlijk, zeker voor hun prooi. Ze zijn echter ook heel onbetrouwbaar, typische Chaoswezens.
Hoe is het met jou?”
“Goed wel,” glimlachte ik.
“Als je wilt, kun je nu gaan…”
“Ik wil niet. Ik moet wel, maar ik wil nog een paar dagen hier blijven.”
“Dat vind ik leuk, daar heb ik geen bezwaren tegen,” zei hij. Owen liet zich ineens tegen hem aanvallen en sloeg zijn armen om hem heen.
“Pappa thuis!” zei hij opgetogen.
De dagen die volgden waren als vanouds. We deden dingen samen, maar ook alleen. De maaltijden waren gezellig, de wijn vloeide rijkelijk. We bedreven op onstuimige wijze de liefde. Soms bekeek ik mezelf ’s morgens vroeg in de spiegel, het was onvoorstelbaar dat die blauwe plekken, krassen en beten door maar één persoon waren toegebracht. In het algemeen trok dat allemaal in de loop van dezelfde dag weer weg. Bij Mandor waren de plekken in het algemeen sneller weg, al had ik soms het idee dat hij er wat langer last van had dan ik. Er was in ieder geval niets te zien aan hem. Meestal niet dan.
Op een ochtend zaten we aan het ontbijt, hij zoals altijd keurig in het pak. Er was niets op zijn uiterlijk aan te merken, er was niets waaruit je zou kunnen opmaken dat we die nacht ruige seks hadden gehad en maar weinig geslapen. Totdat ik de plek in zijn hals zag. Ik staarde er gefascineerd naar. Het was een bijtwond, toegebracht door mij en deze was net zichtbaar boven de kraag van zijn overhemd. In de eerste instantie voelde ik wat schaamte over het feit dat ik hem zo te pakken had gehad, toen kon ik er wel de humor van inzien en begreep ook ineens waarom bij hem normaal gesproken alle uiterlijke beschadigingen altijd zo snel weg waren. Ik grinnikte hardop.
“Is er iets?” vroeg hij.
“Kijk straks even in de spiegel,” adviseerde ik hem.
“Mijn excuses,” mompelde hij, schoof zijn stoel naar achteren en liep de eetkamer uit. Niet veel later kwam hij terug, ging weer zitten en bood me koffie aan. De plek was als sneeuw voor de zon verdwenen. Het heeft zo zijn voordelen om van vorm te kunnen veranderen.
Het was tijdens die dagen dat ik tot het besef kwam dat het altijd zo zou gaan, zelfs als we getrouwd waren. Eén van ons weg, de ander thuis. Soms zouden we tegelijkertijd weg moeten en soms zouden we tegelijkertijd thuis zijn. Er zou echter een verschil zijn: nu leefden we in het geheim samen, als we getrouwd waren zou het openlijk zijn. We zouden volop aandacht krijgen en veel verplichtingen hebben omdat we een ‘politiek’ huwelijk gingen sluiten. Deze stiekemheid had echt voordelen. Wellicht was het een idee om deze plaats aan te houden als onze escape. Dat zou betekenen dat we meerdere huizen zouden hebben, maar het zou goed zijn om een plek te hebben waar we ongestoord samen konden zijn.
Eén van de redenen dat ik naar buiten moest, was omdat ik van Deirdre wilde weten wat ik verwachten kon. Ik had de uitnodiging gezien, het was behoorlijk officieel aan het worden. Ik maakte me geen illusies, ik zou aan bepaalde verwachtingen en verplichtingen moeten gaan voldoen.
Ook had ik hulp nodig van iemand die onze vesting en Owen kon afschermen tegen Brand, het liefst zou ik die blokkade weg laten halen.
Ach, er waren zoveel dingen die ik wilde doen. Niet alles had evenveel haast natuurlijk en ik kon tussendoor eventueel naar huis.
Uiteraard stelde ik mijn vertrek iets verder uit dan dat ik eerst van plan was. Reden was Owen, ik had me aan dat kind gehecht. Dat mag misschien wat vreemd lijken en het was zeker niet zo dat ik voorheen niet van hem hield, maar onze band was sterker geworden. De tijd die we met ons tweeën hadden doorgebracht was bijzonder geweest en ook nodig. Hij hing nog steeds erg aan Mandor, toch merkte ik dat zijn gehechtheid aan mij ook sterker was geworden. Was dit wat Mandor ook voelde? Dat hij daarom steeds weer vroeg naar Owen tijdens al onze troefcontacten? Ik miste hem in feite al voordat ik weg was, heftiger dan ooit tevoren.
Als ik terugkwam, zou ik hem laten beginnen met de valkentraining. Ik had het gevoel dat hij daaraan toe was, hoe jong hij ook was. Mandor vond het allemaal minder, vooral toen ik het idee opperde om ook een pony voor hem aan te schaffen.
“Al die beesten, dat is nergens voor nodig,” zei hij gepikeerd.
“Hij houdt van beesten en kan ermee omgaan. Sterker nog, de valken en mijn paard mogen hem ook. Zeer uitzonderlijk, ook al is hij maar voor de helft Chaosiet,” gaf ik ten antwoord. “En waarom zou ik die eigenschap dan niet stimuleren.”
Ik wachtte niet met weggaan tot Owen op bed lag. Hij was er dus gewoon bij toen ik Boudicca rijklaar maakte en Fillipien riep. Deze keer had ik voor de zekerheid ook wat nettere kleding ingepakt dan alleen reiskleding. De Spikard had ik aan een zilveren ketting om mijn nek gehangen.
Terwijl Mandor op een gepaste afstand van de dieren toe stond te kijken, volgde Owen me op de voet, aaide de benen van Boudicca die dat gewoon toeliet en wilde nog even op het paard zitten. Toen knuffelde ik hem stevig ten afscheid.
“Mamma niet weg!” riep hij en sloeg zijn armen om me heen. Het was een moeilijk moment voor ons beiden. Na nog wat extra knuffels gaf ik hem aan Mandor, die ik tegelijk een flinke omhelzing gaf. Hij kuste me uitgebreid terug,
“Zou je me zo nu en dan willen troeven? Ik zal dat ook doen,” zei hij en keek me strak aan.
“Dat heb ik eerder van je gehoord,” zei ik lachend. “Toen we net die magiërsschool hadden opgestart en ik wegging.”
“Weet ik. Ik zei het toen met dezelfde intentie als nu. Ik zie en spreek je graag. Had je dat toen door?”
“Ik wist toen al dat je het niet zei uit puur zakelijke overwegingen,” glimlachte ik. “Maar ik wist al eerder dat er meer speelde.”
Hij trok zijn wenkbrauwen op.
“Hoe dan?”
“Ik merkte het aan een aantal dingen. Het meest duidelijk waren echter een tweetal opmerkingen van jou. Eerst zei je meteen dat ik je absoluut niets verschuldigd was en dat je me altijd zou helpen. Maar de weggever was vooral dat je Despil niet in het project wilde betrekken.”
“Hmm. Gelukkig was het wederzijds. Dat merkte ik toen ook,” grijnsde hij.
Nu was het mijn beurt om verbaasd te zijn.
“Oh ja? Hoe dat zo?”
“Het feit dat je het voor me opnam tegen Sand, toen deze aangaf niet blij te zijn met een Chaosiet in de toren. Je zei doodleuk dat dat jouw zaak was en dat tegen iemand als zij! Maar vooral dat je het er meteen mee eens was dat Despil er niets te zoeken had.” Hij zweeg even en had een wat peinzende uitdrukking op zijn gezicht. Hij streelde Owen over zijn hoofdje en keek me toen weer aan.
“Na die periode is alles in een stroomversnelling geraakt tussen ons. We hebben elkaar toen nooit tussendoor getroefd, je verscheen gewoon in mijn slaapkamer.” Hij kuste me opnieuw, er lag een intense blik in zijn blauwe ogen.
“Ik moet weg,” zei ik. “Al zou ik liever blijven.”
Hij grinnikte en we kusten elkaar nogmaals. Daarna nog een laatste knuffel voor Owen, toen steeg ik op mijn paard en reed weg, het gehuil van Owen klonk lang na in mijn oren.
Via de zwarte weg reed ik Arden in. Ik twijfelde even tussen Julian troeven of eerst een eindje door te rijden. Ik reed door, Julian was nogal geneigd om me tegen te komen als ik me in Arden vertoonde.
En zo ging het ook, eerst hoorde ik het enthousiaste geblaf van de honden en even later zag ik ze kwispelstaartend aan komen rennen, gevolgd door Julian te paard.
Ik steeg af, begroette eerst alle honden één voor één die elkaar verdrongen om mijn aandacht te krijgen. Toen pas begroette ik mijn vader met een omhelzing, die als vanouds daar wat terughoudend op reageerde.
“Hoe is het?”
“Goed, voor zover dat kan uiteraard,” glimlachte hij. “Je bent thuis geweest?”
“Een poosje. Ook om Mandor af te lossen. Hoe is het momenteel met de pesterijen van jonge Chaosieten?”
“Een stuk minder. Er zitten er nu een aantal in de bak in Amber. Blijkbaar schrikt dat de anderen wat af. Waar was je heen op weg?”
“Amber. Maar je mag me uitnodigen voor het eten.” Ik schrok zelf van mijn brutaliteit. “Ik bedoel, als je daar tijd voor hebt uiteraard.”
Hij lachte breed.
“Eten met jou? Natuurlijk heb ik daar tijd voor. Ik heb alleen het eten voor vanavond nog niet geschoten, vind je het wat om te gaan jagen?”
“Lijkt me leuk,” zei ik zekerder dan dat ik me voelde. Het was lang geleden dat ik voor het laatst had gejaagd.
“Hert of zwijn?”
“Doe maar hert.”
“Kun je omgaan met pijl en boog?”
“Ik heb wel eens een kleine kruisboog gebruikt.”
Hij fronste zijn wenkbrauwen.
“Je bedoelt dat je een dergelijk wapen niet hebt?”
“Niet zoiets. Alleen een zwaard.”
Hij gaf me zijn boog aan en een koker die half gevuld was met pijlen en liet zien hoe ik de boog moest spannen. Het was een lichte boog, desondanks vond ik het spannen wat moeilijk en zwaar. Toen ik de techniek eenmaal doorhad, gingen we op jacht. Al snel hadden de valken een hert in het vizier, deze werd opgejaagd door de honden. En nog eens en nog eens, ik schoot een paar keer mis, voordat ik het hert wist te raken. Het was wel meteen dood.
Mijn vader grinnikte, liep op het hert toe en drapeerde het over zijn paard.
“Je bent aardig roestig,” merkte hij droog op en hij ging me voor naar de dichtstbijzijnde blokhut. Hij begon buiten het hert te villen, terwijl ik de paarden en de honden verzorgde.
Daarna gingen we naar binnen, alwaar het hert geprepareerd werd voor het aan het spit ging.
“Eigenlijk ben ik niet heel erg gewend aan zelf op mijn eten te jagen,” bekende ik. “Meestal komt het wild kant en klaar bereid op mijn bord terecht.”
“Ik weet het. Fijne dame, fijne manieren natuurlijk. Alles werd altijd voor je gedaan, ik kan het je niet helemaal kwalijk nemen. Maar ik wil nog altijd een keer een poos met je optrekken, die uitnodiging geldt natuurlijk nog steeds.”
“En ik wil er nog steeds graag gebruik van maken, het lijkt me echt leuk.”
“Mij ook. Ik zie er naar uit. Als je zoon wat groter is, wil ik dat ook graag met hem gaan doen.”
“Ik denk dat het goed voor hem is. Ik wil hem laten beginnen om zelf zijn valk te gaan trainen.”
“Waarom ben je er niet aan begonnen dan?”
“Ik vind hem jong. Maar zijn ontwikkeling is bijna niet meer bij te benen. Hij is nu 20 maanden en is al uitgekeken op heel veel van zijn speelgoed en dat is toch echt wel uitdagend materiaal.”
Hij knikte nadenkend.
“Ik vermoedde al dat dit zou gebeuren, Owen is inderdaad erg pienter. Je zou hem elfenspeelgoed kunnen geven.”
“Wat moet ik me daarbij voorstellen?”
“Elfen maken speelgoed dat uitdaagt op het geestelijke vlak. Ideaal voor intelligente kinderen. Je kunt denken aan knikkers waar datgene in verschijnt wat hij denkt en doet. Ze hebben puzzels met bewegende plaatjes.”
“Dat zal hij leuk vinden, hij is dol op puzzelen, maar het is een beetje sneu om te zien hoe hij een aantal puzzels door elkaar gooit voordat hij ze gaat maken, omdat het anders te saai is. Waar zou ik dat speelgoed kunnen krijgen?”
“Mogelijk in Amber-stad. Er zijn Gouden Cirkellanden waar elfen wonen. En je bent toch eens in dat land geweest waarvan je tante koningin is?”
“Corrilane. Ja, daar wonen ook elfen. Misschien moet ik daar weer eens naar toe gaan.”
We hadden een uitgebreide maaltijd. Behalve het wildbraad waren er ook gebakken aardappeltjes, worteltjes, salade en brood. We aten en af en toe spraken we wat. Ergens halverwege voelde ik een poging tot troefcontact, dat ik aannam.
“Morwenna, eindelijk ben je te bereiken,” zei Ronardo.
“Mijn excuses dat ik onbereikbaar was. Goed dat je troeft trouwens, ik wil je toch even spreken.”
“Hmm, ik wilde jou ook iets vragen.”
“Ronardo, ik bespreek bepaalde dingen liever niet over troef.”
“Ik kan je doorhalen. Ik ben bezig met een Amblerash project.”
“Lijkt me niet handig. Heb je een troef van die plaats? Dan kun je naar mij toe komen.”
“Heb ik nog niet, maar kan ik wel regelen.”
We spraken af dat ik hem later terug zou troeven, het contact werd verbroken en ik vertelde Julian door wie ik was getroefd. Daarna ging het gesprek verder over boeken die we beiden hadden gelezen.
Terwijl we de afwas stonden te doen, werd ik weer getroefd. Opnieuw was het Ronardo, hij stond klaar om doorgehaald te worden. Ik aarzelde even, ik had mijn vader niet gezegd dat ik mijn neef persoonlijk wilde spreken. Maar om nu weer het contact te verbreken om dat kort te sluiten vond ik wat veel gedoe, dus greep ik zijn uitgestoken handschoen.
Ronardo droeg altijd wanneer ik hem zag zijn handschoenen. Eentje had hij enkele jaren geleden uit de Abyss gevist, ik wist niet hoe hij aan de andere kwam. Die dingen waren vergroeit met zijn handen ofzo, hij had eens gezegd ze niet meer uit te kunnen trekken, dat wilde hij trouwens ook niet. Ik vond het toch een raar gezicht. Maar hij had het niet van vreemd, zijn moeder droeg eigenlijk ook altijd handschoenen.
“Je hebt me niet verteld dat je gezelschap had,” zei mijn neef verontwaardigd toen hij Julian zag.
“Je hebt me niet verteld dat je hem zou doorhalen,” zei mijn vader, terwijl hij een pan begon te boenen.
Ik droogde de rest van het bestek af, terwijl ik Julian uit probeerde te leggen dat ik daar de kans niet voor had gekregen. Ronardo keek toe hoe we de laatste hand legden aan de afwas. Mijn vader gooide het afwaswater weg en maakte het aanrecht schoon, ik zette alle pannen en borden in de kasten.
“Dan laat ik jullie jongelingen maar even alleen,” zei mijn vader cynisch, droogde zijn handen en liep de deur uit.
“Nou, gezellig!” was de mening van mijn neef. Ik zuchtte even, vroeg me toch af wat hij tegen mijn vader had. Ik leunde tegen het aanrecht aan en keek naar mijn neef. Hoewel hij wel wat trekken van Fiona had, leek hij niet sprekend op haar. Bruine ogen en blond haar, een wat smal gezicht en een lenig postuur. Afgezien van die handschoenen, was hij verder netjes gekleed in een blauwe broek en een donkergrijs overhemd.
“Ik heb iets voor je nagevraagd,” zei ik.
Hij staarde me verbaasd aan.
“Wat dan?”
Ik voelde me wat kregel worden. De laatste keer dat ik hem sprak zat hij te zeuren dat zowel Mandor als Fiona hem niets wilden vertellen de mogelijke vader van zijn zus, nu wist hij nergens meer van!
“Je vroeg je af of de broer van Mandor de vader kon zijn van je zuster,” legde ik geduldig uit.
“Oh ja, dat. Zou jij dat uitzoeken dan?”
“Nee. Maar ik heb dus vragen aan Mandor gesteld. Je zus is geen dochter van hem, dat is onmogelijk. Het zou kunnen dat ze van zijn vader is of van zijn broer, maar hij heeft daar nooit iets over gehoord. Als ze van zijn broer Ernest is, moet Fiona erg jong zijn geweest toen ze haar dochter kreeg.”
“Hoe weet je dat?”
“Dat weet ik niet, dat zei Mandor. Zijn broer is al heel lang dood. Een uitstekend magiër, combineerde dat met Logrus. Was verwikkeld in allerlei duistere zaakjes, een gevaarlijk iemand. Had een eigen wereld waarin hij iedereen terroriseerde. Leek inderdaad wel wat op Mandor. Ernest had veel vijanden, veel ruzie. Hij had één vijand in het bijzonder. Het is onbekend of deze achter zijn dood zit. Hij werd ergens op een Schaduw opgewacht en is toen te pakken genomen en gedood.
Mandor kende hem niet goed, hij groeide toen nog op.”
“Interessant. Het sluit wel aan op wat ze zei, haar vader zou ‘de Duistere Prins’ zijn.”
“Kan. Zo heb ik hem niet horen noemen. Heb je wat aan de informatie?”
“Weet ik niet,” zei hij zuchtend. “Fiona laat er niets over los.”
Ik haalde mijn schouders op en bedacht ineens dat het raar overkwam om hier zo in de keuken te blijven staan en hem niet eens iets te drinken aan te bieden.
“Wat wil je drinken?” vroeg ik.
“Rode wijn,” zei hij. Ik vroeg me af waar ik dat zou kunnen vinden. Gelukkig kwam op dat moment Julian weer binnen.
“Staan jullie daar nog steeds? En waarom heb je hem niets te drinken aangeboden Morwenna?”
“Niet aan gedacht. En ik weet niet waar het staat.”
Hij schudde zijn hoofd, mompelde iets over opvoeding, nodigde Ronardo uit om bij de grote tafel te gaan zitten en pakte zelf ook een stoel, zijn laarzen legde hij op een andere stoel. Ik zag dat Ronardo heel even zijn neus optrok. Wat had hij toch tegen Julian?!
“In de wijnkelder,” zei Julian vriendelijk. “En glazen staan in de kast.”
Nadat ik de Bayles had ingeschonken, ging ik ook aan tafel zitten. Tegelijkertijd voelde ik een vaag gekriebel in mijn achterhoofd, dat moet Rhexenor of Julia zijn.
“Morwenna, eindelijk ben je te bereiken!” zei mijn neef opgewekt.
Ik glimlachte. Blijkbaar begon mijn afwezigheid toch wat opvallend te worden.
“Hoe bevalt je straf?” vroeg ik.
“Hartstikke gaaf! Veel schieten, met mechs en ruimteschepen. Ze hebben wat problemen met een power source, dus ik heb te maken met allerlei verschillende soorten mechs.”
“Oh. Dat klinkt inderdaad leuk,” zei ik, al had ik niet het flauwste idee wat een mech was.
“Ik ben nu echter even thuis en je moeder vraagt of ze je een keer zou kunnen zien.”
“Ze zit nog bij jullie dan?”
“Het lijkt je vader in ieder geval goed te bevallen.” Hij aarzelde even. “Eigenlijk heeft je moeder al eerder naar je gevraagd, maar toen ben ik het een beetje vergeten door te geven.”
Hij grijnsde breed, vrolijk als altijd.
“Ik kan je nu meteen doorhalen,” stelde hij voor.
“Ik heb nu even iets anders,” zei ik. “Ik troef je zo snel mogelijk terug.”
Ik verbrak het contact en dacht even na. Mijn moeder die tot twee keer toe naar me had gevraagd? Goed, ze zaten inmiddels al enige tijd in Antioch, een maand of wat schatte ik zo. Als het dringend was geweest had Rhexenor het wel gezegd. Toch moest ik zo snel mogelijk naar haar toe. Nog voor het Patroon en Deirdre.
Mijn vader keek me vragend aan, ik legde kort uit waarom Rhexenor had getroefd.
“Het kan belangrijk zijn,” zei mijn vader.
“Ik weet het. Ik zal dit dan niet te lang maken,” en keerde me naar Ronardo.
“Er waren echter nog wat dingen waarover ik je wilde spreken,” zei ik. “Ik ben wat meer te weten gekomen over de verbanning van de Old Ones. Er schijnt een hoop gebakkelei geweest te zijn over hoe ze te verbannen, Daardoor waren ze bijna te laat en zijn ze mogelijk niet ver genoeg verbannen. Er zijn een aantal machtige figuren die dat hebben gedaan, onder andere Oberon.”
“En Osiris Amblerash,” zei Julian.
“Die wist ik niet. Een derde persoon is dan de grootvader van Gramble Sawall geweest.”
“Ehm.. die bedoelde ik ook,” zei mijn vader. “Het was Osiris Sawall.”
Apart, zo’n Egyptische naam in de familie Sawall. Zou dat verklaren waarom Gramble zoveel kennis leek te hebben van Egyptologie?
“Van wie heb je dat gehoord?” vroeg Ronardo wantrouwend.
“Iolanthe Hendrake. Dat was ten tijde van haar jonge jaren zogezegd.”
“Dat is een demoon,” zei hij met een vies gezicht. “Hoe kan ze dat weten?”
“Een enge demoon ook nog,” zei Julian met een uitgestreken gezicht. “Maar het kan erger, Mandor Sawall is pas een engerd.”
“Je mag van hem vinden wat je wilt,” zei ik wat gepikeerd. “Engerds zitten er trouwens ook in de Amberfamilie.” Ik keek Ronardo weer aan.
“Misschien zou ik je hulp kunnen gebruiken als troefexpert. Stel je voor, je hebt een wereld die geheel afgesloten is. Voor Troef, Patroon en Logrus. Ook zijn er nog een aantal magische beschermingen aangebracht door een goede tovenaar. Desondanks komt er toch een ongewenst persoon die wereld binnen, bevriest iedereen die daar aanwezig is op één persoon na, en brengt bij die persoon een blokkade aan. Wat is er tegen zo’n iemand te doen?”
Mijn vader zat me scherp op te nemen, ik had hem nog niet verteld van het gebeuren in Gormenghast. Zo op het oog leek hij onbewogen, maar ik zag hoe hij met zijn handen de leuningen van zijn stoel zo stevig omknelde dat zijn knokkels wit waren.
Ronardo dronk eerst een paar slokken wijn alvorens te antwoorden.
“Wat ik ertegen zou doen? Eric zich ermee laten bemoeien.”
Alweer een man. Dat was eigenlijk mijn bedoeling niet. Mijn kind werd uitsluitend door mannen afgeschermd. Oh ja, Eric zou een goeie zijn, toch zou ik graag wat vrouwelijke inbreng hebben.
“Kun je specifieker zijn? Door wie is het afgeschermd?” vroeg hij.
“Julian, Mandor, Despil en mij.”
Hij trok zijn wenkbrauwen op,
“Dat zijn geen van allen troefexperts.”
“Mandor is wel een goeie met troef. Tekent ook speciale,” zei ik.
Hij dacht even na.
“Ben jij wel eens in die wereld?”
“Ja.”
“Ik heb je inderdaad niet kunnen bereiken eerder. Dus blijkbaar heeft hij dat toch goed afgeschermd. Ik raadt je Eric aan.”
“Kun jij niets? Of Fiona?”
“Mijn moeder? Dat is een ongelooflijke bemoeial,” zei hij boos. “Laat die er maar buiten. Je moest eens weten wat ze tegen mij aan heeft zitten zeuren de laatste tijd.”
“Ze is je moeder, ze zal zich zorgen over je maken,” zei Julian kort.
“Belachelijk. Ze behandelt me als een klein kind.”
“Zo zijn ouders, Ronardo. Mijn vader bemoeit zich ook met mij,” zei ik. “Ik heb er geen moeite mee.”
“Hoe bedoel je? Hij laat zich in met jouw zaken en jij vindt dat goed?”
“Ik zit niet in Morwenna’s zaken, al weet ik daar meer van dan ik wil weten,” zei Julian.
Ik voelde me schuldig, ik had hem niet zo moeten betrekken in dit hele gedoe. En het werd alleen maar erger.
“Hoe dat zo?” vroeg Ronardo nieuwsgierig,
Julian ging daar niet op in, maar kwam terug op Fiona.
“Ik heb tegen haar gezegd dat ze op je moest letten. Je was er slecht aan toe en ik had de indruk dat ze het niet zo in de gaten had. Ze was woedend op mij,” zei hij met een schouderophaal. “Je kunt het natuurlijk als bemoeienis zien, ik zie het als bezorgdheid. En je mag als ouder bezorgd zijn om je kind. Kinderen zijn kostbaar, zeker als je Amberiet bent. Ik maak me zorgen om Morwenna, al gaat het nu wat beter. Ze kwam terug als een soort wandelend lijk van Dark End, ze viel zelfs van haar paard af. En ja, toen heb ik ingegrepen.”
“Viel je van je paard?” vroeg Ronardo met een grijns op zijn gezicht.
“Laten we het daar nu niet over hebben,” zei ik, toch wat beschaamd. “Mijn vader heeft wel gelijk, Dark End is me niet in de koude kleren gaan zitten. Ik slaap nog steeds slecht ’s nachts. Iedere nacht.”
“Vreemd. Daar heb ik bijna nooit last van,” zei mijn neef. Eerder had ook Rhexenor gezegd dat hij geen problemen had met zijn nachtrust en ook William had iets dergelijks opgemerkt. William had dat schild, Rhexenor de Feniks. Maar hoe zat dat met Ronardo? En waarom had ik er als enige nog steeds last van?
“Morwenna,” zei mijn vader toen rustig, “wil je uitleggen wat er precies is gebeurd in Gormenghast? Die paar opmerkingen die je net maakte stellen me niet bepaald gerust.”
Ik keek hem aan terwijl ik vertelde van Brand, die zich naar binnen had getroefd en hoe ik daar alles had aangetroffen. Ik vertelde alleen nog niet over Owen. Ik zag dat hij zich verschrikkelijk kwaad maakte. Ik had hem eerder boos gezien, deze ingehouden stille woede was echter nieuw voor me. Hij schreeuwde niet, leek uiterlijk heel kalm. Veel te kalm.
“Hoe kan hij zijn eed breken?” vroeg hij strak.
“Ik zei dat hij het maar moest vertellen, hij zou me anders blijven volgen. Ik denk alleen dat ik er nog steeds niet vanaf ben.”
“Het kan gewoon niet. Ik heb hem laten zweren dat hij het je niet zou vertellen. Hij heeft eromheen gewerkt, hij heeft vals gespeeld. Ik heb hem duidelijk gezegd bij jou uit de buurt te blijven.”
“Waarom hebben jullie die wereld dan zo afgeschermd?” vroeg Ronardo.
Ik keek hem een poosje bedachtzaam aan, voor ik antwoordde.
“Er is daar iets belangrijks, iets dat heel kostbaar is. Mandor en ik hebben een kind. Dit mag uiteraard niet algemeen bekend worden.”
Hij keek me met open mond aan, zei een poosje niets.
“Dus ondanks alle beschermingen komt Brand binnen, weet zelfs Mandor uit te schakelen, legt een blokkade aan bij mijn kleinzoon en breekt zijn eed,” vatte Julian het hele gebeuren kort samen. “Haal toch Eric hier maar bij. Hij weet hoe Brand is, heeft een bloedhekel aan hem en is de enige die iets tegen hem kan doen. Wat deed Brand eigenlijk bij jullie thuis?”
“Hij zei dat hij het kind wilde zien. Hij heeft een zoon van ons ontmoet in de toekomst en die zat hem dwars. Ik denk dat hij met die blokkade, het schijnt een soort trigger te zijn, iets wil voorkomen.”
Ik vertelde niet over de Spikard, niet waar Ronardo bij was. Ik ging hem niet alles aan zijn neus hangen. Wel zei ik dat Iolanthe Brand ook al tegen was gekomen in haar tijd.
“Op een bepaalde manier reist hij dus door tijd. Dat was ooit mogelijk,” zei Julian. Ik zag dat hij nog steeds verschrikkelijk kwaad was en zich ontzettend inhield. Ronardo had echter niets in de gaten. Ik keerde me naar hem.
“Je zei dat je me iets wilde vragen. Wat precies?”
“Bij Amblerash hebben ze een probleem. Ze hebben iemand nodig om te ondervragen, maar krijgen Mandor niet bereikt. Dus als jij hem wilt vragen om binnenkort contact met me op te nemen? Liefst zo spoedig mogelijk eigenlijk.”
“Dat kan, een moment,” zei ik, stond op en liep naar buiten. Daar haalde ik de troef van Mandor tevoorschijn en concentreerde me. Ik keek al snel in het glimlachende gezicht van mijn geliefde. Hij zat op een stoel in de speelkamer een boek te lezen.
“Je kunt echt niet lang zonder me hè?” concludeerde hij tevreden.
“Klopt. Maar ik troef je later om wat uitgebreider te praten. Nu heb ik een vraag van Ronardo voor je: of je binnenkort met hem contact wil opnemen. Ze schijnen je ondervragingstalent nodig te hebben bij Amblerash.”
“Dat zal best,” lachte hij kort. “Maar dat is goed.”
“Alles goed met Owen?” kon ik niet nalaten te vragen.
Zijn lach werd breder.
“Dus daarvoor troefde je eigenlijk,” zei hij plagend. “Hij heeft zich uiteindelijk over je weggaan heen kunnen zetten en is de rest van de dag zijn eigen gang gegaan. We hebben net gegeten en straks gaat hij naar bed.”
We verbraken het contact met de belofte over en weer om binnenkort wat langer te praten en ik ging weer naar binnen. Het zag er naar uit dat er tijdens mijn korte afwezigheid geen woord gewisseld was tussen mijn vader en mijn neef. Ik zei tegen Ronardo dat het in orde was, schonk nog eens wijn in voor iedereen en ging weer zitten.
“Ik wil dat je Eric erbij haalt,” zei mijn vader streng.
“Nu?”
“Ja. Dat gebeuren zit me niet lekker, daar moet zo snel mogelijk ingegrepen gaan worden. Brand lijkt geen grenzen te kennen. Hij klooit niet alleen met jou, maar ook met Owen. Een volgende keer verzint hij weer wat anders.” Dit alles zei hij uiterst bedaard, hij was echter spinnijdig.
Mijn oom had zich niet alleen de woede van Mandor op de hals gehaald, maar ook die van Julian. En al eerder van Gramble Sawall. Hoe sterk en onaantastbaar Brand ook leek, hier zou hij wel eens een zware dobber aan kunnen hebben.
Ronardo keek wat verwonderd van de één na de ander en leek niet helemaal in de gaten te hebben wat er zich onder water afspeelde. En hoe kon het ook anders, ik had mijn neef niets verteld over een aantal eerdere aanvaringen met Brand, en maar summier iets over waarom ik hem had geholpen om Jasra te vinden.
Ik zocht de troef van Eric uit en concentreerde me op de kaart. Op de troef stond hij afgebeeld met een vriendelijke glimlach. De contouren vervaagden en ik keek in het ernstige, wat sombere gezicht van deze oom. Heel even vroeg ik me af of hij altijd zo was geweest, of dat het dood zijn veel invloed had gehad op zijn manier van doen.
“Morwenna.”
Altijd prettig als je herkend wordt. Ik twijfelde of ik de formele manier zou kiezen of juist familiair zou doen. Uiteindelijk werd het iets ertussenin.
“Een goedenavond Eric. Ik heb een probleem dat nogal dringend lijkt te zijn. Zou je me kunnen en willen helpen?”
“Vast iets dat niet over troef besproken kan worden?”
“Liever niet. Zou je door kunnen komen? Ik bedoel, wat is handig voor je? Ik ben nu bij Julian.”
“Weet hij dat ik leef?”
“Dat heb ik hem verteld.”
Hij fronste zijn zwarte wenkbrauwen en keek me doordringend aan. Ik keek strak terug en gaf geen verdere uitleg. Toen knikte hij.
“Ik kom eraan.”
Hij verbrak het contact en nog geen minuut later stond hij al naast me. Net zo eng als Brand, realiseerde ik me. Waarschijnlijk inderdaad veel beter met troef dan Fiona.
Hij begroette allereerst mijn vader, die hem niet bepaald uitnodigend aankeek. Ik had een idee waarom. Behalve dat hij mijn eerdere slechte conditie voor een groot deel Eric verweet, werd het met een vierde persoon erbij erg vol. Zelf moest ik me ook over een bepaalde weerzin heen zetten, tenslotte had ik zelf Ronardo en Eric erbij gehaald.
“De geruchten rond je dood waren overdreven?” informeerde mijn vader.
“Nee. Ik was echt dood,” zei Eric kort. “Leuk je weer te zien trouwens, we moeten binnenkort eens praten samen. Over het verleden en de toekomst.”
Julian knikte.
“We zullen zeer zeker eens moeten praten,” zei hij langzaam. “Over meerdere dingen.”
Daarna begroette Eric Ronardo, die hij blijkbaar kort geleden nog had gesproken. Ik haalde een nieuwe fles Bayles uit de kelder en bood Eric ook wijn aan. Julian haalde zijn voeten van de stoel af en zei Eric te gaan zitten.
Ik bekeek deze oom eens goed, zoals hij daar zat, met het glas wijn in de hand. Hij was groter en steviger dan mijn vader. Zijn haar was diepzwart, zo zwart dat er een blauwige glans overheen leek te liggen. Helderblauwe ogen, dezelfde kleur als Julian. Hij straalde een bepaalde autoriteit uit, een bepaalde macht. Toch was het niet van het opdringerige soort, zoals ik me herinnerde van Oberon toen ik deze ontmoette in Tir-na n’Oght. Onwillekeurig rilde ik even en dronk haastig een paar slokken wijn. Daarna vertelde ik het verhaal over Brand opnieuw, nu aan Eric. Ook deze keer liet ik de Sawall Spikard weg. Eric luisterde zwijgend. Er verscheen een frons op zijn gezicht toen hij zich realiseerde dat ik iets met Mandor Sawall had, die frons werd dieper toen het kind ter sprake kwam. Ik wist dat mijn vader een hekel had aan Chaosieten, maar deze had mijn zoon er nog nooit op aangekeken. Nu wist ik ineens zeker dat er mensen waren die dit wel zouden doen. Eric haatte Chaosieten en zo te merken ook de mengvormen. Al eerder had ik inderdaad gezien dat hij wat problemen had met Rhexenor, wiens bloed er toch ook voor had gezorgd dat Eric nu bij ons aan tafel zat. Maar ik was toen te zwak om ten volle te kunnen beseffen welke consequenties dat zou kunnen hebben.
“Mandor Sawall!” Eric spoog de woorden zowat uit zodra ik klaar was met mijn verhaal. “Van alle Chaosieten kies je voor Mandor Sawall! Dat is helemaal geen beste keus, hoe kom je erbij!”
Ik trok mijn psychische schild weer op. Eric kon zeggen wat hij wilde, hij kon me niet kwetsen. Ik had inderdaad keuzes gemaakt die bij de familie niet goed zouden vallen, maar het waren weloverwogen beslissingen geweest.
“Heeft hij je verkracht?!”
Hoe durfde hij! Inwendig maakte ik me toch kwaad, hoe durfde hij zoiets te suggereren! Mandor, die me nog nooit met een vinger had aangeraakt tegen mijn zin!
“Natuurlijk niet,” zei ik strak. Ik zorgde ervoor dat mijn woede niet van mijn gezicht af te lezen was.
“Het samengaan met Chaosieten zou sowieso strafbaar gesteld moeten worden!” raasde hij door en keek naar Julian die er stoïcijns bijzat.
“En jij! Je vindt dat allemaal zomaar goed?!”
“Ik had niet veel keus,” zei Julian met een zweem van humor. “Ze vroegen me niet om mijn mening.”
Eric staarde hem even met open mond aan en schudde zijn hoofd. Toen verlegde hij zijn aandacht weer naar mij.
“Je bent niet wijs! Sawall is één van de meest misselijke families uit Chaos! En dat is al heel lang zo. Je hebt niet alleen te maken met die Mandor, maar ook nog met die vreselijke Gramble en zijn vader!
Ongelooflijk dat Gramble daar nu op de troon zit, samen met dat mens met haar bastaardzoons. Morwenna, dit is zelfs politiek gezien geen geweldige zet van je.”
“Misschien niet, maar de feiten liggen nu eenmaal zo,” zei ik rustiger dan dat ik me voelde. Die opmerking over de vader van Gramble onthield ik om later vragen over te stellen, maar niet aan Eric.
“Ik ben niet van plan om ergens op terug te komen,” voegde ik er voor alle duidelijkheid nog aan toe.
“Die koppigheid komt bij jou vandaan,” zei Eric tegen Julian, die zijn schouders ophaalde.
“En ik weet dat mijn persoonlijke mening helemaal niet zal tellen in jullie ogen. Ik heb sinds ik terug ben inderdaad gemerkt dat bepaalde ongeschreven regels van vroeger achterhaald zijn. Dat het zelfs mogelijk is dat een zuster van mijn het aanlegt met een Chaosiet tijdens de oorlog en dat daar geen represailles op zijn gekomen! Maar zij ging tenminste niet verder dan dat, ze is geen openlijke relatie met hem begonnen. Ik had al zo mijn bedenkingen tegen dat politieke huwelijk. Nu weet ik wat erachter zit en dat maakt de zaak alleen maar erger!”
Er werd een tijd niets gezegd, ik schonk nog eens een nieuwe ronde wijn, alleen Ronardo sloeg af. Hij leek een beetje beduusd te zijn door al dat getier van mijn oom. Ik glimlachte tegen hem, hij kon ook niet weten dat ik dit soort dingen allemaal al eens had meegemaakt en aangehoord. En ik vermoedde dat het met Eric niet voorbij zou zijn, er waren meer familieleden die er zo over zouden denken, of ze nu wel of niet van de achtergrond zouden weten. Ik vroeg me af of Mandor dit allemaal had beseft voordat hij de plannen voor ons huwelijk in werking zetten. Waarschijnlijk wel. En in Chaos was het allemaal niet veel beter.
‘Hierbij hebben we het genoegen om U uit te nodigen op het verlovingsfeest van Morwenna van Amber en Mandor Sawall, die in het belang van de wapenstilstand voornemens zijn elkaar te huwen.’ Ha! Het mocht wat! Voor de meeste mensen zou het genoegen bestaan uit elkaar de hersens inslaan!
Uiteindelijk was Eric wat bedaard en begon hij vragen te stellen.
“Hoe komt Brand aan de macht om in jullie wereld te kunnen komen? Je zei immers dat deze was afgeschermd tegen Jurt.”
“Dat heeft Despil gedaan, Jurt heeft ons al eens bezocht op een andere goed afgeschermde wereld.”
Ronardo schoot in de lach, verder was er niemand die meelachte. Toch kom ik me op zich de humor ervan wel inzien, we hadden een wereld rondom een klein kind volledig dicht getimmerd en ondanks dat kregen bepaalde lieden het toch voor elkaar om daar simpel doorheen te breken.
“Brand heeft een bad genomen in het bassin van de Keep of Four Worlds,” legde ik uit. “Dat geeft een levende troefmacht. Jurt komt er ook op die manier aan, maar deze is er per ongeluk ingevallen.”
“De Keep is dus nog niet vernietigd? Hmm, vervelend. Dat stond nog op mijn lijstje. Een heel gevaarlijke plaats. Ik ben niet aan de vernietiging toe gekomen, vanwege de oorlog had ik er geen tijd voor en ik had ook nog rekening te houden met een andere lastige broer.
Uit wat je vertelt hebt, kan ik opmaken dat Brand zich bezig houdt met tijdreizen, geklooi met patroon en dat gecombineerd heeft met die macht van de Keep. Tijdreizen was trouwens vroeger mogelijk, nu is dat afgeschaft ofzo.”
“Op dat punt wil ik je nog wel een keer verder inlichten,” zei ik. “Er is inderdaad iets gebeurd.”
Eric keek me recht aan.
“In hoeverre heb jij te maken met Caine?” vroeg hij.
Ik was verbaasd over de vraag.
“Niet zoveel, dacht ik.”
“We hebben hem gered, daarom liggen we goed,” mengde Ronardo zich in het gesprek.
“Dat klopt,” zei Eric, “maar over jou, Morwenna, mag er geen kwaad woord gezegd worden.”
Ik was met stomheid geslagen. Natuurlijk had ik wel eens gemerkt dat ik bij deze oom vrij goed lag, maar niet gemerkt dat ik specialer zou zijn dan mijn neven.
“Misschien een keer iets gezegd dat goed viel,” zei ik weifelend, want ik kon me niet voorstellen wat dat dan precies geweest moest zijn.”
“Waarschijnlijk kun je in jouw geval Caine beter met je mee hebben dan tegen je. En dan doel ik niet alleen op dat voorgenomen huwelijk,” vond Eric. “Om terug te komen op jouw probleem: je wilt mijn hulp om de boel verder af te schermen?”
“Als het mogelijk is?”
“Zo machtig is die macht van hem ook weer niet,” mompelde hij.
“Eventueel wil ik ook graag die blokkade weg hebben bij mijn zoon,” zei ik. “Maar dat heeft minder haast.”
Hij knikte.
“Dat kan ik tegelijkertijd ook regelen. Wie weten er nog meer van jou, Mandor en je zoon?”
“Mijn vader, Ronardo, Caine, Benedict, Gramble en Despil,” somde ik op.
Eric fronste alweer.
“Dat zijn er nogal wat.”
“Ga je Rhexenor en William ook nog inlichten?” vroeg Ronardo.
“Rhexenor waarschijnlijk wel. William niet, diens ideeën zijn nogal uitgesproken. Ach, je was erbij toen hij ze spuide.”
Ronardo knikte begrijpend.
“Goed,” zei Eric. “Ik zal dat voor je doen. Komt eigenlijk wel zo goed uit, ik heb Mandors hulp nodig om in een andere wereld een beveiliging te maken tegen Logrus.”
“Wil je dat ik hem voor je troef?”
“Nee,” zei hij verschrikt, “laat maar even. Ik wil me voorbereiden. Zodra jij op het punt staat om daar weer heen te gaan, neem dan contact met me op. Ik snap trouwens nog steeds niet wat je in die persoon ziet.”
“Je bent een tijd lang weg geweest,” zei Julian rustig. “Er zal veel voor je veranderd zijn.”
“Klopt,” zei Eric en liet zich nog eens inschenken. Inmiddels stond de derde fles Bayles op tafel, alleen Ronardo dronk niet meer mee.
“Het laatste wat ik me herinner van voor mijn dood is dat mijn broer ineens de veldslag kwam redden. Dat dacht ik toen tenminste. Ik weet nu dat het eigenlijk was om Amber over te nemen, maar ons aantrof in de grote slag om Paleis Amber en besloot om mee te helpen.”
“Het was inderdaad verbazend, die plotselinge hulp,” zei Julian. “Zeer welkom echter.”
“Enige tijd daarna is Pa verdwenen.”
“Daar heeft niemand spijt van, al ben ik bang dat hij niet dood is.”
“Misschien dat mijn broer ermee te maken heeft,” zei Eric peinzend. “Maar daar zal ik mogelijk nooit achter komen. In ieder geval woedde er tegelijkertijd een grote slag, legers van beide kanten en beiden stonden er slecht voor. Het Oerpatroon werd gerepareerd en tegelijkertijd maakte Corwin een eigen Patroon. Deirdre en Brand vielen in de Abyss, een plotselinge wapenstilstand en Random die koning werd.”
Julian grinnikte.
“Het was komisch, ik vond die stunt wel leuk. En niemand die hem het koningschap betwistte.”
“Je bedoeld dat het een grap was?”
“Natuurlijk. Nep-eenhoorn, nep-edelsteen. Alleen Corwin trapte erin.”
Zowel Eric als Ronardo keken lichtelijk verbaasd. Julian had dit me al eerder verteld, het moest een kostelijk moment zijn geweest.”
“Hij zal het inderdaad gedaan hebben om mijn broer voor de gek te houden,” zei Eric bedachtzaam. “Waarom heb je niet ingegrepen?”
“Vond ik niet nodig. Ik hoefde geen koning te zijn.”
“In ieder geval hebben we nu dus een wapenstilstand met Chaos en te maken met Gramble Sawall en Dara Hendrake die het koningshuis vormen daar. Heel vreemd. En dan ineens al die jongelingen die plotseling opduiken.”
“Dat is zo vreemd niet.”
“Het heeft met Oberon te maken. Ik heb mijn kinderen ook voor hem weg gehouden. Niet dat het veel uitmaakte, hij vond ze toch vaak.”
Julian knikte instemmend, ik herinnerde me wat hij had verteld over mijn zus.
“Wat wilde hij met ze?” vroeg ik.
“Dat is me nooit helemaal duidelijk geworden,” zei Eric. “Hij had voor iedereen zijn eigen plannen en wie niet in het plan paste, verdween. Ik vermoed dat hij er ook vermoord heeft, maar ik heb geen bewijs. Het vervelende is dat je nooit weet of hij terug komt.
En nu hebben we Deirdre op de troon.”
“Ze is niet de keus waar de familie achter staat,” zei Julian. “Maar er is niemand anders die wil, dus zit ze daar.”
“Waarom heeft ze het eigenlijk gedaan?”
“Rhexenor vertelde eens dat ze het gedaan heeft om hem op de troon te helpen. Hij schijnt ooit tegen haar gezegd te hebben dat hem dat leuk leek,” zei ik.
Julian en Eric keken elkaar met een veelbetekenende blik aan.
“Dat verklaart wel iets,” zei Eric. “Caine had het erover dat ik het koningschap moest overnemen, maar ik heb mijn bedenkingen. Als mijn zus koningin is, houdt Corwin zich tenminste rustig. Als ik koning zou worden, zou de competitie weer van voor af aan beginnen. Mijn broer kan echt een zeikerd zijn, hij is drammerig, wantrouwig en vervelend. Oberon zag hem als de ideale opvolger.”
“Vanwege die eigenschappen?” vroeg ik met ongeloof.
“Natuurlijk niet. Corwin is gemakkelijk te manipuleren. Hij gelooft echt alles. Llewella zou een goede koningin zijn, maar die is met geen tien paarden op de troon te krijgen.”
“Ze vindt paarden niet leuk,” zei Julian met een glimlach. Ik grijnsde ook. Eric keek even verward, toen trok hij weer een ernstig gezicht.
“Misschien kun je Deirdre laten zitten en haar adviseren,” bedacht ik. “Wellicht accepteert Corwin dat wel.”
“Ze maakt er een puinhoop van.”
“Het is niet zo’n gek idee van mijn dochter,” zei Julian. “Op de achtergrond kun je meer invloed uitoefenen.”
“Hmm. Ik kan haar natuurlijk eens opzoeken…”
“Dat kun je doen.”
Weer werd er een poosje gezwegen, er werd wat gedronken en opnieuw geschonken. Alleen Ronardo sloeg steeds opnieuw af.
“Hoe is het nu met jou, Eric?” vroeg ik. “Je ziet er in ieder geval een stuk beter uit dan eerder, dus ik neem aan dat alles naar wens is gegaan.”
Hij keek verrast bij deze vraag en antwoordde bijna vriendelijk.
“Op zich is alles gegaan zoals het moest gaan, een beetje op het nippertje, maar goed. Ik ben me nu op de hoogte aan het stellen van de huidige omstandigheden. Random heeft dus Brand uit de Abyss gehaald. Corwin, Flora en jullie hadden er iets mee te maken.”
“Niet direct met Brand, dat was later en daar waren we niet bij, zelfs niet van op de hoogte. Maar we hebben eerder op verzoek van Random in de Abyss gevist.” In het kort vertelde ik Eric hoe het allemaal in zijn werk was gegaan, hij luisterde aandachtig.
“Dus de Feniks is terug. En als ik het goed heb, gebeurde dat op het moment dat jij viste.”
“Moyra was aan het vissen, maar snapte de techniek niet. Ik heb het haar alleen voorgedaan en had toen de Feniks aan de haak. Ik was helemaal niet van plan om mee te gaan hengelen.”
“In dit geval telt de intentie niet. Jij stond daar met die hengel.”
Ik slikte. Natuurlijk was het waar. Het was echt mijn bedoeling niet om te gaan vissen, maar ik kon dat domme geklungel van die griet niet langer aanzien. En dat was in feite zeer bepalend geweest voor alle gebeurtenissen vanaf toen. Als de Feniks niet was opgevist, was Deirdre ook niet terug gekomen. Natuurlijk was het iets dat mij was overkomen, ik heb inderdaad de onhebbelijkheid om precies op het verkeerde moment belangrijke gebeurtenissen voor de toekomst te bepalen. Wat was oorzaak geweest en wat gevolg?
“Ik heb verder niets met de Feniks,” vond ik het nodig te zeggen.
Zowel Eric als Julian keken me zwijgend aan.
“Hoe dan ook, nu die Feniks weer terug is, kunnen de invloed van zowel Patroon als Logrus achteruit zijn gegaan. Ik heb gemerkt dat de invloed van beiden op Schaduwen steeds minder aan het worden is. Alleen op Schaduwen waar geen leven is zijn de invloeden sterker. Er zal een tegenreactie van zowel de Eenhoorn als het Serpent komen. De Feniks is niet voor niets eerder weggewerkt. Dat is nogal een bemoeial.”
“Ik kan proberen meer uit te vinden,” zei ik nadenkend. “Ik moet nog steeds Patroon lopen, sinds Dark End al. Misschien dat ik dan wat wijzer wordt.”
“Ben je een beetje goed met Patroon?”
“Redelijk.”
“Ze is heel ver in Patroon,” zei Julian.
“Dan kom je mogelijk iets aan de weet. Misschien ook niet.”
Eric sloeg een volgende ronde wijn af, hij zei dat hij weer eens moest gaan.
“Tenzij je nog vragen hebt.”
“Meerdere. Maar nu stel ik er eentje,” zei ik. “Wat kun je me vertellen over Lorrayne?”
“Waarom wil je dat weten?”
“Ik heb het vermoeden dat ze mijn overgrootmoeder is.”
“Hoe kom je daar zo bij?”
“Uit betrouwbare bron vernomen. Ik wil daar verder niet op ingaan.”
“Ik weet er heel weinig van. Het was een zaakje van Oberon. Ik vermoed dat hij ooit een dame tegen is gekomen ooit, ik heb geen idee hoe dat is gebeurd. Dat was ergens voor, tijdens of nadat hij met mijn moeder ging. Hij is haar daarna nog een paar keer tegengekomen. Daaruit zijn twee kinderen voortgekomen, waarvan de oudste waarschijnlijk Caine is en de jongste een meisje, Lorrayne.”
Ik was even beduusd. Meteen begreep ik ook waarom Caine een soort voorkeur voor mij had, ik was dus blijkbaar een nakomeling van zijn volle zuster.
“Ik vind het leuk om dingen uit te zoeken,” legde Eric uit. “En ik vroeg me af waar Caine vandaan kwam. De vrouw in kwestie heette of heet Dulcimea van Tir-na n’Oght.”
“Daar woont toch niemand,” zei ik verbaasd.
Eric haalde zijn schouders op.
“Wie zal het zeggen. Niemand weet hoe oud de kinderen zijn en waar ze zijn geboren.”
“Caine zei dat ze tussen Flora en Julian kwam.”
Voor het eerst tijdens dit gesprek lachte Eric.
“Dat zal hij vast gezegd hebben. Alsof het ook maar iets uitmaakt. Van Caine weet ik eigenlijk heel weinig, hij is erg goed in het zich onbereikbaar maken voor iedereen. Van Lorrayne weet ik ook weinig, behalve dat zij zich vrij veel heeft bemoeid met Amber. En op zijn beurt heeft Oberon zich met haar bemoeid.”
“Er is me verteld dat ze is omgekomen tijdens een experiment. Ze had een unieke eigenschap waarbij oorzaak en gevolg omgedraaid kon worden.”
“Dat kan zijn. Er zijn de gekste dingen gebeurd binnen de familie. Ze staat nergens genoemd, dat maakt het heel lastig om dingen over haar te vinden. Ze heeft de Spiegelzaal gemaakt.”
Ik zweeg en dacht na. Lastig om dingen te vinden? Binnen Amber wel ja. Maar daarbuiten? Ik dacht aan de familietombe. En aan mijn erfenis, het huis in Brighton. Het werd tijd dat ik mijn eigen roots uit ging zoeken.
Ronardo, die lange tijd had gezwegen, nam plotseling ook deel aan het gesprek.
“Benedict had het enige tijd geleden over Lorrayne,” zei hij. “Dat was toen ik bij hem een training volgde.”
“Wat zei hij?” vroeg ik nieuwsgierig.
“Niet zo heel veel. Hij zei dat zijn zus Lorrayne lastig werd en daarom geschrapt door Oberon. Ze was gespecialiseerd in mensen manipuleren, ze had iets met spiegels en mensen. Ze zou de spiegelzaal in Amber gemaakt hebben en een fascinatie hebben gehad met Tir-na n’Oght en Rebma. Ze zou volgens Oberon een vijand van Amber zijn geworden. Eén van de redenen dat ze moest verdwijnen was dat ze iets begon met Chaos.”
“Klinkt als Oberon,” zei Eric en Julian knikte. Intussen buitelden mijn gedachten door elkaar. Dit was ineens een aardig compleet stukje dat ik te horen kreeg over mijn overgrootmoeder. Ik dacht aan mijn moeder, die ook verschrikkelijk goed was in mensen manipuleren. En nog iets, waar zowel mijn moeder als mijn broer last van hadden. Iets wat al eerder in me opgekomen was, maar met deze mededeling werd bevestigd.
“Dat betekent inderdaad dat ik via mijn moeders lijn niet alleen van Amber, maar ook van Chaos afstam,” zei ik kalm.
“Wat bedoel je? Dat je gedeeltelijk Chaosbloed in je hebt?” vroeg mijn vader geschrokken.
“Mijn moeder en ook in mindere mate mijn broer hebben de schurft aan dieren. De mijne wel te verstaan. Die van jou dus eigenlijk,” zei ik tegen hem. “Zoals vrijwel alle Chaosieten.”
“Dus je denkt dat Lorrayne een minnaar had in Chaos?” zei Eric verbijsterd. “Misschien bedoelde Benedict iets heel anders.”
“Zeker niet,” zei ik. “Ik weet dit eigenlijk al langer, ik heb meerdere redenen om aan te nemen dat dit het geval is. Zo ben ik eens een Barimen tegen gekomen die me onder andere wist te vertellen dat ik Chaosbloed in me had. En de Chaosiet van Lorrayne was niet zomaar een minnaar, er zijn zeker twee dochters uit voortgekomen. Mijn oma had een volle zuster, Lenore.”
De mannen keken elkaar verbluft aan, geen van hen wist nog wat te zeggen. Mijn vader bekeek me onderzoekend alsof hij probeerde demonische kenmerken bij me te ontdekken.
“Je zou het Caine eens moeten vragen,” zei Eric aarzelend. “De naam Lorrayne hoor je niet zoveel, er zou toch iets terug te vinden moeten zijn over haar.”
“Ik vind het toch raar,” zei Ronardo. “Als dit allemaal waar is, dan zou je moeder toch machten moeten hebben?”
“Dat hoeft niet,” dacht ik. “Vermoedelijk latent aanwezig. In feite weet ze niets over haar afstamming en ze heeft totaal geen begeleiding gehad. Ik weet uit eigen ervaring dat je dan geneigd bent om aan alle vreemde dingen een logische verklaring te geven. Ook weet ik dat er binnen haar familie heel veel mensen vroegtijdig zijn gestorven en ik vraag me af in hoeverre dat een natuurlijke oorzaak had. Het is heel goed mogelijk dat er flink wat blokkades zijn aangebracht bij haar om diverse redenen.”
Als dat laatste trouwens waar was, zou dat zeer waarschijnlijk de oorzaak kunnen zijn van haar regelmatig terugkerende migraine. Lopen van Patroon zou blokkades kunnen opheffen, het was echter de vraag of mijn moeder wel Patroon zou kunnen lopen. En ook of het wenselijk was dat deze blokkades, indien ze die had, werden weggehaald.
Eric stond op.
“Ik moet nu echt gaan,” zei hij. “Bedankt voor de gastvrijheid.”
Julian knikte alleen en Eric verdween net zo plotseling als hij hier binnen was gekomen.
“Ik ga ook,” zei Ronardo.
“Bedankt voor je komst en je input,” zei ik. “Ik hoop je te zien op het verlovingsfeest.”
Hij aarzelde.
“Als ik dan niets anders te doen heb, kom ik,” zei hij. “Maar ik hou niet van feesten en heb geen uitnodiging gehad. Mijn moeder echter wel.”
“De post is waarschijnlijk traag,” zei ik. “Zelf heb ik een uitnodiging gezien, het is ergens binnenkort.”
“Ik zie wel” zei mijn neef vaag, pakte een troef en was weg. Mijn vader schonk nog een keer voor ons in. We zaten een poos zwijgend te nippen van onze wijn. Ik probeerde alles te verwerken wat ik had gehoord en er kwam een nieuw plan in me op. In plaats van het Patroon in Amber, kon ik beter het Patroon in Tir-na-n’Oght gaan lopen. Zou de komende nacht helder zijn?
Showing posts with label Eric. Show all posts
Showing posts with label Eric. Show all posts
55. De Fluisteraar van Geheimen
Terwijl de symbolen weer werden bestudeerd door de experts, keek ik nog eens om me heen. Dark End was een verschrikkelijke wereld. Troosteloos, stoffig en oorspronkelijk grijs en grauw. Maar door de enorme bloedrode zon werd alles rood getint. Het was eigenlijk niet ontzettend warm, het was geen hete zon. Af en toe trilde de grond, het voelde niet goed aan. Hier en daar waren heuvels en rotsen te zien en waren er meer rode lichtbronnen behalve de rode zon, zoals de geisers, de lavastromen en de vulkanen. Dit was een planeet die niet in ellipsbaan rond de zon trok, maar stil stond, deze kant was voortdurend naar de zon gericht. Geen wonder dat deze wereld uit elkaar werd getrokken, iets dat al decennia bezig kon zijn, waarschijnlijk langer.
En dan al die altaren, ik had het vermoeden dat er op dit gedeelte van de planeet alleen al zeker duizenden van waren. En ze zagen er allen aangetast uit, ze moesten hier al heel lang staan.
De ijselijke kreten klonken nog steeds regelmatig op, ook het vrijwel aanhoudende kakelende gelach gaf me huiveringen. Ik wilde er weg, het leek wel of deze wereld zich steeds meer aan me opdrong.
William en Eric wisten eigenlijk niet goed wat ze van die symbolen konden maken, het zei ze helemaal niets. Ik vroeg Eric of hij wilde weten waar we mee bezig waren – ik denk dat ik de vraag stelde om mezelf af te leiden van de desolate omgeving. Hij schudde zijn hoofd.
“Nu niet, later.” Hij boog zich weer over de tekens. “Het is toch raar…”
Ik bestudeerde de symbolen ook nog eens goed. Niets, maar dan ook niets ervan deed me denken aan eerdere schriften die ik had bestudeerd. Het was Ronardo die het opviel dat het bloed nooit langs de andere symbolen kon komen, de symbolen die niet oplichtten wanneer er werd geofferd. Hij vroeg om een vergrootglas, dat ik hem aangaf.
“Kijk,” zei hij terwijl hij het aanwees. Ergens aan de onderkant van het altaar waren een zestal symbolen te zien waar ook lijnen naartoe liepen, maar deze lijnen waren opstaand en geen gleuven. Er was zelfs zoiets als een hart te zien, zoals die hartvormige kom, maar dit was een hartvormige bol.
Het enige dat ik kon concluderen met al mijn archeologische kennis – die dus aardig roestig is – is dat de altaren uit twee gedeelten bestonden. Het onderste was het oudste, met de zes symbolen. Het bovenste met alle symbolen en bloedgleuven, was nieuwer. Het deed me denken aan sommige bouwwerken die ik wel had gezien. Het gebeurde vaker dat nieuw op oude fundamenten werd gebouwd om iets mee te krijgen van de oude macht. Dat is iets wat ik in meerdere landen en werelden heb aangetroffen. Vaak is het nieuwe schreeuweriger en opvallender dan het oorspronkelijke bouwwerk. Dat was hier ook het geval. Maar dat vertelde ik niet aan mijn familieleden, het leek me niet dat ze zaten te wachten op mijn betweterigheid. Bovendien verging het me met dit stukje oudheid al net als met de kennis over magie: ik wist er helemaal niets van. Sterker nog, de heren wisten er veel meer van te maken dan ik en hadden nooit eerder iets gedaan met archeologie.
Voor de vorm bekeek ik een paar altaren in de buurt. De zes symbolen waren daarop hetzelfde, maar nergens was het precies gelijk. Ik had niet het idee dat het iets uitmaakte.
“Dit zijn heel duistere symbolen,” merkte William op. “En heel oud.” Tja. Ik bedacht somber dat ik er tot nog toe helemaal naast had gezeten met mijn ideeën rond het oproepen van die Ctulhu. Niks te ritueel dat niet af was, dit was totaal iets anders.
“En het heeft ook niets te maken met Oproeping,” wist William verder nog te vertellen.
Gezamenlijk kwamen ze tot de conclusie dat het symbolenspel – samen met de lijnen – wat weg had van patroon. En dat het ook te lopen was.
“In je hoofd?” vroeg ik. Een compleet niet ter zake doende opmerking natuurlijk. Maar die was ik voortdurend aan het plaatsen.
“Wat bedoel je?” vroeg William.
“Je neemt het beeld van Patroon in je hoofd en loopt het dan. In gedachten dus. Dat heeft hetzelfde effect als Patroon lichamelijk lopen,” legde ik uit. Mijn neven keken alle drie verbluft alsof ze niet wisten waar ik het over had. En ik vroeg me af waarom ik in ’s hemelsnaam mijn mond had open gedaan. Ronardo boog zich opnieuw over de symbolen en lijnen. Rhexenor liep een eindje van ons weg, ik zag dat hij in de buurt van een modderpoel een gaatje in de grond groef en daar iets in liet vallen. Tot mijn verwondering zag ik niet veel later dat er op diezelfde plaats een plantje groeide dat er eerder niet was. Rhex kwam terug met een tevreden gezicht.
“Hm, ik zie dat de richel niet helemaal bol is,” zei Ronardo. “Er lijkt in het midden ervan een heel klein groefje te lopen. Er zit een deukje in het hart en van daaruit lopen de groefjes weg.”
“Dus we kunnen toch iets gaan doen met ons bloed?”
We prikten onszelf in de vinger, lieten de eerste druppel vallen in het midden van het hart en volgden het patroon – we konden niet meer los. Ik voelde hoe er flink wat bloed uit mijn vinger werd getrokken en dit putte me flink uit. Ik was helemaal bij mezelf, had geen idee waar de anderen mee bezig waren. Vaag wist ik dat ze vlakbij moesten zijn, maar ik zag of voelde hun aanwezigheid niet. Toen mijn vinger weer terug was bij het begin van het patroon merkte ik het gefluister in mijn hoofd pas goed op. Dat opdringende alom aanwezige gek makende gefluister, het ging door en door en door. En het ging over niets.
De rode brandweerwagen arriveerde bij de brand en bij maanlicht was er een gele trein een passgier heeft een sinaasappel aan de zee. Er steekt een storm op en er rijden mensen op een paard door het woud. In de vissenkom zwemt een goudvis.
Het deed me denken aan de dictees die ik in mijn jeugd kreeg van miss Watson. Het was één grote stroom aan onzin dat helemaal geen verband hield met elkaar. Inmiddels merkte ik vaag weer de aanwezigheid van de anderen op, Rhexenor was aan het proberen de halve zinnen aan te vullen, Ronardo kletste mee met de onzin. Ik gooide er een vraag in, iets dat heel moeilijk was omdat ik het gevoel had dat ik door iemand heen aan het praten ging. Dit alles speelde zich op geestelijk niveau af.
“Wij Amberieten worden geïnfiltreerd door een mogelijke vijand of bekende van U, kunt U vertellen hoe we deze kunnen vinden?”
Een Amberiet kan wel degelijk dood, dat is al een aantal keer bewezen. De heuvel naar de poort was vol met water, als je duikt, dat je ze niet tegen komt. Op het bord staat soms het antwoord zonlicht en dan ben je kwetsbaar door de vochtigheid vanwege de archeologie.
Hm, de onzin leek wat minder, maar in feite kon ik hier nog niets mee. En de doffe hoofdpijn die ik al eerder voelde, werd sterker.
“Waar kunnen we onze vijand vinden,” vroeg ik toen en probeerde deze gedachte zo sterk mogelijk dwars door alle onzin heen te sturen.
Er is een bepaald ras, bepaalde types. Allebei mensen. Als je niet ontdekt wil worden, verstop je jezelf. Daar zijn technieken voor. In de juiste manual kun je vinden welke webpage het is. Er zijn diverse breipatronen en het is op te zoeken hoe deze twee verschillende soorten met elkaar hebben kunnen leven. Het ene continent is losgeslagen en een andere tak ingeslagen. Nu drijft alles weer in een losse zee en de stuurman aapt de man op de kant na. Daar ziet hij een auto…
“Denk allemaal dezelfde vraag!” Deze dwingende gedachte kwam van Eric. Mijn vader had me ooit eens verteld dat Eric geestelijk heel sterk was, nu maakte ik hier zelf wat van mee.
“Hoe zijn de Dwalers te vinden?” Ik merkte dat deze vraag inderdaad versterkt werd doordat er steun kwam van de anderen.
Heel lang geleden waren er wezens van één ras die toen al ontzettend oud waren. Er waren er die er in geslaagd waren te overleven. Hun realiteit ging ten onder, er kwam een einde aan. Dat accepteerden ze niet. Heel veel dingen hebben een cyclus die gaat van het begin tot het eind. Het heelal kan beginnen en eindigen met een Big Bang. Het ontstond met een Big Bang, of was dat het einde? Deze wezens waren er in geslaagd het einde te overleven en waren toen al erg oud. Dat was tegen de Orde der Dingen, dat hoort niet, jezelf een extra leven geven.
Toen de nieuwe wezens daarachter kwamen, waren ze daar niet zo blij mee. Ze konden ze niet terug sturen naar waar ze vandaan kwamen, dat was een realiteit die geweest was. Er kwam een oorlog. Vanwege hun aard was er conflict tussen hen, ze waren het niet met elkaar eens. Sommigen hadden ruzie met zichzelf. Ze waren zo groot, zo complex en vreemd en natuurlijk gek geworden, ze hoorden er niet. Waarom moeten wij ten onder gaan, wijken voor anderen? Als we ten onder gaan, waarom dan niet alles. Misschien is het leuk om opnieuw te beginnen.
Ze waren erg machtig, ze kenden alle geheimen van het vorige heelal, maar hadden er niet veel aan. Onder de nieuwe wezens waren ook een aantal hele machtige. Eén van de oudere wezens was bereid zijn maatjes te verraden. In meerdere of mindere mate. De ene helft was daartoe bereid, de andere kon het niet schelen. Hij was toch gek. Ooit was hij een andere weg in geslagen, voor het einde der tijden al. En dat was moeilijk te begrijpen voor wezens die in het Hier en Nu waren. Misschien was het wat anders…
De hoofdpijn begon steeds heftiger te worden…
Een deel van dat wezen kon zijn gedachten koppelen aan de nieuwe wezens die machtig waren en informatie geven om zijn soortgenoten te verbannen. Ze konden buiten de nieuwe realiteit worden geplaatst. Vandaar zochten ze naar mogelijkheden, op de rand. Daar woonden wezens die niet het niet verdiend hadden te ontstaan. Alles en iedereen vermoordden omdat niemand ze mocht aankijken. Ze hebben er lang over gedaan om macht te krijgen, ze wisten de zwakke plek al, ze herkenden dat ze verwant waren. Soms ontstaat er eenzelfde soort leven, ook al ziet het er anders uit. Ze kunnen alleen maar afbreken. Andere wezens hebben zich er buiten gehouden. Ze waren wel machtiger, dat hadden ze over van daarvoor. Ze hebben vele cycli overleefd en zich anders gedragen. Ze hebben zich afgezonderd onder water. Die hebben wel de macht, maar hielden zich er buiten. Ze hebben wel de macht over wat er gebeurt.
De wezens die zijn overgenomen zijn op zoek naar een nieuwe macht, hebben geprobeerd zich dat eigen te maken. Ergens over de realiteit blijkt er een soort machtscentrum te zijn en daarover proberen ze macht te krijgen langs de rand. Als je niet gezien wil worden, dan hou je dat zo, je verzamelt kleine beetjes tot je genoeg hebt tot een hele. Dan heb je meer realiteit. Dan hoor je er meer thuis. Misschien wil je dan ook wel dingen. Bijvoorbeeld contact maken en meedoen, net of je één van hun bent. Als je denkt dat je één van hun bent en je raakt er in verstrikt, daarachter staan zij en die wachten. Ze hebben veel geduld. Misschien om de cyclus definitief te doen beëindigen. Zij onder water staan er toch buiten, het kan ze niets schelen. Zij zijn de sleutel om dit te voorkomen. Ze zullen niet willen. Iemand heeft er ooit contact mee gemaakt, hulp gevraagd om de ander te verbannen.
“Wie heeft er contact gemaakt?” vroeg ik.
Eén van de eersten is er in geslaagd de wezens te vinden onder water. Er is een plaats waar je contact met ze op kan nemen. Het is een oude plaats, zo oud. Het oorspronkelijke plan is alles over te nemen. Of dat er iemand orde op zaken stelt ergens.
De verrader is altijd bereid te helpen.
“Waar zit het centrum van Macht?”
Dat weet je allemaal al. Overschaduw is ook zo’n naam. Je kunt degene opzoeken die achter alles zit. Op dit moment zijn er een aantal zaken die spelen. Je moet weten wie het is, maar je weet niet beter, het is één van ons. Het is zaak dat hen die niet gezien willen worden, moeten worden uitgeroeid, dat ze straf krijgen. Ze moeten gezien worden en uitgeroeid, dan is het contact verstoord. En dan moeten ze iets verder verbannen nog. Anders blijven ze aan de gang. Je weet waar ze wonen, daar komen ze niet graag vandaan, daar leeft ook niets. Een paar van de eersten hebben samen gewerkt, er was er maar eentje die contact had. Namen zijn soms tot hulp. Goed dan. Old Ones. De Elder zijn niet de Old Ones of Deep Ones. Van de Elder is er maar één over en die heeft ze verraden. De Old Ones zijn verbannen.
“Waar is de oeroude plaats waarmee we contact kunnen leggen?” probeerde ik aan de weet te komen.
Er is een ritueel waarmee de Old Ones geroepen kunnen worden, daarmee komt er een stukje van hen naar een bepaalde wereld toe. Of die doet iets. Er waren Shadow Demons en toen waren ze slaaf. De Deep Ones kennen het ritueel veel beter.
Er is het Patroon en er is de Logrus. Je loopt het en je bent het. Je moet het voorkomen, maar er zijn overal afspiegelingen van. Als je er genoeg loopt, kun je Patroon of Logrus lopen. En als je die loopt kun je ook het origineel lopen en dan heb je het.
Iemand ontdekte dat als je dat verwoest, je iets nieuws kunt beginnen. Op die manier is een Schaduw zo te vormen om de Deep Ones te verbannen. Het kan ook zijn dat die persoon de verkeerde was, wezens die oud zijn, zijn ook gek. Hij had al eens gesproken met de verrader. Misschien was hij van plan alles over te nemen.
Inmiddels was de hoofdpijn ondraaglijk geworden. Ik kon de vragen niet meer goed formuleren, eigenlijk niet eens meer goed bedacht krijgen. Ik merkte dat de anderen met hetzelfde probleem kampten.
“We moeten hier weg!” liet ik ze weten. Ik merkte dat ze het volledig met me eens waren. Misschien hielp het heftige trillen van de grond onder ons daar ook wel aan mee.
De Verrader is de Fluisteraar van Onmogelijke geheimen….
Het gefluister in mijn hoofd was opgehouden. De hoofdpijn was verschrikkelijk, ik voelde dat ik heftig aan het trillen was en dat was niet alleen dankzij de aardbeving die bezig was. We moesten daar weg, maar hoe? We zaten vast.
“Het ritueel is niet af!” Dat was Eric. Dat kon zijn, maar hoe was het dan af te sluiten? Denken aan de vier stukken van de munt, die de weg naar huis zou focussen lukte gewoon niet.
De Onmogelijke Geheimen. Het kwam in me op, maar ik had geen idee wat er mee te doen. Rhexenor wel, praktisch als altijd had hij blijkbaar een vraag gesteld, ik merkte dat hij los was. Eric was de volgende: “Oh. Goed dan,” hoorde ik hem denken. Ronardo en William waren daarna los.
Ik vroeg me af of ik de vraag wel moest stellen die ik stelde.
“Wie is mijn vader?” Tegelijkertijd met dat het antwoord kwam raakte ik los.
“Denk aan het midden van het Patroon in Amber,” schreeuwde Eric. Dat deed ik. De vier stukken munt raakten elkaar, Eric trok ons mee en heel veel tijd later viel ik met de anderen temidden van het Patroon. Toen werd alles zwart….
Ik herinner me dromen, angstige rare dromen. Net of niet ik het was die het droomde, maar iemand anders. Ik kan me niets meer van de inhoud herinneren, ik wil dat ook niet. Dark End is iets dat zo snel mogelijk vergeten zou moeten worden. Maar dat kan niet, dat zal nooit gebeuren. Het zit in me, het is een deel van me. Het zal ooit een plaats krijgen en zullen de scherpe kantjes van die verschrikking slijten. Ik heb er iets aan overgehouden, Dark End zal een eeuwig litteken in mijn geest blijven.
Eindelijk werd ik wakker. Echt wakker bedoel ik. Ik lag in een donkere kamer, vastgebonden in een bed, mijn armen en benen aan de beddenpost. Ik kon naast het bed, een luxe hemelbed, een tafeltje onderscheiden met daarop spullen als injectienaalden, buisjes en dergelijke. Ik deed mijn ogen weer dicht en wenste heel even dat ik dood was gebleven. Al wist ik van tevoren dat ik knettergek zou terugkeren, de nuchtere realiteit was schokkend en beschamend voor me.
Ik hoorde voetstappen die dichterbij kwamen, een sleutel in het slot omdraaien en de deur ging open. Ondanks mezelf deed ik mijn ogen toch maar weer open. Er kwam een man binnen met een donkere mantel aan. Ik meende Eric te herkennen. Maar dat kon toch niet?
Hij schoof de donkere gordijnen helemaal open en een fel licht kwam de kamer in. Zo fel dat ik mijn ogen weer dicht moest doen. Voorzichtig deed ik ze weer open. Het was Eric. Hij zag erg bleek en had wallen onder zijn ogen. Hij controleerde wat meetinstrumenten die ik nog niet had opgemerkt en hij knikte tevreden. Daarna keek hij naar mij.
“Goedemorgen,” zei hij. “Ik zie dat je genoeg bent opgeknapt. Dat heeft wel een poos geduurd.” Ik had moeite om mijn stem weer onder controle te krijgen, dus zei niet echt iets terug, mompelde alleen iets. Hij begon me los te maken. Blijkbaar was ik niet gevaarlijk meer. Ik vroeg me af, ook met de afgesloten deur in gedachten, of ik gevaarlijk was geweest voor mezelf of voor de omgeving. Ik besloot ter plekke dat ik het niet wilde weten. Gek zijn is mogelijk nog erger dan incontinent zijn.
Hij hielp me overeind te gaan zitten en ik voelde een enorme duizeling op komen zetten.
“Duizelig?” vroeg hij.
“Verschrikkelijk zelfs,” zei ik met schorre stem.
“Doe heel rustig aan. Die duizeligheid hoort erbij, dat zal minder worden. Ik hoop niet dat er permanente schade is, maar je weet maar nooit.” Hij wees me op een kast. “Daar kun je kleren vinden,” zei hij. “Knap jezelf wat op en kleed je aan, straks komt er iemand om je naar de eetzaal te brengen.”
“Hoe…” begon ik, maar hij onderbrak me.
“Ik weet dat je vragen hebt, maar wacht daar nog even mee.” Hij gaf me een soort bemoedigend klopje op de schouder en liep de kamer uit.
Ik zat op de rand van het bed en wachtte tot de duizeligheid zou zakken. Ik kon me niet herinneren ooit zo draaierig geweest te zijn. Ik had eigenlijk niet verwacht dat het verblijf in Dark End ook lichamelijke effecten kon hebben. Heel even kwam het in me op dat het mogelijk een andere oorzaak had, maar die gedachte redeneerde ik weer weg. Tijdens mijn zwangerschap van Owen was ik geen seconde duizelig geweest. Bovendien was de kans op alweer zwanger zijn minimaal. Dus het zweverige gevoel moest een andere oorzaak hebben.
Inderdaad voelde ik me na een tiental minuten ietsje beter. Ik keek de grote kamer rond. Het leek het meest op een kasteelkamer. Alles was vrij luxe ingericht, de stijl van meubelen deden me een beetje denken aan die van mijn ouders. Er was een grote linnenkast en behalve de deur waardoor Eric net de kamer verliet, was er nog een andere deur.
Ik stond op, hield me vast aan de rand van het bed. Langzaamaan, voetje voor voetje, zwabberde ik richting de betreffende deur. Ik had het gevoel dat ik maanden daar op bed had gelegen, een beetje alsof ik opnieuw moest leren lopen. Gelukkig ging het leerproces deze keer vele malen sneller dan jaren geleden na het ongeluk met mijn paard.
Zoals ik al dacht, leidde de deur naar een luxueus ingerichte badkamer. Een beetje de stijl die mijn moeder ook mooi zou vinden, naar mijn smaak wat te weelderig. Alles wat een vrouw nodig heeft was er echter aanwezig, een bad, een wc en een wastafel. Ik liet het bad vollopen, koos een badschuim uit met rozengeur en liet me even later in het bad zakken. Dat was heerlijk ontspannend. Met wat ironie bedacht ik dat, als ik werkelijk maanden op bed gelegen had, ik voldoende uitgerust zou moeten zijn, maar zo voelde ik me allerminst.
Ik waste ook mijn haar zorgvuldig en had het gevoel alsof ik met dit ritueel alle stof van Dark End van me afwaste. Lichamelijk dan. Ik hulde mezelf in een enorme badhanddoek en liep naar de linnenkast die vol hing met allerlei stijlen dameskleding. Na wat zoeken koos ik voor gemakkelijk zittende kleding, een wijde lichtblauwe broek en een witte bloes. Uit de rij schoenen koos ik een soort muiltje met platte zool – ik ben niet zo goed in lopen op hooggehakte schoentjes. De kleren die ik aanhad in Dark End zag ik niet en ook mijn troevendeck was weg. Wel zag ik in een hoek van de kast mijn rugtas met mijn spullen en daarnaast het korte zwaard. Ik zocht verder. Uiteindelijk vond ik het amulet gewoon naast het bed, op het nachtkastje. Ik hing het om en voelde me toen pas helemaal gekleed.
Op dat moment hoorde ik een klop op de deur en kwam er een dienstmeisje de kamer binnen.
“Goedemorgen Prinses, ik ben blij dat U weer opgeknapt bent. Ik zal U naar de eetzaal brengen.” Ze ging me voor van de trappen af en bracht me naar een grote eetzaal met een enorme tafel in het midden. De tafel was rijkelijk gevuld met broodjes en beleg, er waren vruchtensappen en er was thee. Ik zag Ronardo en William en we begroetten elkaar. Zij bleken al een paar dagen eerder wakker geworden te zijn.
“Het is de bedoeling dat we ons hier vermaken tot ook Rhexenor bijgekomen is. Dan zal Eric onze vragen beantwoorden,” legde Ronardo uit. Hm, dat was nog niet zo gek. Ik voelde me zo gammel dat ik die extra tijd wel kon gebruiken.
Halverwege de maaltijd kwam Eric ons gezelschap houden. Hij wees me op een pot met jam.
“Smeer dat op je broodje, dat is ijzerhoudende jam. Dat helpt tegen de duizeligheid.” Ik had al zeker een half broodje op, met kaas, en eigenlijk geen trek meer. Maar gehoorzaam smeerde ik wat jam op de kaas, de anderen keken er met afgrijzen naar. Met lange tanden at ik ook de andere helft van het broodje op. De vruchtensappen waren lekker en de thee was gewoon goed.
In de dagen die volgden, verdween de duizeligheid stukje bij beetje. Als ik mezelf bekeek in de spiegel zag ik een bleek gezicht, ingevallen wangen en wallen onder mijn ogen. Ik zag eruit of ik vreselijk ziek was geweest, de enige troost was dat mijn neven en oom er niet veel beter uitzagen.
Ik vermaakte mezelf door boeken te lezen, Eric beschikte over een goede bibliotheek en af en toe, als ik me daar goed genoeg voor voelde, mijn dagboek bij te werken.
Verder sliep ik veel, althans, dat probeerde ik. Als de beelden en geluiden van Dark End me niet wakker hielden, was het wel het antwoord dat ik had gekregen van de Fluisteraar. Het leek erop dat er iets of iemand een misplaatste grap had uitgehaald of een vuil spelletje aan het spelen was geweest. Ik vroeg me af wat er met me mis was, met mijn bestaan. Kon er achter zoiets schofterigs echt een dieper plan zitten? Wat was er in vredesnaam met mijn moeder, dat er zoiets kon gebeuren?
De gesprekken met mijn neven en oom waren in die dagen minimaal en vooral nietszeggend. Ik denk dat niemand van ons zich echt goed voelde.
Na een week ofzo kwam Rhexenor de eetkamer binnen rennen. Ik denk dat hij er het beste uitzag van ons allemaal, hij was in ieder geval opgewekt als altijd. Zoals gewoonlijk had hij zich meteen de schaal met broodjes toegeëigend voordat wij op onze stoel zaten. Eric kwam, als vaker, wat later binnen en zag vol verbazing aan hoe Rhexenor het hele ontbijt al naar binnen had gewerkt voordat wij ook maar een hap hadden kunnen eten.
“Oh. Daar had ik even geen rekening mee gehouden,” zei hij en bestelde een extra ontbijt. Toen dat werd gebracht zag hij er op toe dat wij en hij eerst kregen en daarna had Rhex weer vrij spel.
Tegen het einde van de maaltijd, stelde hij voor om wat te praten.
“Wat is er gebeurd nadat we in het midden van het Patroon vielen?” vroeg Ronardo.
“Daarvoor zal ik jullie eerst vertellen wat mijn vraag was in Dark End. Ik heb getwijfeld of ik de vraag zou stellen, maar ik wilde weten of er een mogelijkheid was. Ik heb gevraagd hoe ik weer levend kon worden. Uit het antwoord dat ik kreeg, bleek dat de enige plaats waar dat zou kunnen vanuit het midden van het Patroon was. En ik had bloed nodig van familieleden. Vandaar dat jullie je zo duizelig voelen. Er was echter veel tijd nodig voor jullie geestelijk herstelproces, jullie hebben lang in bed door moeten brengen.
Het enige dat ik nog mis is bloed van mijn bloed. Maar ik heb een zoon.”
“Oh,” herinnerde ik me weer. “In Rebma toch?” Hij keek me aan.
“Hm, dus hij woont in Rebma? Hoe dan ook, ik weet niet of mijn zoon bereid is om bloed af te staan, als jullie hem dat willen vragen? Ik heb het nodig. Daarmee kan ik het Oerpatroon lopen en dan ben ik weer terug.”
“Is het geen probleem dat je nu Chaosbloed hebt?” vroeg Rhexenor. Eric glimlachte scheef.
“Och, we zijn toch allemaal een beetje Chaos.” Hij zag er echter uit alsof hij hier niet blij mee was.
“Jullie kunnen nog een aantal dagen blijven,” stelde hij voor, “om geheel op te knappen.”
“Ik wil wel met je zoon praten,” bood Ronardo aan. “Ik ga met Moyra van Rebma, dus ik heb er al contacten.”
“Dank je. Ik weet niet hoe mijn zoon daar genoemd is. Zijn oorspronkelijke naam is Friso.”
“Dus je hebt je zoon afgestaan en laten adopteren zonder te weten waar hij zou worden ondergebracht?” vroeg ik. Dit wat hij vertelde deed me heel erg denken aan de optie waar Caine toen mee kwam voor Owen. Erics blauwe ogen vestigden zich op mij en hij keek me even vorsend aan voordat hij antwoord gaf.
“In die tijd had ik een broer die erg gevaarlijk was. Corwin. Het was toen allesbehalve veilig, een erg onzekere tijd.” Ik knikte, mijn vader had me ook wel eens iets verteld over die tijd.
“Waar zijn we eigenlijk?”
“Dit is kasteel Avalon en dat is gebouwd in de wolken. Een soort magisch kasteel. Het is van mij en jullie zijn hier te gast. Je kunt zo lang blijven als je wilt.”
“Indrukwekkend,” vond ik. Eric lijkt wel wat op Corwin, maar nauwelijks op Deirdre. Eigenlijk deed hij me denken aan Oberon – behalve de kleur van de ogen. In feite heeft Eric iets koninklijks in zijn houding. Hij was maar kort koning geweest wist ik, mijn vader had gezegd dat Erics koningschap slechts iets van vijf jaar had geduurd, maar hij was in zijn voorkomen vele malen koninklijker dan Random en ook Deirdre. Ik vroeg me af hoe de rest van de familie zou gaan reageren wanneer hij terug zou keren.
“Als ik het dus goed begrijp,” zei Eric, “zijn er nogal wat Amberieten opgedoken de laatste tijd?”
“Ja, dat zijn er wel een paar.”
“Hm,” hij keek Rhexenor aan. “Hoe reageren mijn broers en zussen eigenlijk op het feit dat jij een zoon bent van Deirdre en een Chaosiet?” Rhexenor keek hem met een grijns aan.
“Oh, wel goed denk ik. Ze kijken mij er niet op aan.”
“Dat zal wel niet. Toch zullen ze het erg vinden dat ze dit tijdens de oorlog heeft gedaan.”
“Daar had ik niet veel mee te maken.”
“Natuurlijk niet. En dan die macht die je hebt, hoe kom je daaraan? Zeer ongebruikelijk voor zowel een Amberiet als een Chaosiet.” Rhexenor vertelde hem over het opvissen van de Feniks en hoe hij aan diens Macht was gekomen. Eric luisterde belangstellend, knikte en ging verder met zijn verhoor.
“Waar ben je opgegroeid?”
“Op een Griekse aarde.”
“Oh, dan heeft ze je toch normaal laten opgroeien. Heb je ook nog iets geleerd over magie en troef?”
“Eh… niet zoveel.”
“Over Patroon?”
“Ook niet echt.”
“Nou ja, je zult Patroon overleven doordat je toch een Amberiet bent. Maar je bent ook Chaosiet, ben je wel stabiel?”
“Oh ja hoor.” Ik begon bijna medelijden te krijgen met Rhexenor, hij kon zijn afkomst niet helpen. Maar van dat stabiel zijn vroeg ik me ook wel eens af, sinds ik hem kende was hij behoorlijk veranderd.
“Zeg,” vroeg ik, “vanaf welke leeftijd begon je eigenlijk je mensvorm een beetje onder controle te krijgen?” Hij keek me verbaasd aan en wist blijkbaar niet wat te antwoorden. Jammer, ik had gehoopt om eens wat duidelijkheid hierover te krijgen. Mijn zoon was geboren in zijn mensvorm, hoewel ik eerder eens had gehoord dat alle Chaosieten ter wereld kwamen als demoontjes. Maar aangezien ik een Amberiet ben, kon hij dat van mij hebben meegekregen. Wellicht was Rhexenor ook als gewone baby geboren.
Maar ook in de maanden na zijn geboorte had Owen nooit een verandering laten zien en ik wist dat Rhex zeer regelmatig van vorm veranderde als baby, terwijl diens moeder toch ook een Amberiet is.
Mogelijk had het te maken met Patroon. Dat zorgt ervoor dat we er voortdurend als mens uitzien. Kon het zijn dat ik mijn zoon daarvan zoveel had mee gegeven dat hij er geen moeite mee had dat vast te houden? Kon dat eigenlijk wel?
“Amberieten zijn maar één familie die tegen al die Chaosieten,” zei Eric streng. Ik begon me wat ongemakkelijk te voelen, maar wat kon ik zeggen?
“Er is een wapenstilstand,” zei ik toch, “en ze zijn al jaren bezig met onderhandelingen om tot een betere samenwerking te komen.” Eric fronste zijn wenkbrauwen.
“Ik ben er niet van overtuigd dat het goed is om met Chaos samen te werken.”
“Ik vind het een slechte zaak. Rhexenor valt wel mee, maar al die anderen…” deed William ook een duit in het zakje.
“Jurt is ook wel aardig,” zei Ronardo. “Waarschijnlijk een zoon van Corwin en Dara. Hij heeft altijd ongelukken.”
“Dat is interessant,” vond Eric. Hij stond op en pakte uit één van de kasten een rol papier en wat schrijfspullen. Hij ging daarmee weer aan tafel zitten en keek ons ernstig aan.
“Ik ben een paar jaar kwijt,” zei hij, “kunnen jullie me zoveel mogelijk invullen? We beginnen bij Oberon.” Hij schreef ‘Oberon’ op het papier en daarachter dat deze was verdwenen na het repareren van het Patroon, weg was, maar waarschijnlijk niet dood. Bij Dworkin schreef hij dat deze het Oerpatroon bewaakte en niet meer helemaal gek was. Zo ging hij ieder familielid af. Hij voegde dus Dalt en Coral toe als zijnde zijn broer en zus, Merlijn kende hij nog niet, net zo min als Rinaldo, Heather, Sean en Boromir. Ook Xeena niet en van Martin wist hij alleen dat deze neergestoken op het Patroon was gevonden, niet wie erachter zat.
Ook een lijst van Chaosieten werd er aangelegd. Het feit dat daar nogal veel doden waren, vond hij verheugend.
Daarna begon hij met een lijst van ‘gewone’ mensen, heel veel namen die we niet kenden. Personeel in Paleis Amber, bepaalde wachters en dergelijke. Ik kon me niet herinneren dat er ooit een Amberiet was geweest die zich daarvoor interesseerde. Misschien Rhexenor een beetje vanwege zijn huwelijk met het keukenmeisje. Eric complimenteerde Rhexenor met het feit dat deze openlijk getrouwd was met één van de dochters van de kapitein van de wacht. Daarna legde hij alles aan de kant en ging wat achterover zitten.
“Ik moet me verontschuldigen dat ik jullie bloed heb gebruikt zonder het te vragen.”
“Ik denk niet dat je keus had,” zei ik.
“Het enige wat ik voor jullie kon doen is jullie hier naartoe brengen. De tijd in Amber staat ten opzichte van hier praktisch stil, zodat er niet nog meer tijd voorbij is gegaan.” Goed, we begonnen op het punt te komen waar ik bang voor was geweest – over hoeveel tijd spraken we hier?
“Dark End en het reizen heeft heel veel tijd gekost. In Ambertijd ongeveer een half jaar.” Ik weet niet precies wat ik voelde. Al die tijd had ik al het gevoel gehad dat Dark End veel tijd kostte, maar ik had er bewust niet te hard over nagedacht. Nu wist ik het dus. Een half jaar in Amber – dat betekende dat Owen al ruim drie jaar was.
“Hoe gaat de tijd ten opzichte van Antioch?” vroeg Rhexenor.
“Ongeveer hetzelfde als Amber,” antwoordde ik werktuigelijk. Hij keek opgelucht.
“Oh, dan valt het mee. Dyenne was net zwanger toen ik weg ging,” vertelde hij trots. Hij werd door iedereen gefeliciteerd. Ik vond het erg leuk voor ze.
“Weet je zeker dat ze net zwanger was?” vroeg ik toch maar, “of wist ze het nog maar net?” Hij keek me verward aan. Niet alleen hij, maar ook mijn twee andere neven. Alleen bij Eric zag ik een zweem van een geamuseerde glimlach rond zijn mond spelen.
“Nou ja, ze had nog geen dikke buik,” zei Rhex. Ik ergerde me enorm aan dat gebrek van kennis waar veel mannen aan lijden en besloot het hem uit te leggen. Niet alleen aan hem trouwens, ook Ronardo en William waren volkomen naïef op dit gebied.
“Een vrouw heeft niet de hele zwangerschap een dikke buik,” legde ik rustig uit. “De eerste helft van de zwangerschap is er zelfs niets of maar weinig van te zien.” Mijn neven keken me alle drie met ongeloof aan.
“Hoe weet jij dat eigenlijk?” vroeg Rhexenor ineens slim. Ik voelde dat ik kleurde. Natuurlijk gedeeltelijk door eigen ervaring, maar niet helemaal. Het was ook een stuk kennis.
“Dat is iets wat je gewoon geleerd zou moeten hebben tijdens biologielessen over de menselijke voortplanting.” Mijn neven zaten me inmiddels alle drie doordringend aan te kijken. Eric redde de situatie een beetje.
“Ik denk dat jij het beste naar huis kan gaan,” zei hij tegen Rhexenor, “en daar gaat kijken hoe ver één en ander is.”
“Eh, ja…” zei deze een beetje beduusd.
“Jullie kunnen hier blijven of gaan waarheen je wilt. Als je hulp nodig hebt om ergens te komen, kan ik je helpen.”
“Ik wil in ieder geval met je zoon praten,” zei Ronardo.
“Dank je. Het zou fijn zijn om te weten of hij het wel of niet wil. Ik weet niet hoe hij tegenover mij staat, maar ik wil zijn bloed hebben, met of zonder zijn toestemming. Liever met natuurlijk. Praat met hem onder vier ogen en troef me daarna, wat de uitkomst van het gesprek ook is. Als hij geen toestemming geeft, zal ik hem moeten ontvoeren. Oh ja, ik wil dat jullie voorlopig niets zeggen tegen wie dan ook.”
“Dat kan ik wel beloven,” zei ik. “Waar zijn mijn troeven eigenlijk?” Hij wees naar de secretaire in de kamer.
“Daar liggen ze, je kunt ze pakken wanneer je wilt. Ik heb mijn troef in ieder van jullie deck betoverd zodat deze alleen voor jullie werkt. Jullie kunnen me altijd troeven.”
“Mag ik mijn moeder ook niets vertellen?” vroeg Ronardo. Eric dacht even na.
“Liever niet. Hou allemaal je mond tegen je ouder. Ik wil voorlopig achter de schermen blijven, in ieder geval tot ik het Oerpatroon heb kunnen lopen. Jouw guardian…” dit was tegen William, “… zal het ongetwijfeld weten als ze dat juweel heeft. Maar toch… niets vertellen.”
Rhexenor zorgde ervoor dat ook alle restjes op de ontbijttafel op waren en pakte een steen uit zijn zak. Even later was hij weg.
Ik had ook niet veel geduld meer om te blijven. Het mocht dan zijn dat er niet echt veel tijd voorbij ging in Avalon, maar naar mijn gevoel was er al te veel tijd voorbij. Ik ging mijn spullen pakken op mijn kamer, in de eetkamer pakte ik mijn troevendeck. Toen liep ik naar Eric.
“Hartelijk bedankt voor de goede zorgen,” zei ik. Hij keek lichtelijk verbaasd.
“Zou je me kunnen helpen om naar de stallen in Amber te komen?”
“Natuurlijk,” zei hij en gaf me een troef die heel erg stabiel aanvoelde. Ik bedankte hem en concentreerde me op de troef, waarop de stallen van paleis Amber stonden afgebeeld. Dit beeld werd steeds duidelijker totdat het echt was en ik stapte door de troef heen.
Zonder veel plichtplegingen haalde ik Boudicca uit haar box. Ze was blij me te zien, ik om haar te zien. Ze zag er goed uit, prima verzorgd. Uiteraard bedankte ik de paardenverzorgers voor hun goede zorgen, blijkbaar was het beter gegaan dat de vorige keer. Toen ik buiten kwam met Boudicca kwam er een jongeman aanrennen.
“Blij U weer te zien, prinses!” zei hij. “Ik ben Arjan en ik heb de eer gehad om Uw paard te verzorgen en te trainen.”
“Dank je,” zei ik. “Je hebt goed werk verricht, ze is in uitstekende conditie.” Hij grijnsde breed.
“Het is een mooi beest, maar een stuk onwilliger dan de gewone Amber paarden,” zei hij. “In het begin wilde ze niet, er was niemand die in haar buurt mocht komen. Maar het was toch belangrijk dat er met haar gereden werd, dus ik heb doorgezet. Ach, ik heb niet zo heel lang in het ziekenhuis gelegen en dat had ik er wel voor over.”
Ik slikte even. Boudicca was inderdaad geen gemakkelijke en dat hoorde wat mij betreft ook zo. Ik had haar in feite in Amber achter gelaten omdat daar veel meer ervaren verzorgers zijn dan op mijn eigen wereld. Maar ik vond het toch een beetje vervelend dat ze letsel had toegebracht aan iemand.
“Het spijt me dat te horen,” zei ik. “Ik waardeer het echt enorm dat je toch hebt doorgezet.” Hij straalde.
“Het was leuk om te doen. Ja, met Sammi is het allemaal minder goed afgelopen, die is nog steeds niet goed.”
“Oh,” zei ik en bedacht dat ik er niet verder op door zou gaan, ik wilde op weg gaan naar huis.
“In ieder geval bedankt,” zei ik nogmaals, “ik moet nu echt gaan.” De jongen maakte een soort buiging ten afscheid. Ik steeg op mijn paard en reed een eindje van de stallen weg, op zoek naar Fillipien. Lang hoefde ik niet te zoeken, ze kwam aanvliegen en landde op mijn schouder. Ze gedroeg zich wat hooghartig, deed of ze me niet gemist had. Ik had haar echter wel gemist en krauwde haar achter haar kopje, wat ze graag toeliet. Ik begreep dat ze zich het afgelopen half jaar goed had vermaakt in de omgeving van Amber en Arden, vriendjes genoeg. Inderdaad zag ik verderop een tweetal valken van Julian rond cirkelen. Dat kon erop duiden dat hij in de buurt was. Ik twijfelde even over wat te doen. Contact met hem zoeken of gewoon op weg gaan? Ik voelde me erg ongemakkelijk als ik terugdacht aan mijn laatste paar gesprekken met hem. Mogelijk voelde hij dat ook zo en vond hij het wel prima dat ik een poosje buiten zicht was en bleef.
Ik gaf Boudicca de sporen en begon aan de reis naar huis. Ik koos ervoor om zoveel mogelijk gewoon door Schaduw te reizen in plaats van een Hellerit of Patroon in mijn hoofd te lopen. Dat is misschien vreemd, ik verlangde ontzettend naar mijn zoon, maar tegelijkertijd zag ik ook wat op tegen de ontmoeting. Van drie maanden – ietsje meer – naar drie jaar is een groot verschil. Hoe waren kinderen van drie jaar eigenlijk? En nog belangrijker: hoe zou Owen zijn als driejarige? Hij zou me niet eens herkennen. Ik probeerde me te herinneren wat ik gelezen had in de boeken. Kinderen van drie konden meestal al goed praten, korte periodes geconcentreerd zelf bezig zijn en hun melkgebit zou volledig zijn. Dus wat had ik gemist? Vrijwel alles. Kruipen, staan, zitten, lopen, eerste woordjes, eerste tandjes. Ik wist niet eens hoe hij er nu uit zou zien. Ik hoopte maar dat de fotoalbums en dagboeken waren bijgehouden, zodat ik nog eens terug kon kijken.
Maar ja, dat was het risico toen we besloten dat hij maar beter snel op kon groeien.
In één van de Schaduwen bezocht ik een grote stad waar een immense speelgoedwinkel was met een aantal verdiepingen vol met speelgoed. Ik dwaalde er uren rond, zonder enig idee te hebben wat ik mee kon nemen voor Owen. Uiteindelijk sprak ik één van de verkoopsters aan.
“Ik zoek iets voor een jongetje van drie.” De verkoopster, die volgens haar naamkaartje Linda heette, glimlachte vriendelijk.
“Keus genoeg. Wat is het voor kind?” De vraag verwonderde me. Waren er meer soorten dan jongens en meisjes dan?
“Een jongen,” zei ik nog maar eens. Linda bleef vriendelijk lachen.
“Wat ik bedoel is of het meer een buitenkind of een binnenkind is bijvoorbeeld. Knutselt hij graag, houdt hij veel van met autootjes spelen, wordt hij graag voorgelezen, is het meer een lichamelijk kind of is het een denkertje?” Ik stond met mijn mond vol tanden. Ik had werkelijk geen idee!
“Ik heb hem al een poosje niet gezien,” zei ik voorzichtig, “dus ik weet het niet zo.” Linda liet niet merken of ze hier verbaasd over was, ze bleef haar verkoopsterglimlach houden.
“Is er niet iets waar bijna alle kinderen van drie jaar van houden?” vroeg ik toen.
“Dat ligt eraan,” zei Linda. “Wat voor soort ouders heeft het kind?”
“Heeft dat er iets mee te maken dan?”
“Zeker wel. Als het sportieve ouders zijn, kunt U denken aan een bal ofzo. Als ze muzikaal zijn, aan een muziekinstrument of een muziekdoos. Als ze…” Ik onderbrak haar, dit begon vervelend te worden.
“Ik zoek gewoon iets algemeens,” zei ik. “En nu ik hier toch ben, ook iets voor een baby.”
“Is dat voor een jongen of een meisje?”
“Nog onbekend,” zei ik. Daar nam ze genoegen mee, ze vroeg in ieder geval niet verder door. Ze verwees me naar de knuffeldieren afdeling, waar ik ook een hele poos heb staan twijfelen. Uiteindelijk koos ik voor een Husky knuffelhond voor Owen en een oranjerood gekleurde pluche draak voor de toekomstige baby van Rhex. Deze knuffeldieren leken van alle soorten nog het meest op hun origineel, al vond ik met name de draak wat liefs hebben – dat leek me leuk voor een baby. En dan hadden ze een soort button in hun oor, dat gaf de beesten wel iets bijzonders.
Het personeel vloog voor me toen ik daarmee aankwam, ik kreeg er een speciale doos bij en papieren die een soort echtheidsgarantie zouden zijn.
“Waar is dat allemaal voor nodig?” vroeg ik, toen ik zelfs het aankoopbewijs moest ondertekenen.
“Voor de speciale clausule in uw verzekering. Als deze ‘Steiff Knopf im Ohr’ dieren ooit worden gestolen, wordt het aankoopbedrag volledig vergoed.” Ik had moeite om niet heel hard te gaan lachen en zette geduldig een krabbel op alle papieren. De credit card werd zonder enig probleem geaccepteerd en naderhand werden mijn aankopen zelfs voor me naar de uitgang gedragen.
Twee knuffeldieren rijker reisde ik verder. Af en toe een maaltijd en een overnachting in een herberg. Na ongeveer een week van reizen kwam ik aan in een nabijgelegen Schaduw.
Vol ontzetting staarde ik naar de combinatie van wervelwinden en orkanen die hun vernietigende spel speelden. Ik kan me niet meer herinneren wat ik toen heb gedacht. Of dat ik nog wel kon denken. Alleen het allesoverheersende gevoel van niets staat me bij, een volkomen leegte. De schaduwstorm weerspiegelde uitstekend mijn gevoelens. Er was wat mij betrof helemaal niets meer.
Vaag voelde ik het getintel in mijn hoofd. Het bleef vrij zwak, vermoedelijk was het Rhex of Julia die probeerde contact te krijgen. Automatisch, zonder denken nam ik het aan. Het was Rhex.
“We hebben een dochter!” Ik deed mijn best om vrolijk terug te doen.
“Gefeliciteerd! Is alles goed met moeder en kind?”
“Prima. Ze heet Cathrynn.”
“Mooie naam.” Dat meende ik. “Ik kom binnenkort even kijken,” beloofde ik toen en verbrak het contact.
Deze afleiding was genoeg om mijn zinnen weer een beetje bij elkaar te krijgen. Ik kon niet geloven dat alles voor niets was geweest. Ik begon met Patroon Schaduwen uit te kammen, op zoek naar een spoor van mijn zoon. Het doorzoeken van Schaduwen is niet zo moeilijk. Tot mijn verrassing stuitte ik al vrij snel op een blokkade. Ik probeerde het nog eens, nu vanuit een andere hoek en alweer die blokkade. Dat betekende dat pogingen om Owen te vinden belemmerd waren, wat weer inhield dat hij in ieder geval nog in leven was. Ik merkte dat ik weer wat gevoel terug begon te krijgen, ik greep me vast aan dat sprankje hoop.
In mijn troevendeck lokaliseerde ik de troef van Mandor. Dat was niet echt moeilijk, deze lag praktisch bovenaan. Wat zou Eric had opgemaakt hebben uit mijn volgorde van troeven? Ik zocht verder, de zijne was waar deze al heel lang was, praktisch onderaan. Hij leek niets veranderd te hebben in de volgorde. Ik verspilde er verder geen gedachten aan, maar concentreerde me op de kaart van Mandor. Geen contact, zijn troef was ook geblokkeerd. Ik vroeg me af wat dit alles te betekenen had. Mijn kind was afgeschermd, mijn geliefde ook. De wereld die speciaal voor Owen was gevonden, aangepast en beschermd, was totaal vernietigd. Daar moest flink wat Macht voor zijn gebruikt, maar met welk doel?
Er waren een paar dingen die ik kon doen. Verder zoeken naar Owen, ik had het idee dat ik hem zou kunnen vinden met wat moeite. Ik vroeg me af wat er gebeurd was met de valk, of deze nog bij hem was.
Of ik kon mijn vader troeven.
Met enige aarzeling haalde ik diens troef tevoorschijn. Donkerbruin lang haar, gladgeschoren, ietwat scherpe neus en kin. Blauwe ogen en een wit harnas. Ik haalde nog eens diep adem en concentreerde me op de troef. Het contact was er snel.
“Morwenna!”
Ik heb nog nooit eerder zoveel emoties weerspiegeld gezien in zijn gezicht. Boosheid, blijdschap, schrik en bezorgdheid wisselden elkaar af.
“Waar ben je eigenlijk mee bezig?! Waarom doe je dat nou! Je was onlangs in Amber bij de stallen en je troeft me niet eens! Ik ben meteen naar je toe gegaan, maar jij was al weg!” Iets in mijn binnenste roerde zich, nooit eerder had hij me ook maar iets verweten over niet-troeven.
“Sorry,” zei ik. “Ik had je moeten troeven.”
“Ik dacht dat je me niet wilde zien.” Hier schrok ik van. Was het echt zo op hem overgekomen? Dat was mijn bedoeling niet. Ik dacht juist dat hij niet zo op me zat te wachten.
“Dat is het niet,” zei ik. “Het was alleen… nou ja, ik was eerst naar huis gegaan. En dat is voor niets geweest.” Het huilen stond me nader dan het lachen en met geweld drong ik deze emoties weg. Wat was dat nou, ik zou me niet klein laten krijgen.
Julian keek me scherp aan.
“Ik kan je doorhalen,” zei hij voorzichtig.
“Graag,” zei ik. Ik zag dat hij naar buiten liep. Ik pakte Boudicca bij de teugel, Fillipien streek neer op mijn schouder en ik stak mijn hand uit. Julian greep deze en haalde ons door. Hij bleef mijn hand vasthouden terwijl hij me van top tot teen bekeek.
“Je ziet er slecht uit,” zei hij bezorgd. “Je bent een half jaar weg geweest en je komt terug als een wrak.” Ik wist niet wat te antwoorden, wat te doen. En zo hadden we verder kunnen gaan op dezelfde afstandelijke manier als eerder, als hij geen besluit had genomen. Met een lichte aarzeling deed hij een stap naar me toe en omarmde me. Ook ik sloeg mijn armen om hem heen. Dit kwam op het goede moment, het was het enige juiste dat hij had kunnen doen. Mijn vader en ik zijn niet goed met woorden, zeker niet als het om gevoelens gaat. Beiden zijn we terughoudend, ook met aanrakingen. Dus een omhelzing als deze wordt niet licht gegeven.
Ik keek om me heen. Hij had me naar een vestingboerderij in de bossen gehaald, zeer sfeervol en vooral erg rustgevend. Julian, deze keer gekleed in een vale spijkerbroek, een wit T-shirt met de tekst 'yankee go home' en donkergroene sokken in sandalen, aaide Boudicca over haar hals en Fillipien werd door hem in de nek gekrauwd. Beide dieren stonden dit zoals gewoonlijk gewoon toe, het was precies hetzelfde gedrag als zijn dieren naar mij toe vertoonden.
Het paard werd naar de stal gebracht en daar verzorgd. Fillipien vloog op en ging op jacht. Julian pakte me bij een arm en nam me mee naar binnen in het woongedeelte.
Ook de inrichting was sfeervol. Ik was nu in meerdere woningen van hem geweest en eigenlijk straalden ze allemaal een bepaalde rust en sfeer uit. Geen overdadige inrichting, weinig luxe, maar absoluut niet Spartaans of minimalistisch. Veel houtwerk en alles in lichte kleuren. Ik was graag in zijn huizen besefte ik ineens. Net als dat ik me op mijn gemak voelde bij hem in de buurt.
“Wil je wat drinken?”
“Als het niet lastig is, dan thee.” Hij glimlachte even en zette een ketel water op. Intussen keek ik wat rond in de woonkeuken, het was er echt gezellig. Iets dat ik ook tegen hem zei. Verder zeiden we niet veel tot en met dat de thee klaar was en ingeschonken. Dat is ook iets wat ik met hem heb: het gevoel dat ik niet hoef te praten, dat ik gewoon kan zwijgen, zonder dat ik me daarover ongemakkelijk moet voelen. Van mijn moeder heb ik geleerd dat er altijd een onderwerp gezocht dient te worden als er stiltes vallen. Maar ik ben niet goed in het vinden van onbenullige onderwerpen en gelukkig weet ik dat mijn vader daar ook niet van gediend is.
“Hoe was het in Dark End?” vroeg hij. We zaten tegenover elkaar aan de lichte houten tafel, met ieder een dampende kop thee. Ik vertrok mijn gezicht even, twijfelde over wat ik wel en nog niet kwijt wilde. Of kon.
“Niet leuk,” zei ik uiteindelijk. “Het was interessant om even met Eric op te trekken, maar de plaats zelf was verschrikkelijk. Ik hoop er nooit meer terug te hoeven. Het was gewoon vreselijk. Ik droom ervan, het zit in mijn hoofd en ik weet zeker dat ik er iets aan over heb gehouden.”
Hij zei niets, knikte alleen maar en keek me rustig aan. We dronken van de thee. Na een aantal minuten vroeg hij: “Heb je er wel een antwoord gehad?”
“Ja. We kunnen wel verder. Ik moet alles nog op een rijtje zetten, maar we weten nu wel wat de volgende stap moet zijn.” Ik vertelde over zij-die-niet-gezien-willen-worden, dat deze het beste volledig uitgeroeid konden worden zodat het contact tussen hen en de opdrachtgevers verstoord was.
“Ik ben op hun wereld geweest,” zei ik. “Volgens die Ctulhu is het het beste als we die wereld uitroeien. Daarna verder.” Ik huiverde even, ondanks dat het niet koud was. Dat ‘verder’ zou vermoedelijk ‘Overschaduw’ betekenen en daar wilde ik eigenlijk helemaal niet heen.
“Het is trouwens niet alleen Amber dat mogelijk geïnfiltreerd wordt,” vervolgde ik. “Maar ook Chaos.” Julian haalde even zijn schouders op.
“Daar heb ik geen probleem mee,” zei hij kortaf. Weer werd er een poos gezwegen, Julian schonk nog een keer thee voor me in.
“Hoe is het hier?” vroeg ik. Hij maakte een soort van grimas.
“Tja, wat kan ik zeggen. De regering van Deirdre begint uit de hand te lopen. Voor elk probleem heeft ze maar één oplossing: ze stuurt er legers op af. Het begon met Begma en Kashfa, er zou een overleg zijn, maar dat is uit de hand gelopen. Amber heeft nu Eregnor bezet, met tevens een afdeling van het leger in zowel Kashfa als Begma. In andere Gouden Cirkel landen is het hetzelfde verhaal. Er is een groeiende onrust. Zelfs Benedict die een oorlog echt niet uit de weg gaat, heeft zijn vraagtekens geplaatst bij deze situaties, hij zegt dat dit helemaal fout aan het lopen is. Intussen hebben we ook nog te maken met het gestook van Dalt. Als dit zo doorgaat, staat Amber straks helemaal alleen in de Gouden Cirkel.”
“Klinkt zorgelijk. Wordt er niet over gedacht om Deirdre een stapje terug te laten doen of zelfs uit het koninklijk ambt te ontzetten?”
“Zeker wel. Er gaan nu stemmen op om te kijken of Corwin wil.”
“Het zal in ieder geval een verandering zijn.”
Hij zuchtte, leunde achterover in zijn stoel.
“Je bent echt lang weg geweest. Een half jaar. Ik heb me zorgen gemaakt, was bang dat je helemaal niet meer terug zou komen.” Ik was geroerd en verbaasd. Was dit nu mijn afstandelijke, emotieloze vader? Goed, naar mij toe was hij zeker veel minder koel dan naar andere familieleden, maar nu gedroeg hij zich echt emotioneel. En ik had die warmte zo ontzettend nodig – het was niet alleen Dark End waardoor ik me zo onevenwichtig voelde, maar alle problemen van de afgelopen tijd kwamen daar bij.
“We zijn maar heel kort in Dark End zelf geweest,” zei ik zacht. “Maar de tijd daar loopt heel anders ten opzichte van hier. De reis er naar toe en er vandaan was lang en natuurlijk is er tijd nodig geweest om eh… geestelijk te herstellen…” Weer was er een poos van stilte. Ik voelde me een beetje schuldig dat ik hem niets over Eric vertelde, maar die belofte had ik nu eenmaal gedaan.
“Hoe is het eigenlijk met Jurt?” vroeg ik na lange tijd.
“Het lijkt erop dat het goed gaat komen met Jurt,” hij lachte kort. “Ik kan niet zeggen dat het gemakkelijk was, we zijn behoorlijk lang met hem bezig geweest. Niet alleen omdat hij moeilijk ‘vast’ te houden is, maar het is ook erg lastig om magie op hem te doen of juist weg te halen – maar dat wist je al. Uiteindelijk zijn we er in geslaagd om een stuk van zijn geheugen te blokkeren, toen hield dat gedoe in ieder geval op. We hebben geen idee hoelang die blokkade blijft, dat weet je bij iemand als Jurt nooit.”
“Ik ben blij te horen dat je hem hebt kunnen helpen. Wie zijn ‘we’ eigenlijk?”
“Ik heb Bleys erbij gehaald. Het was typisch om een keer met hem samen te werken, apart wel.”
Ik voelde me opgelucht. Niet alleen omdat Jurt was geholpen, maar ook omdat er niet nog meer personen bij betrokken waren. Met Bleys had ik geen moeite, ik wist dat hij me mocht.
“Oh ja,” zei ik. “Dat afbranden van mijn ouderlijk huis en dergelijke, was dankzij Brand.”
“Ik heb het gehoord ja. Brand heeft wat probleempjes sinds een half jaar ongeveer, hij kan op geen één plaats lang blijven. Iemand heeft een serie Chaos bloedhonden op hem afgestuurd.”
“Wat vervelend voor hem,” zei ik bezorgd. Brand was knettergek, hij zou toch niet mij hier ook de schuld van gaan geven? Ook al zat ik er min of meer achter. Julian lachte grimmig.
“Ik vind het niet vervelend voor hem, maar zijn verdiende loon,” zei hij beslist.
Ik schonk deze keer nog eens thee in. Goede sterke thee had hij gezet, precies zoals ik het graag dronk. Ik vroeg me af of ik hem zou vertellen over het antwoord dat ik had gehad van de Fluisteraar. Zou hij me meer kunnen vertellen over mijn moeder? Eigenlijk wist ik maar weinig van haar. Ze had me jaren geleden verteld dat ze het landgoed van een tante had geërfd, een zus van haar moeder. Zelf was ze vroeg wees geworden en bij die tante opgegroeid. Dat alles klonk best aannemelijk toen, nu begon ik de beseffen dat het allemaal wat vaag was. En er was meer. Mijn moeder zag er niet echt oud uit bijvoorbeeld. Voor mezelf had ik al verklaard dat dit mogelijk door haar omgang met Amberieten kwam, er kon echter ook een andere verklaring voor zijn. En dan mijn broer, een jaar jonger dan ik. Daar was ook iets mee, hij was anders dan andere jongens van zijn leeftijd en hyperintelligent. Hij was zeker geen Amberiet, maar toch ‘anders’.
En waarom waren al die Amberieten zo ontzettend aangetrokken geweest door mijn moeder? Zeker vier in heel korte tijd. Ik wist niet wat ik ervan moest denken, ik wilde mijn moeder niet weer aan een kruisverhoor gaan onderwerpen. Niet zomaar tenminste.
“Ik ben meteen naar Owen gegaan toen ik weer terug was,” zei ik uiteindelijk. “Dat was tenminste mijn bedoeling. De wereld waarop hij was is vernietigd, er is een schaduwstorm. Mijn pogingen hem te vinden worden geblokkeerd. Ik heb geprobeerd Mandor te troeven, maar troefcontacten naar hem zijn ook geblokkeerd.” Julian knikte.
“Ik weet het,” zei hij.
“Kun je me meer vertellen?”
Hij keek bedachtzaam naar de beker die hij in zijn hand hield en toen naar mij. Hij nam me vorsend op.
“Ik weet wat er aan de hand is, alleen niet of het verstandig is je meer te vertellen,” zei hij rustig. Dit was een antwoord waar ik geen genoegen mee nam en ik vermoedde dat hij dat ook wist.
“Vertel me meer. Ik denk niet dat ik daar nog meer problemen door krijg.” Nu was ik het die hem nauwlettend opnam. Hij dacht een poosje na en leek wat te overwegen voordat hij antwoord gaf.
“Je aanstaande is verantwoordelijk voor die schaduwstorm. Ik heb begrepen dat dit alles een preventieve maatregel is . Vrij kort nadat jij weg was kreeg ik een bericht van hem. Hij moest onderduiken en zou een tijd onbereikbaar zijn, maar ik moest me geen zorgen maken. Ik denk dat het bericht voor jou bedoeld was.”
Dat dacht ik ook. Het zou Julian een rotzorg zijn waar Mandor zat en of hij al dan niet bereikbaar zou zijn. En dat wist Mandor ook, dus hij zou nooit een dergelijk bericht aan Julian zelf hebben gestuurd. Het luchtte echter iets op, een klein beetje maar. Het betekende dat hij Owen en zichzelf in veiligheid had gebracht. Maar dat betekende ook dat er veel meer speelde.
“Hij moet een goede reden hebben gehad voor dit alles,” zei ik.
“Dat had hij.” Door dit antwoord kreeg ik het idee dat mijn vader meer wist, maar niet kwijt wilde. Ik vermoedde dat het was om me te beschermen, niet om me onwetend te houden.
“Er is ook een uitnodiging van Chaos geweest voor jou om daar gechaperonneerd met iemand te komen praten. De uitnodiging is inmiddels verlopen, je was weg, maar ik vermoed dat er binnenkort een nieuwe zal komen. Deirdre heeft nog geen ruzie met Chaos.
Verder heeft Caine een plan, ik begreep dat het af was. Benedict is daar ook in betrokken.”
“Mooi,” zei ik. “Ik neem aan dat we binnenkort te horen zullen krijgen hoe en wat.” Ik vertelde hem niet dat ik al een stukje wist van het plan, ik was gewoon benieuwd om het geheel te horen van Caine. Ook wist ik nu dat ik steun had in deze zaak van mijn vader, ook al was het duidelijk dat hij Mandor niet mocht, hij noemde hem niet één keer bij naam. Mijn vader is heel eerlijk, hij zal niet net doen of hij iemand mag als dat niet zo is. Tevens was het helder dat hij de acties van Mandor wel terecht vond omtrent Owen en de schaduwstorm.
“Verder zijn er aan de rand van Arden nogal wat incidenten momenteel met een nieuwe generatie van Chaosieten die zich komt bewijzen. Hoogst irritant. En de oude Sawall ligt nu al een hele poos op sterven.”
“Ha, de oude Sawall zeg je?” zei ik grimmig. “Ik kan je vertellen dat hij niet dood zal gaan, niet echt in ieder geval. Gramble Sawall is niet oud of seniel of wat dan ook.”
“Oh, zit het zo. Dat verklaart heel veel.”
“Wat dan?”
“Dat vertel ik je nog wel. Als je wilt, kun je hier een poos blijven.” Ik keek om me heen, hier zou ik graag een poosje blijven.
“Dank je, heel graag. Ik heb toch geen huis meer,” zei ik met wat cynisme. Hij keek bezorgd.
“Dat komt wel weer.”
“Ach, het is maar een huis. Niet echt belangrijk dus.”
En dan al die altaren, ik had het vermoeden dat er op dit gedeelte van de planeet alleen al zeker duizenden van waren. En ze zagen er allen aangetast uit, ze moesten hier al heel lang staan.
De ijselijke kreten klonken nog steeds regelmatig op, ook het vrijwel aanhoudende kakelende gelach gaf me huiveringen. Ik wilde er weg, het leek wel of deze wereld zich steeds meer aan me opdrong.
William en Eric wisten eigenlijk niet goed wat ze van die symbolen konden maken, het zei ze helemaal niets. Ik vroeg Eric of hij wilde weten waar we mee bezig waren – ik denk dat ik de vraag stelde om mezelf af te leiden van de desolate omgeving. Hij schudde zijn hoofd.
“Nu niet, later.” Hij boog zich weer over de tekens. “Het is toch raar…”
Ik bestudeerde de symbolen ook nog eens goed. Niets, maar dan ook niets ervan deed me denken aan eerdere schriften die ik had bestudeerd. Het was Ronardo die het opviel dat het bloed nooit langs de andere symbolen kon komen, de symbolen die niet oplichtten wanneer er werd geofferd. Hij vroeg om een vergrootglas, dat ik hem aangaf.
“Kijk,” zei hij terwijl hij het aanwees. Ergens aan de onderkant van het altaar waren een zestal symbolen te zien waar ook lijnen naartoe liepen, maar deze lijnen waren opstaand en geen gleuven. Er was zelfs zoiets als een hart te zien, zoals die hartvormige kom, maar dit was een hartvormige bol.
Het enige dat ik kon concluderen met al mijn archeologische kennis – die dus aardig roestig is – is dat de altaren uit twee gedeelten bestonden. Het onderste was het oudste, met de zes symbolen. Het bovenste met alle symbolen en bloedgleuven, was nieuwer. Het deed me denken aan sommige bouwwerken die ik wel had gezien. Het gebeurde vaker dat nieuw op oude fundamenten werd gebouwd om iets mee te krijgen van de oude macht. Dat is iets wat ik in meerdere landen en werelden heb aangetroffen. Vaak is het nieuwe schreeuweriger en opvallender dan het oorspronkelijke bouwwerk. Dat was hier ook het geval. Maar dat vertelde ik niet aan mijn familieleden, het leek me niet dat ze zaten te wachten op mijn betweterigheid. Bovendien verging het me met dit stukje oudheid al net als met de kennis over magie: ik wist er helemaal niets van. Sterker nog, de heren wisten er veel meer van te maken dan ik en hadden nooit eerder iets gedaan met archeologie.
Voor de vorm bekeek ik een paar altaren in de buurt. De zes symbolen waren daarop hetzelfde, maar nergens was het precies gelijk. Ik had niet het idee dat het iets uitmaakte.
“Dit zijn heel duistere symbolen,” merkte William op. “En heel oud.” Tja. Ik bedacht somber dat ik er tot nog toe helemaal naast had gezeten met mijn ideeën rond het oproepen van die Ctulhu. Niks te ritueel dat niet af was, dit was totaal iets anders.
“En het heeft ook niets te maken met Oproeping,” wist William verder nog te vertellen.
Gezamenlijk kwamen ze tot de conclusie dat het symbolenspel – samen met de lijnen – wat weg had van patroon. En dat het ook te lopen was.
“In je hoofd?” vroeg ik. Een compleet niet ter zake doende opmerking natuurlijk. Maar die was ik voortdurend aan het plaatsen.
“Wat bedoel je?” vroeg William.
“Je neemt het beeld van Patroon in je hoofd en loopt het dan. In gedachten dus. Dat heeft hetzelfde effect als Patroon lichamelijk lopen,” legde ik uit. Mijn neven keken alle drie verbluft alsof ze niet wisten waar ik het over had. En ik vroeg me af waarom ik in ’s hemelsnaam mijn mond had open gedaan. Ronardo boog zich opnieuw over de symbolen en lijnen. Rhexenor liep een eindje van ons weg, ik zag dat hij in de buurt van een modderpoel een gaatje in de grond groef en daar iets in liet vallen. Tot mijn verwondering zag ik niet veel later dat er op diezelfde plaats een plantje groeide dat er eerder niet was. Rhex kwam terug met een tevreden gezicht.
“Hm, ik zie dat de richel niet helemaal bol is,” zei Ronardo. “Er lijkt in het midden ervan een heel klein groefje te lopen. Er zit een deukje in het hart en van daaruit lopen de groefjes weg.”
“Dus we kunnen toch iets gaan doen met ons bloed?”
We prikten onszelf in de vinger, lieten de eerste druppel vallen in het midden van het hart en volgden het patroon – we konden niet meer los. Ik voelde hoe er flink wat bloed uit mijn vinger werd getrokken en dit putte me flink uit. Ik was helemaal bij mezelf, had geen idee waar de anderen mee bezig waren. Vaag wist ik dat ze vlakbij moesten zijn, maar ik zag of voelde hun aanwezigheid niet. Toen mijn vinger weer terug was bij het begin van het patroon merkte ik het gefluister in mijn hoofd pas goed op. Dat opdringende alom aanwezige gek makende gefluister, het ging door en door en door. En het ging over niets.
De rode brandweerwagen arriveerde bij de brand en bij maanlicht was er een gele trein een passgier heeft een sinaasappel aan de zee. Er steekt een storm op en er rijden mensen op een paard door het woud. In de vissenkom zwemt een goudvis.
Het deed me denken aan de dictees die ik in mijn jeugd kreeg van miss Watson. Het was één grote stroom aan onzin dat helemaal geen verband hield met elkaar. Inmiddels merkte ik vaag weer de aanwezigheid van de anderen op, Rhexenor was aan het proberen de halve zinnen aan te vullen, Ronardo kletste mee met de onzin. Ik gooide er een vraag in, iets dat heel moeilijk was omdat ik het gevoel had dat ik door iemand heen aan het praten ging. Dit alles speelde zich op geestelijk niveau af.
“Wij Amberieten worden geïnfiltreerd door een mogelijke vijand of bekende van U, kunt U vertellen hoe we deze kunnen vinden?”
Een Amberiet kan wel degelijk dood, dat is al een aantal keer bewezen. De heuvel naar de poort was vol met water, als je duikt, dat je ze niet tegen komt. Op het bord staat soms het antwoord zonlicht en dan ben je kwetsbaar door de vochtigheid vanwege de archeologie.
Hm, de onzin leek wat minder, maar in feite kon ik hier nog niets mee. En de doffe hoofdpijn die ik al eerder voelde, werd sterker.
“Waar kunnen we onze vijand vinden,” vroeg ik toen en probeerde deze gedachte zo sterk mogelijk dwars door alle onzin heen te sturen.
Er is een bepaald ras, bepaalde types. Allebei mensen. Als je niet ontdekt wil worden, verstop je jezelf. Daar zijn technieken voor. In de juiste manual kun je vinden welke webpage het is. Er zijn diverse breipatronen en het is op te zoeken hoe deze twee verschillende soorten met elkaar hebben kunnen leven. Het ene continent is losgeslagen en een andere tak ingeslagen. Nu drijft alles weer in een losse zee en de stuurman aapt de man op de kant na. Daar ziet hij een auto…
“Denk allemaal dezelfde vraag!” Deze dwingende gedachte kwam van Eric. Mijn vader had me ooit eens verteld dat Eric geestelijk heel sterk was, nu maakte ik hier zelf wat van mee.
“Hoe zijn de Dwalers te vinden?” Ik merkte dat deze vraag inderdaad versterkt werd doordat er steun kwam van de anderen.
Heel lang geleden waren er wezens van één ras die toen al ontzettend oud waren. Er waren er die er in geslaagd waren te overleven. Hun realiteit ging ten onder, er kwam een einde aan. Dat accepteerden ze niet. Heel veel dingen hebben een cyclus die gaat van het begin tot het eind. Het heelal kan beginnen en eindigen met een Big Bang. Het ontstond met een Big Bang, of was dat het einde? Deze wezens waren er in geslaagd het einde te overleven en waren toen al erg oud. Dat was tegen de Orde der Dingen, dat hoort niet, jezelf een extra leven geven.
Toen de nieuwe wezens daarachter kwamen, waren ze daar niet zo blij mee. Ze konden ze niet terug sturen naar waar ze vandaan kwamen, dat was een realiteit die geweest was. Er kwam een oorlog. Vanwege hun aard was er conflict tussen hen, ze waren het niet met elkaar eens. Sommigen hadden ruzie met zichzelf. Ze waren zo groot, zo complex en vreemd en natuurlijk gek geworden, ze hoorden er niet. Waarom moeten wij ten onder gaan, wijken voor anderen? Als we ten onder gaan, waarom dan niet alles. Misschien is het leuk om opnieuw te beginnen.
Ze waren erg machtig, ze kenden alle geheimen van het vorige heelal, maar hadden er niet veel aan. Onder de nieuwe wezens waren ook een aantal hele machtige. Eén van de oudere wezens was bereid zijn maatjes te verraden. In meerdere of mindere mate. De ene helft was daartoe bereid, de andere kon het niet schelen. Hij was toch gek. Ooit was hij een andere weg in geslagen, voor het einde der tijden al. En dat was moeilijk te begrijpen voor wezens die in het Hier en Nu waren. Misschien was het wat anders…
De hoofdpijn begon steeds heftiger te worden…
Een deel van dat wezen kon zijn gedachten koppelen aan de nieuwe wezens die machtig waren en informatie geven om zijn soortgenoten te verbannen. Ze konden buiten de nieuwe realiteit worden geplaatst. Vandaar zochten ze naar mogelijkheden, op de rand. Daar woonden wezens die niet het niet verdiend hadden te ontstaan. Alles en iedereen vermoordden omdat niemand ze mocht aankijken. Ze hebben er lang over gedaan om macht te krijgen, ze wisten de zwakke plek al, ze herkenden dat ze verwant waren. Soms ontstaat er eenzelfde soort leven, ook al ziet het er anders uit. Ze kunnen alleen maar afbreken. Andere wezens hebben zich er buiten gehouden. Ze waren wel machtiger, dat hadden ze over van daarvoor. Ze hebben vele cycli overleefd en zich anders gedragen. Ze hebben zich afgezonderd onder water. Die hebben wel de macht, maar hielden zich er buiten. Ze hebben wel de macht over wat er gebeurt.
De wezens die zijn overgenomen zijn op zoek naar een nieuwe macht, hebben geprobeerd zich dat eigen te maken. Ergens over de realiteit blijkt er een soort machtscentrum te zijn en daarover proberen ze macht te krijgen langs de rand. Als je niet gezien wil worden, dan hou je dat zo, je verzamelt kleine beetjes tot je genoeg hebt tot een hele. Dan heb je meer realiteit. Dan hoor je er meer thuis. Misschien wil je dan ook wel dingen. Bijvoorbeeld contact maken en meedoen, net of je één van hun bent. Als je denkt dat je één van hun bent en je raakt er in verstrikt, daarachter staan zij en die wachten. Ze hebben veel geduld. Misschien om de cyclus definitief te doen beëindigen. Zij onder water staan er toch buiten, het kan ze niets schelen. Zij zijn de sleutel om dit te voorkomen. Ze zullen niet willen. Iemand heeft er ooit contact mee gemaakt, hulp gevraagd om de ander te verbannen.
“Wie heeft er contact gemaakt?” vroeg ik.
Eén van de eersten is er in geslaagd de wezens te vinden onder water. Er is een plaats waar je contact met ze op kan nemen. Het is een oude plaats, zo oud. Het oorspronkelijke plan is alles over te nemen. Of dat er iemand orde op zaken stelt ergens.
De verrader is altijd bereid te helpen.
“Waar zit het centrum van Macht?”
Dat weet je allemaal al. Overschaduw is ook zo’n naam. Je kunt degene opzoeken die achter alles zit. Op dit moment zijn er een aantal zaken die spelen. Je moet weten wie het is, maar je weet niet beter, het is één van ons. Het is zaak dat hen die niet gezien willen worden, moeten worden uitgeroeid, dat ze straf krijgen. Ze moeten gezien worden en uitgeroeid, dan is het contact verstoord. En dan moeten ze iets verder verbannen nog. Anders blijven ze aan de gang. Je weet waar ze wonen, daar komen ze niet graag vandaan, daar leeft ook niets. Een paar van de eersten hebben samen gewerkt, er was er maar eentje die contact had. Namen zijn soms tot hulp. Goed dan. Old Ones. De Elder zijn niet de Old Ones of Deep Ones. Van de Elder is er maar één over en die heeft ze verraden. De Old Ones zijn verbannen.
“Waar is de oeroude plaats waarmee we contact kunnen leggen?” probeerde ik aan de weet te komen.
Er is een ritueel waarmee de Old Ones geroepen kunnen worden, daarmee komt er een stukje van hen naar een bepaalde wereld toe. Of die doet iets. Er waren Shadow Demons en toen waren ze slaaf. De Deep Ones kennen het ritueel veel beter.
Er is het Patroon en er is de Logrus. Je loopt het en je bent het. Je moet het voorkomen, maar er zijn overal afspiegelingen van. Als je er genoeg loopt, kun je Patroon of Logrus lopen. En als je die loopt kun je ook het origineel lopen en dan heb je het.
Iemand ontdekte dat als je dat verwoest, je iets nieuws kunt beginnen. Op die manier is een Schaduw zo te vormen om de Deep Ones te verbannen. Het kan ook zijn dat die persoon de verkeerde was, wezens die oud zijn, zijn ook gek. Hij had al eens gesproken met de verrader. Misschien was hij van plan alles over te nemen.
Inmiddels was de hoofdpijn ondraaglijk geworden. Ik kon de vragen niet meer goed formuleren, eigenlijk niet eens meer goed bedacht krijgen. Ik merkte dat de anderen met hetzelfde probleem kampten.
“We moeten hier weg!” liet ik ze weten. Ik merkte dat ze het volledig met me eens waren. Misschien hielp het heftige trillen van de grond onder ons daar ook wel aan mee.
De Verrader is de Fluisteraar van Onmogelijke geheimen….
Het gefluister in mijn hoofd was opgehouden. De hoofdpijn was verschrikkelijk, ik voelde dat ik heftig aan het trillen was en dat was niet alleen dankzij de aardbeving die bezig was. We moesten daar weg, maar hoe? We zaten vast.
“Het ritueel is niet af!” Dat was Eric. Dat kon zijn, maar hoe was het dan af te sluiten? Denken aan de vier stukken van de munt, die de weg naar huis zou focussen lukte gewoon niet.
De Onmogelijke Geheimen. Het kwam in me op, maar ik had geen idee wat er mee te doen. Rhexenor wel, praktisch als altijd had hij blijkbaar een vraag gesteld, ik merkte dat hij los was. Eric was de volgende: “Oh. Goed dan,” hoorde ik hem denken. Ronardo en William waren daarna los.
Ik vroeg me af of ik de vraag wel moest stellen die ik stelde.
“Wie is mijn vader?” Tegelijkertijd met dat het antwoord kwam raakte ik los.
“Denk aan het midden van het Patroon in Amber,” schreeuwde Eric. Dat deed ik. De vier stukken munt raakten elkaar, Eric trok ons mee en heel veel tijd later viel ik met de anderen temidden van het Patroon. Toen werd alles zwart….
Ik herinner me dromen, angstige rare dromen. Net of niet ik het was die het droomde, maar iemand anders. Ik kan me niets meer van de inhoud herinneren, ik wil dat ook niet. Dark End is iets dat zo snel mogelijk vergeten zou moeten worden. Maar dat kan niet, dat zal nooit gebeuren. Het zit in me, het is een deel van me. Het zal ooit een plaats krijgen en zullen de scherpe kantjes van die verschrikking slijten. Ik heb er iets aan overgehouden, Dark End zal een eeuwig litteken in mijn geest blijven.
Eindelijk werd ik wakker. Echt wakker bedoel ik. Ik lag in een donkere kamer, vastgebonden in een bed, mijn armen en benen aan de beddenpost. Ik kon naast het bed, een luxe hemelbed, een tafeltje onderscheiden met daarop spullen als injectienaalden, buisjes en dergelijke. Ik deed mijn ogen weer dicht en wenste heel even dat ik dood was gebleven. Al wist ik van tevoren dat ik knettergek zou terugkeren, de nuchtere realiteit was schokkend en beschamend voor me.
Ik hoorde voetstappen die dichterbij kwamen, een sleutel in het slot omdraaien en de deur ging open. Ondanks mezelf deed ik mijn ogen toch maar weer open. Er kwam een man binnen met een donkere mantel aan. Ik meende Eric te herkennen. Maar dat kon toch niet?
Hij schoof de donkere gordijnen helemaal open en een fel licht kwam de kamer in. Zo fel dat ik mijn ogen weer dicht moest doen. Voorzichtig deed ik ze weer open. Het was Eric. Hij zag erg bleek en had wallen onder zijn ogen. Hij controleerde wat meetinstrumenten die ik nog niet had opgemerkt en hij knikte tevreden. Daarna keek hij naar mij.
“Goedemorgen,” zei hij. “Ik zie dat je genoeg bent opgeknapt. Dat heeft wel een poos geduurd.” Ik had moeite om mijn stem weer onder controle te krijgen, dus zei niet echt iets terug, mompelde alleen iets. Hij begon me los te maken. Blijkbaar was ik niet gevaarlijk meer. Ik vroeg me af, ook met de afgesloten deur in gedachten, of ik gevaarlijk was geweest voor mezelf of voor de omgeving. Ik besloot ter plekke dat ik het niet wilde weten. Gek zijn is mogelijk nog erger dan incontinent zijn.
Hij hielp me overeind te gaan zitten en ik voelde een enorme duizeling op komen zetten.
“Duizelig?” vroeg hij.
“Verschrikkelijk zelfs,” zei ik met schorre stem.
“Doe heel rustig aan. Die duizeligheid hoort erbij, dat zal minder worden. Ik hoop niet dat er permanente schade is, maar je weet maar nooit.” Hij wees me op een kast. “Daar kun je kleren vinden,” zei hij. “Knap jezelf wat op en kleed je aan, straks komt er iemand om je naar de eetzaal te brengen.”
“Hoe…” begon ik, maar hij onderbrak me.
“Ik weet dat je vragen hebt, maar wacht daar nog even mee.” Hij gaf me een soort bemoedigend klopje op de schouder en liep de kamer uit.
Ik zat op de rand van het bed en wachtte tot de duizeligheid zou zakken. Ik kon me niet herinneren ooit zo draaierig geweest te zijn. Ik had eigenlijk niet verwacht dat het verblijf in Dark End ook lichamelijke effecten kon hebben. Heel even kwam het in me op dat het mogelijk een andere oorzaak had, maar die gedachte redeneerde ik weer weg. Tijdens mijn zwangerschap van Owen was ik geen seconde duizelig geweest. Bovendien was de kans op alweer zwanger zijn minimaal. Dus het zweverige gevoel moest een andere oorzaak hebben.
Inderdaad voelde ik me na een tiental minuten ietsje beter. Ik keek de grote kamer rond. Het leek het meest op een kasteelkamer. Alles was vrij luxe ingericht, de stijl van meubelen deden me een beetje denken aan die van mijn ouders. Er was een grote linnenkast en behalve de deur waardoor Eric net de kamer verliet, was er nog een andere deur.
Ik stond op, hield me vast aan de rand van het bed. Langzaamaan, voetje voor voetje, zwabberde ik richting de betreffende deur. Ik had het gevoel dat ik maanden daar op bed had gelegen, een beetje alsof ik opnieuw moest leren lopen. Gelukkig ging het leerproces deze keer vele malen sneller dan jaren geleden na het ongeluk met mijn paard.
Zoals ik al dacht, leidde de deur naar een luxueus ingerichte badkamer. Een beetje de stijl die mijn moeder ook mooi zou vinden, naar mijn smaak wat te weelderig. Alles wat een vrouw nodig heeft was er echter aanwezig, een bad, een wc en een wastafel. Ik liet het bad vollopen, koos een badschuim uit met rozengeur en liet me even later in het bad zakken. Dat was heerlijk ontspannend. Met wat ironie bedacht ik dat, als ik werkelijk maanden op bed gelegen had, ik voldoende uitgerust zou moeten zijn, maar zo voelde ik me allerminst.
Ik waste ook mijn haar zorgvuldig en had het gevoel alsof ik met dit ritueel alle stof van Dark End van me afwaste. Lichamelijk dan. Ik hulde mezelf in een enorme badhanddoek en liep naar de linnenkast die vol hing met allerlei stijlen dameskleding. Na wat zoeken koos ik voor gemakkelijk zittende kleding, een wijde lichtblauwe broek en een witte bloes. Uit de rij schoenen koos ik een soort muiltje met platte zool – ik ben niet zo goed in lopen op hooggehakte schoentjes. De kleren die ik aanhad in Dark End zag ik niet en ook mijn troevendeck was weg. Wel zag ik in een hoek van de kast mijn rugtas met mijn spullen en daarnaast het korte zwaard. Ik zocht verder. Uiteindelijk vond ik het amulet gewoon naast het bed, op het nachtkastje. Ik hing het om en voelde me toen pas helemaal gekleed.
Op dat moment hoorde ik een klop op de deur en kwam er een dienstmeisje de kamer binnen.
“Goedemorgen Prinses, ik ben blij dat U weer opgeknapt bent. Ik zal U naar de eetzaal brengen.” Ze ging me voor van de trappen af en bracht me naar een grote eetzaal met een enorme tafel in het midden. De tafel was rijkelijk gevuld met broodjes en beleg, er waren vruchtensappen en er was thee. Ik zag Ronardo en William en we begroetten elkaar. Zij bleken al een paar dagen eerder wakker geworden te zijn.
“Het is de bedoeling dat we ons hier vermaken tot ook Rhexenor bijgekomen is. Dan zal Eric onze vragen beantwoorden,” legde Ronardo uit. Hm, dat was nog niet zo gek. Ik voelde me zo gammel dat ik die extra tijd wel kon gebruiken.
Halverwege de maaltijd kwam Eric ons gezelschap houden. Hij wees me op een pot met jam.
“Smeer dat op je broodje, dat is ijzerhoudende jam. Dat helpt tegen de duizeligheid.” Ik had al zeker een half broodje op, met kaas, en eigenlijk geen trek meer. Maar gehoorzaam smeerde ik wat jam op de kaas, de anderen keken er met afgrijzen naar. Met lange tanden at ik ook de andere helft van het broodje op. De vruchtensappen waren lekker en de thee was gewoon goed.
In de dagen die volgden, verdween de duizeligheid stukje bij beetje. Als ik mezelf bekeek in de spiegel zag ik een bleek gezicht, ingevallen wangen en wallen onder mijn ogen. Ik zag eruit of ik vreselijk ziek was geweest, de enige troost was dat mijn neven en oom er niet veel beter uitzagen.
Ik vermaakte mezelf door boeken te lezen, Eric beschikte over een goede bibliotheek en af en toe, als ik me daar goed genoeg voor voelde, mijn dagboek bij te werken.
Verder sliep ik veel, althans, dat probeerde ik. Als de beelden en geluiden van Dark End me niet wakker hielden, was het wel het antwoord dat ik had gekregen van de Fluisteraar. Het leek erop dat er iets of iemand een misplaatste grap had uitgehaald of een vuil spelletje aan het spelen was geweest. Ik vroeg me af wat er met me mis was, met mijn bestaan. Kon er achter zoiets schofterigs echt een dieper plan zitten? Wat was er in vredesnaam met mijn moeder, dat er zoiets kon gebeuren?
De gesprekken met mijn neven en oom waren in die dagen minimaal en vooral nietszeggend. Ik denk dat niemand van ons zich echt goed voelde.
Na een week ofzo kwam Rhexenor de eetkamer binnen rennen. Ik denk dat hij er het beste uitzag van ons allemaal, hij was in ieder geval opgewekt als altijd. Zoals gewoonlijk had hij zich meteen de schaal met broodjes toegeëigend voordat wij op onze stoel zaten. Eric kwam, als vaker, wat later binnen en zag vol verbazing aan hoe Rhexenor het hele ontbijt al naar binnen had gewerkt voordat wij ook maar een hap hadden kunnen eten.
“Oh. Daar had ik even geen rekening mee gehouden,” zei hij en bestelde een extra ontbijt. Toen dat werd gebracht zag hij er op toe dat wij en hij eerst kregen en daarna had Rhex weer vrij spel.
Tegen het einde van de maaltijd, stelde hij voor om wat te praten.
“Wat is er gebeurd nadat we in het midden van het Patroon vielen?” vroeg Ronardo.
“Daarvoor zal ik jullie eerst vertellen wat mijn vraag was in Dark End. Ik heb getwijfeld of ik de vraag zou stellen, maar ik wilde weten of er een mogelijkheid was. Ik heb gevraagd hoe ik weer levend kon worden. Uit het antwoord dat ik kreeg, bleek dat de enige plaats waar dat zou kunnen vanuit het midden van het Patroon was. En ik had bloed nodig van familieleden. Vandaar dat jullie je zo duizelig voelen. Er was echter veel tijd nodig voor jullie geestelijk herstelproces, jullie hebben lang in bed door moeten brengen.
Het enige dat ik nog mis is bloed van mijn bloed. Maar ik heb een zoon.”
“Oh,” herinnerde ik me weer. “In Rebma toch?” Hij keek me aan.
“Hm, dus hij woont in Rebma? Hoe dan ook, ik weet niet of mijn zoon bereid is om bloed af te staan, als jullie hem dat willen vragen? Ik heb het nodig. Daarmee kan ik het Oerpatroon lopen en dan ben ik weer terug.”
“Is het geen probleem dat je nu Chaosbloed hebt?” vroeg Rhexenor. Eric glimlachte scheef.
“Och, we zijn toch allemaal een beetje Chaos.” Hij zag er echter uit alsof hij hier niet blij mee was.
“Jullie kunnen nog een aantal dagen blijven,” stelde hij voor, “om geheel op te knappen.”
“Ik wil wel met je zoon praten,” bood Ronardo aan. “Ik ga met Moyra van Rebma, dus ik heb er al contacten.”
“Dank je. Ik weet niet hoe mijn zoon daar genoemd is. Zijn oorspronkelijke naam is Friso.”
“Dus je hebt je zoon afgestaan en laten adopteren zonder te weten waar hij zou worden ondergebracht?” vroeg ik. Dit wat hij vertelde deed me heel erg denken aan de optie waar Caine toen mee kwam voor Owen. Erics blauwe ogen vestigden zich op mij en hij keek me even vorsend aan voordat hij antwoord gaf.
“In die tijd had ik een broer die erg gevaarlijk was. Corwin. Het was toen allesbehalve veilig, een erg onzekere tijd.” Ik knikte, mijn vader had me ook wel eens iets verteld over die tijd.
“Waar zijn we eigenlijk?”
“Dit is kasteel Avalon en dat is gebouwd in de wolken. Een soort magisch kasteel. Het is van mij en jullie zijn hier te gast. Je kunt zo lang blijven als je wilt.”
“Indrukwekkend,” vond ik. Eric lijkt wel wat op Corwin, maar nauwelijks op Deirdre. Eigenlijk deed hij me denken aan Oberon – behalve de kleur van de ogen. In feite heeft Eric iets koninklijks in zijn houding. Hij was maar kort koning geweest wist ik, mijn vader had gezegd dat Erics koningschap slechts iets van vijf jaar had geduurd, maar hij was in zijn voorkomen vele malen koninklijker dan Random en ook Deirdre. Ik vroeg me af hoe de rest van de familie zou gaan reageren wanneer hij terug zou keren.
“Als ik het dus goed begrijp,” zei Eric, “zijn er nogal wat Amberieten opgedoken de laatste tijd?”
“Ja, dat zijn er wel een paar.”
“Hm,” hij keek Rhexenor aan. “Hoe reageren mijn broers en zussen eigenlijk op het feit dat jij een zoon bent van Deirdre en een Chaosiet?” Rhexenor keek hem met een grijns aan.
“Oh, wel goed denk ik. Ze kijken mij er niet op aan.”
“Dat zal wel niet. Toch zullen ze het erg vinden dat ze dit tijdens de oorlog heeft gedaan.”
“Daar had ik niet veel mee te maken.”
“Natuurlijk niet. En dan die macht die je hebt, hoe kom je daaraan? Zeer ongebruikelijk voor zowel een Amberiet als een Chaosiet.” Rhexenor vertelde hem over het opvissen van de Feniks en hoe hij aan diens Macht was gekomen. Eric luisterde belangstellend, knikte en ging verder met zijn verhoor.
“Waar ben je opgegroeid?”
“Op een Griekse aarde.”
“Oh, dan heeft ze je toch normaal laten opgroeien. Heb je ook nog iets geleerd over magie en troef?”
“Eh… niet zoveel.”
“Over Patroon?”
“Ook niet echt.”
“Nou ja, je zult Patroon overleven doordat je toch een Amberiet bent. Maar je bent ook Chaosiet, ben je wel stabiel?”
“Oh ja hoor.” Ik begon bijna medelijden te krijgen met Rhexenor, hij kon zijn afkomst niet helpen. Maar van dat stabiel zijn vroeg ik me ook wel eens af, sinds ik hem kende was hij behoorlijk veranderd.
“Zeg,” vroeg ik, “vanaf welke leeftijd begon je eigenlijk je mensvorm een beetje onder controle te krijgen?” Hij keek me verbaasd aan en wist blijkbaar niet wat te antwoorden. Jammer, ik had gehoopt om eens wat duidelijkheid hierover te krijgen. Mijn zoon was geboren in zijn mensvorm, hoewel ik eerder eens had gehoord dat alle Chaosieten ter wereld kwamen als demoontjes. Maar aangezien ik een Amberiet ben, kon hij dat van mij hebben meegekregen. Wellicht was Rhexenor ook als gewone baby geboren.
Maar ook in de maanden na zijn geboorte had Owen nooit een verandering laten zien en ik wist dat Rhex zeer regelmatig van vorm veranderde als baby, terwijl diens moeder toch ook een Amberiet is.
Mogelijk had het te maken met Patroon. Dat zorgt ervoor dat we er voortdurend als mens uitzien. Kon het zijn dat ik mijn zoon daarvan zoveel had mee gegeven dat hij er geen moeite mee had dat vast te houden? Kon dat eigenlijk wel?
“Amberieten zijn maar één familie die tegen al die Chaosieten,” zei Eric streng. Ik begon me wat ongemakkelijk te voelen, maar wat kon ik zeggen?
“Er is een wapenstilstand,” zei ik toch, “en ze zijn al jaren bezig met onderhandelingen om tot een betere samenwerking te komen.” Eric fronste zijn wenkbrauwen.
“Ik ben er niet van overtuigd dat het goed is om met Chaos samen te werken.”
“Ik vind het een slechte zaak. Rhexenor valt wel mee, maar al die anderen…” deed William ook een duit in het zakje.
“Jurt is ook wel aardig,” zei Ronardo. “Waarschijnlijk een zoon van Corwin en Dara. Hij heeft altijd ongelukken.”
“Dat is interessant,” vond Eric. Hij stond op en pakte uit één van de kasten een rol papier en wat schrijfspullen. Hij ging daarmee weer aan tafel zitten en keek ons ernstig aan.
“Ik ben een paar jaar kwijt,” zei hij, “kunnen jullie me zoveel mogelijk invullen? We beginnen bij Oberon.” Hij schreef ‘Oberon’ op het papier en daarachter dat deze was verdwenen na het repareren van het Patroon, weg was, maar waarschijnlijk niet dood. Bij Dworkin schreef hij dat deze het Oerpatroon bewaakte en niet meer helemaal gek was. Zo ging hij ieder familielid af. Hij voegde dus Dalt en Coral toe als zijnde zijn broer en zus, Merlijn kende hij nog niet, net zo min als Rinaldo, Heather, Sean en Boromir. Ook Xeena niet en van Martin wist hij alleen dat deze neergestoken op het Patroon was gevonden, niet wie erachter zat.
Ook een lijst van Chaosieten werd er aangelegd. Het feit dat daar nogal veel doden waren, vond hij verheugend.
Daarna begon hij met een lijst van ‘gewone’ mensen, heel veel namen die we niet kenden. Personeel in Paleis Amber, bepaalde wachters en dergelijke. Ik kon me niet herinneren dat er ooit een Amberiet was geweest die zich daarvoor interesseerde. Misschien Rhexenor een beetje vanwege zijn huwelijk met het keukenmeisje. Eric complimenteerde Rhexenor met het feit dat deze openlijk getrouwd was met één van de dochters van de kapitein van de wacht. Daarna legde hij alles aan de kant en ging wat achterover zitten.
“Ik moet me verontschuldigen dat ik jullie bloed heb gebruikt zonder het te vragen.”
“Ik denk niet dat je keus had,” zei ik.
“Het enige wat ik voor jullie kon doen is jullie hier naartoe brengen. De tijd in Amber staat ten opzichte van hier praktisch stil, zodat er niet nog meer tijd voorbij is gegaan.” Goed, we begonnen op het punt te komen waar ik bang voor was geweest – over hoeveel tijd spraken we hier?
“Dark End en het reizen heeft heel veel tijd gekost. In Ambertijd ongeveer een half jaar.” Ik weet niet precies wat ik voelde. Al die tijd had ik al het gevoel gehad dat Dark End veel tijd kostte, maar ik had er bewust niet te hard over nagedacht. Nu wist ik het dus. Een half jaar in Amber – dat betekende dat Owen al ruim drie jaar was.
“Hoe gaat de tijd ten opzichte van Antioch?” vroeg Rhexenor.
“Ongeveer hetzelfde als Amber,” antwoordde ik werktuigelijk. Hij keek opgelucht.
“Oh, dan valt het mee. Dyenne was net zwanger toen ik weg ging,” vertelde hij trots. Hij werd door iedereen gefeliciteerd. Ik vond het erg leuk voor ze.
“Weet je zeker dat ze net zwanger was?” vroeg ik toch maar, “of wist ze het nog maar net?” Hij keek me verward aan. Niet alleen hij, maar ook mijn twee andere neven. Alleen bij Eric zag ik een zweem van een geamuseerde glimlach rond zijn mond spelen.
“Nou ja, ze had nog geen dikke buik,” zei Rhex. Ik ergerde me enorm aan dat gebrek van kennis waar veel mannen aan lijden en besloot het hem uit te leggen. Niet alleen aan hem trouwens, ook Ronardo en William waren volkomen naïef op dit gebied.
“Een vrouw heeft niet de hele zwangerschap een dikke buik,” legde ik rustig uit. “De eerste helft van de zwangerschap is er zelfs niets of maar weinig van te zien.” Mijn neven keken me alle drie met ongeloof aan.
“Hoe weet jij dat eigenlijk?” vroeg Rhexenor ineens slim. Ik voelde dat ik kleurde. Natuurlijk gedeeltelijk door eigen ervaring, maar niet helemaal. Het was ook een stuk kennis.
“Dat is iets wat je gewoon geleerd zou moeten hebben tijdens biologielessen over de menselijke voortplanting.” Mijn neven zaten me inmiddels alle drie doordringend aan te kijken. Eric redde de situatie een beetje.
“Ik denk dat jij het beste naar huis kan gaan,” zei hij tegen Rhexenor, “en daar gaat kijken hoe ver één en ander is.”
“Eh, ja…” zei deze een beetje beduusd.
“Jullie kunnen hier blijven of gaan waarheen je wilt. Als je hulp nodig hebt om ergens te komen, kan ik je helpen.”
“Ik wil in ieder geval met je zoon praten,” zei Ronardo.
“Dank je. Het zou fijn zijn om te weten of hij het wel of niet wil. Ik weet niet hoe hij tegenover mij staat, maar ik wil zijn bloed hebben, met of zonder zijn toestemming. Liever met natuurlijk. Praat met hem onder vier ogen en troef me daarna, wat de uitkomst van het gesprek ook is. Als hij geen toestemming geeft, zal ik hem moeten ontvoeren. Oh ja, ik wil dat jullie voorlopig niets zeggen tegen wie dan ook.”
“Dat kan ik wel beloven,” zei ik. “Waar zijn mijn troeven eigenlijk?” Hij wees naar de secretaire in de kamer.
“Daar liggen ze, je kunt ze pakken wanneer je wilt. Ik heb mijn troef in ieder van jullie deck betoverd zodat deze alleen voor jullie werkt. Jullie kunnen me altijd troeven.”
“Mag ik mijn moeder ook niets vertellen?” vroeg Ronardo. Eric dacht even na.
“Liever niet. Hou allemaal je mond tegen je ouder. Ik wil voorlopig achter de schermen blijven, in ieder geval tot ik het Oerpatroon heb kunnen lopen. Jouw guardian…” dit was tegen William, “… zal het ongetwijfeld weten als ze dat juweel heeft. Maar toch… niets vertellen.”
Rhexenor zorgde ervoor dat ook alle restjes op de ontbijttafel op waren en pakte een steen uit zijn zak. Even later was hij weg.
Ik had ook niet veel geduld meer om te blijven. Het mocht dan zijn dat er niet echt veel tijd voorbij ging in Avalon, maar naar mijn gevoel was er al te veel tijd voorbij. Ik ging mijn spullen pakken op mijn kamer, in de eetkamer pakte ik mijn troevendeck. Toen liep ik naar Eric.
“Hartelijk bedankt voor de goede zorgen,” zei ik. Hij keek lichtelijk verbaasd.
“Zou je me kunnen helpen om naar de stallen in Amber te komen?”
“Natuurlijk,” zei hij en gaf me een troef die heel erg stabiel aanvoelde. Ik bedankte hem en concentreerde me op de troef, waarop de stallen van paleis Amber stonden afgebeeld. Dit beeld werd steeds duidelijker totdat het echt was en ik stapte door de troef heen.
Zonder veel plichtplegingen haalde ik Boudicca uit haar box. Ze was blij me te zien, ik om haar te zien. Ze zag er goed uit, prima verzorgd. Uiteraard bedankte ik de paardenverzorgers voor hun goede zorgen, blijkbaar was het beter gegaan dat de vorige keer. Toen ik buiten kwam met Boudicca kwam er een jongeman aanrennen.
“Blij U weer te zien, prinses!” zei hij. “Ik ben Arjan en ik heb de eer gehad om Uw paard te verzorgen en te trainen.”
“Dank je,” zei ik. “Je hebt goed werk verricht, ze is in uitstekende conditie.” Hij grijnsde breed.
“Het is een mooi beest, maar een stuk onwilliger dan de gewone Amber paarden,” zei hij. “In het begin wilde ze niet, er was niemand die in haar buurt mocht komen. Maar het was toch belangrijk dat er met haar gereden werd, dus ik heb doorgezet. Ach, ik heb niet zo heel lang in het ziekenhuis gelegen en dat had ik er wel voor over.”
Ik slikte even. Boudicca was inderdaad geen gemakkelijke en dat hoorde wat mij betreft ook zo. Ik had haar in feite in Amber achter gelaten omdat daar veel meer ervaren verzorgers zijn dan op mijn eigen wereld. Maar ik vond het toch een beetje vervelend dat ze letsel had toegebracht aan iemand.
“Het spijt me dat te horen,” zei ik. “Ik waardeer het echt enorm dat je toch hebt doorgezet.” Hij straalde.
“Het was leuk om te doen. Ja, met Sammi is het allemaal minder goed afgelopen, die is nog steeds niet goed.”
“Oh,” zei ik en bedacht dat ik er niet verder op door zou gaan, ik wilde op weg gaan naar huis.
“In ieder geval bedankt,” zei ik nogmaals, “ik moet nu echt gaan.” De jongen maakte een soort buiging ten afscheid. Ik steeg op mijn paard en reed een eindje van de stallen weg, op zoek naar Fillipien. Lang hoefde ik niet te zoeken, ze kwam aanvliegen en landde op mijn schouder. Ze gedroeg zich wat hooghartig, deed of ze me niet gemist had. Ik had haar echter wel gemist en krauwde haar achter haar kopje, wat ze graag toeliet. Ik begreep dat ze zich het afgelopen half jaar goed had vermaakt in de omgeving van Amber en Arden, vriendjes genoeg. Inderdaad zag ik verderop een tweetal valken van Julian rond cirkelen. Dat kon erop duiden dat hij in de buurt was. Ik twijfelde even over wat te doen. Contact met hem zoeken of gewoon op weg gaan? Ik voelde me erg ongemakkelijk als ik terugdacht aan mijn laatste paar gesprekken met hem. Mogelijk voelde hij dat ook zo en vond hij het wel prima dat ik een poosje buiten zicht was en bleef.
Ik gaf Boudicca de sporen en begon aan de reis naar huis. Ik koos ervoor om zoveel mogelijk gewoon door Schaduw te reizen in plaats van een Hellerit of Patroon in mijn hoofd te lopen. Dat is misschien vreemd, ik verlangde ontzettend naar mijn zoon, maar tegelijkertijd zag ik ook wat op tegen de ontmoeting. Van drie maanden – ietsje meer – naar drie jaar is een groot verschil. Hoe waren kinderen van drie jaar eigenlijk? En nog belangrijker: hoe zou Owen zijn als driejarige? Hij zou me niet eens herkennen. Ik probeerde me te herinneren wat ik gelezen had in de boeken. Kinderen van drie konden meestal al goed praten, korte periodes geconcentreerd zelf bezig zijn en hun melkgebit zou volledig zijn. Dus wat had ik gemist? Vrijwel alles. Kruipen, staan, zitten, lopen, eerste woordjes, eerste tandjes. Ik wist niet eens hoe hij er nu uit zou zien. Ik hoopte maar dat de fotoalbums en dagboeken waren bijgehouden, zodat ik nog eens terug kon kijken.
Maar ja, dat was het risico toen we besloten dat hij maar beter snel op kon groeien.
In één van de Schaduwen bezocht ik een grote stad waar een immense speelgoedwinkel was met een aantal verdiepingen vol met speelgoed. Ik dwaalde er uren rond, zonder enig idee te hebben wat ik mee kon nemen voor Owen. Uiteindelijk sprak ik één van de verkoopsters aan.
“Ik zoek iets voor een jongetje van drie.” De verkoopster, die volgens haar naamkaartje Linda heette, glimlachte vriendelijk.
“Keus genoeg. Wat is het voor kind?” De vraag verwonderde me. Waren er meer soorten dan jongens en meisjes dan?
“Een jongen,” zei ik nog maar eens. Linda bleef vriendelijk lachen.
“Wat ik bedoel is of het meer een buitenkind of een binnenkind is bijvoorbeeld. Knutselt hij graag, houdt hij veel van met autootjes spelen, wordt hij graag voorgelezen, is het meer een lichamelijk kind of is het een denkertje?” Ik stond met mijn mond vol tanden. Ik had werkelijk geen idee!
“Ik heb hem al een poosje niet gezien,” zei ik voorzichtig, “dus ik weet het niet zo.” Linda liet niet merken of ze hier verbaasd over was, ze bleef haar verkoopsterglimlach houden.
“Is er niet iets waar bijna alle kinderen van drie jaar van houden?” vroeg ik toen.
“Dat ligt eraan,” zei Linda. “Wat voor soort ouders heeft het kind?”
“Heeft dat er iets mee te maken dan?”
“Zeker wel. Als het sportieve ouders zijn, kunt U denken aan een bal ofzo. Als ze muzikaal zijn, aan een muziekinstrument of een muziekdoos. Als ze…” Ik onderbrak haar, dit begon vervelend te worden.
“Ik zoek gewoon iets algemeens,” zei ik. “En nu ik hier toch ben, ook iets voor een baby.”
“Is dat voor een jongen of een meisje?”
“Nog onbekend,” zei ik. Daar nam ze genoegen mee, ze vroeg in ieder geval niet verder door. Ze verwees me naar de knuffeldieren afdeling, waar ik ook een hele poos heb staan twijfelen. Uiteindelijk koos ik voor een Husky knuffelhond voor Owen en een oranjerood gekleurde pluche draak voor de toekomstige baby van Rhex. Deze knuffeldieren leken van alle soorten nog het meest op hun origineel, al vond ik met name de draak wat liefs hebben – dat leek me leuk voor een baby. En dan hadden ze een soort button in hun oor, dat gaf de beesten wel iets bijzonders.
Het personeel vloog voor me toen ik daarmee aankwam, ik kreeg er een speciale doos bij en papieren die een soort echtheidsgarantie zouden zijn.
“Waar is dat allemaal voor nodig?” vroeg ik, toen ik zelfs het aankoopbewijs moest ondertekenen.
“Voor de speciale clausule in uw verzekering. Als deze ‘Steiff Knopf im Ohr’ dieren ooit worden gestolen, wordt het aankoopbedrag volledig vergoed.” Ik had moeite om niet heel hard te gaan lachen en zette geduldig een krabbel op alle papieren. De credit card werd zonder enig probleem geaccepteerd en naderhand werden mijn aankopen zelfs voor me naar de uitgang gedragen.
Twee knuffeldieren rijker reisde ik verder. Af en toe een maaltijd en een overnachting in een herberg. Na ongeveer een week van reizen kwam ik aan in een nabijgelegen Schaduw.
Vol ontzetting staarde ik naar de combinatie van wervelwinden en orkanen die hun vernietigende spel speelden. Ik kan me niet meer herinneren wat ik toen heb gedacht. Of dat ik nog wel kon denken. Alleen het allesoverheersende gevoel van niets staat me bij, een volkomen leegte. De schaduwstorm weerspiegelde uitstekend mijn gevoelens. Er was wat mij betrof helemaal niets meer.
Vaag voelde ik het getintel in mijn hoofd. Het bleef vrij zwak, vermoedelijk was het Rhex of Julia die probeerde contact te krijgen. Automatisch, zonder denken nam ik het aan. Het was Rhex.
“We hebben een dochter!” Ik deed mijn best om vrolijk terug te doen.
“Gefeliciteerd! Is alles goed met moeder en kind?”
“Prima. Ze heet Cathrynn.”
“Mooie naam.” Dat meende ik. “Ik kom binnenkort even kijken,” beloofde ik toen en verbrak het contact.
Deze afleiding was genoeg om mijn zinnen weer een beetje bij elkaar te krijgen. Ik kon niet geloven dat alles voor niets was geweest. Ik begon met Patroon Schaduwen uit te kammen, op zoek naar een spoor van mijn zoon. Het doorzoeken van Schaduwen is niet zo moeilijk. Tot mijn verrassing stuitte ik al vrij snel op een blokkade. Ik probeerde het nog eens, nu vanuit een andere hoek en alweer die blokkade. Dat betekende dat pogingen om Owen te vinden belemmerd waren, wat weer inhield dat hij in ieder geval nog in leven was. Ik merkte dat ik weer wat gevoel terug begon te krijgen, ik greep me vast aan dat sprankje hoop.
In mijn troevendeck lokaliseerde ik de troef van Mandor. Dat was niet echt moeilijk, deze lag praktisch bovenaan. Wat zou Eric had opgemaakt hebben uit mijn volgorde van troeven? Ik zocht verder, de zijne was waar deze al heel lang was, praktisch onderaan. Hij leek niets veranderd te hebben in de volgorde. Ik verspilde er verder geen gedachten aan, maar concentreerde me op de kaart van Mandor. Geen contact, zijn troef was ook geblokkeerd. Ik vroeg me af wat dit alles te betekenen had. Mijn kind was afgeschermd, mijn geliefde ook. De wereld die speciaal voor Owen was gevonden, aangepast en beschermd, was totaal vernietigd. Daar moest flink wat Macht voor zijn gebruikt, maar met welk doel?
Er waren een paar dingen die ik kon doen. Verder zoeken naar Owen, ik had het idee dat ik hem zou kunnen vinden met wat moeite. Ik vroeg me af wat er gebeurd was met de valk, of deze nog bij hem was.
Of ik kon mijn vader troeven.
Met enige aarzeling haalde ik diens troef tevoorschijn. Donkerbruin lang haar, gladgeschoren, ietwat scherpe neus en kin. Blauwe ogen en een wit harnas. Ik haalde nog eens diep adem en concentreerde me op de troef. Het contact was er snel.
“Morwenna!”
Ik heb nog nooit eerder zoveel emoties weerspiegeld gezien in zijn gezicht. Boosheid, blijdschap, schrik en bezorgdheid wisselden elkaar af.
“Waar ben je eigenlijk mee bezig?! Waarom doe je dat nou! Je was onlangs in Amber bij de stallen en je troeft me niet eens! Ik ben meteen naar je toe gegaan, maar jij was al weg!” Iets in mijn binnenste roerde zich, nooit eerder had hij me ook maar iets verweten over niet-troeven.
“Sorry,” zei ik. “Ik had je moeten troeven.”
“Ik dacht dat je me niet wilde zien.” Hier schrok ik van. Was het echt zo op hem overgekomen? Dat was mijn bedoeling niet. Ik dacht juist dat hij niet zo op me zat te wachten.
“Dat is het niet,” zei ik. “Het was alleen… nou ja, ik was eerst naar huis gegaan. En dat is voor niets geweest.” Het huilen stond me nader dan het lachen en met geweld drong ik deze emoties weg. Wat was dat nou, ik zou me niet klein laten krijgen.
Julian keek me scherp aan.
“Ik kan je doorhalen,” zei hij voorzichtig.
“Graag,” zei ik. Ik zag dat hij naar buiten liep. Ik pakte Boudicca bij de teugel, Fillipien streek neer op mijn schouder en ik stak mijn hand uit. Julian greep deze en haalde ons door. Hij bleef mijn hand vasthouden terwijl hij me van top tot teen bekeek.
“Je ziet er slecht uit,” zei hij bezorgd. “Je bent een half jaar weg geweest en je komt terug als een wrak.” Ik wist niet wat te antwoorden, wat te doen. En zo hadden we verder kunnen gaan op dezelfde afstandelijke manier als eerder, als hij geen besluit had genomen. Met een lichte aarzeling deed hij een stap naar me toe en omarmde me. Ook ik sloeg mijn armen om hem heen. Dit kwam op het goede moment, het was het enige juiste dat hij had kunnen doen. Mijn vader en ik zijn niet goed met woorden, zeker niet als het om gevoelens gaat. Beiden zijn we terughoudend, ook met aanrakingen. Dus een omhelzing als deze wordt niet licht gegeven.
Ik keek om me heen. Hij had me naar een vestingboerderij in de bossen gehaald, zeer sfeervol en vooral erg rustgevend. Julian, deze keer gekleed in een vale spijkerbroek, een wit T-shirt met de tekst 'yankee go home' en donkergroene sokken in sandalen, aaide Boudicca over haar hals en Fillipien werd door hem in de nek gekrauwd. Beide dieren stonden dit zoals gewoonlijk gewoon toe, het was precies hetzelfde gedrag als zijn dieren naar mij toe vertoonden.
Het paard werd naar de stal gebracht en daar verzorgd. Fillipien vloog op en ging op jacht. Julian pakte me bij een arm en nam me mee naar binnen in het woongedeelte.
Ook de inrichting was sfeervol. Ik was nu in meerdere woningen van hem geweest en eigenlijk straalden ze allemaal een bepaalde rust en sfeer uit. Geen overdadige inrichting, weinig luxe, maar absoluut niet Spartaans of minimalistisch. Veel houtwerk en alles in lichte kleuren. Ik was graag in zijn huizen besefte ik ineens. Net als dat ik me op mijn gemak voelde bij hem in de buurt.
“Wil je wat drinken?”
“Als het niet lastig is, dan thee.” Hij glimlachte even en zette een ketel water op. Intussen keek ik wat rond in de woonkeuken, het was er echt gezellig. Iets dat ik ook tegen hem zei. Verder zeiden we niet veel tot en met dat de thee klaar was en ingeschonken. Dat is ook iets wat ik met hem heb: het gevoel dat ik niet hoef te praten, dat ik gewoon kan zwijgen, zonder dat ik me daarover ongemakkelijk moet voelen. Van mijn moeder heb ik geleerd dat er altijd een onderwerp gezocht dient te worden als er stiltes vallen. Maar ik ben niet goed in het vinden van onbenullige onderwerpen en gelukkig weet ik dat mijn vader daar ook niet van gediend is.
“Hoe was het in Dark End?” vroeg hij. We zaten tegenover elkaar aan de lichte houten tafel, met ieder een dampende kop thee. Ik vertrok mijn gezicht even, twijfelde over wat ik wel en nog niet kwijt wilde. Of kon.
“Niet leuk,” zei ik uiteindelijk. “Het was interessant om even met Eric op te trekken, maar de plaats zelf was verschrikkelijk. Ik hoop er nooit meer terug te hoeven. Het was gewoon vreselijk. Ik droom ervan, het zit in mijn hoofd en ik weet zeker dat ik er iets aan over heb gehouden.”
Hij zei niets, knikte alleen maar en keek me rustig aan. We dronken van de thee. Na een aantal minuten vroeg hij: “Heb je er wel een antwoord gehad?”
“Ja. We kunnen wel verder. Ik moet alles nog op een rijtje zetten, maar we weten nu wel wat de volgende stap moet zijn.” Ik vertelde over zij-die-niet-gezien-willen-worden, dat deze het beste volledig uitgeroeid konden worden zodat het contact tussen hen en de opdrachtgevers verstoord was.
“Ik ben op hun wereld geweest,” zei ik. “Volgens die Ctulhu is het het beste als we die wereld uitroeien. Daarna verder.” Ik huiverde even, ondanks dat het niet koud was. Dat ‘verder’ zou vermoedelijk ‘Overschaduw’ betekenen en daar wilde ik eigenlijk helemaal niet heen.
“Het is trouwens niet alleen Amber dat mogelijk geïnfiltreerd wordt,” vervolgde ik. “Maar ook Chaos.” Julian haalde even zijn schouders op.
“Daar heb ik geen probleem mee,” zei hij kortaf. Weer werd er een poos gezwegen, Julian schonk nog een keer thee voor me in.
“Hoe is het hier?” vroeg ik. Hij maakte een soort van grimas.
“Tja, wat kan ik zeggen. De regering van Deirdre begint uit de hand te lopen. Voor elk probleem heeft ze maar één oplossing: ze stuurt er legers op af. Het begon met Begma en Kashfa, er zou een overleg zijn, maar dat is uit de hand gelopen. Amber heeft nu Eregnor bezet, met tevens een afdeling van het leger in zowel Kashfa als Begma. In andere Gouden Cirkel landen is het hetzelfde verhaal. Er is een groeiende onrust. Zelfs Benedict die een oorlog echt niet uit de weg gaat, heeft zijn vraagtekens geplaatst bij deze situaties, hij zegt dat dit helemaal fout aan het lopen is. Intussen hebben we ook nog te maken met het gestook van Dalt. Als dit zo doorgaat, staat Amber straks helemaal alleen in de Gouden Cirkel.”
“Klinkt zorgelijk. Wordt er niet over gedacht om Deirdre een stapje terug te laten doen of zelfs uit het koninklijk ambt te ontzetten?”
“Zeker wel. Er gaan nu stemmen op om te kijken of Corwin wil.”
“Het zal in ieder geval een verandering zijn.”
Hij zuchtte, leunde achterover in zijn stoel.
“Je bent echt lang weg geweest. Een half jaar. Ik heb me zorgen gemaakt, was bang dat je helemaal niet meer terug zou komen.” Ik was geroerd en verbaasd. Was dit nu mijn afstandelijke, emotieloze vader? Goed, naar mij toe was hij zeker veel minder koel dan naar andere familieleden, maar nu gedroeg hij zich echt emotioneel. En ik had die warmte zo ontzettend nodig – het was niet alleen Dark End waardoor ik me zo onevenwichtig voelde, maar alle problemen van de afgelopen tijd kwamen daar bij.
“We zijn maar heel kort in Dark End zelf geweest,” zei ik zacht. “Maar de tijd daar loopt heel anders ten opzichte van hier. De reis er naar toe en er vandaan was lang en natuurlijk is er tijd nodig geweest om eh… geestelijk te herstellen…” Weer was er een poos van stilte. Ik voelde me een beetje schuldig dat ik hem niets over Eric vertelde, maar die belofte had ik nu eenmaal gedaan.
“Hoe is het eigenlijk met Jurt?” vroeg ik na lange tijd.
“Het lijkt erop dat het goed gaat komen met Jurt,” hij lachte kort. “Ik kan niet zeggen dat het gemakkelijk was, we zijn behoorlijk lang met hem bezig geweest. Niet alleen omdat hij moeilijk ‘vast’ te houden is, maar het is ook erg lastig om magie op hem te doen of juist weg te halen – maar dat wist je al. Uiteindelijk zijn we er in geslaagd om een stuk van zijn geheugen te blokkeren, toen hield dat gedoe in ieder geval op. We hebben geen idee hoelang die blokkade blijft, dat weet je bij iemand als Jurt nooit.”
“Ik ben blij te horen dat je hem hebt kunnen helpen. Wie zijn ‘we’ eigenlijk?”
“Ik heb Bleys erbij gehaald. Het was typisch om een keer met hem samen te werken, apart wel.”
Ik voelde me opgelucht. Niet alleen omdat Jurt was geholpen, maar ook omdat er niet nog meer personen bij betrokken waren. Met Bleys had ik geen moeite, ik wist dat hij me mocht.
“Oh ja,” zei ik. “Dat afbranden van mijn ouderlijk huis en dergelijke, was dankzij Brand.”
“Ik heb het gehoord ja. Brand heeft wat probleempjes sinds een half jaar ongeveer, hij kan op geen één plaats lang blijven. Iemand heeft een serie Chaos bloedhonden op hem afgestuurd.”
“Wat vervelend voor hem,” zei ik bezorgd. Brand was knettergek, hij zou toch niet mij hier ook de schuld van gaan geven? Ook al zat ik er min of meer achter. Julian lachte grimmig.
“Ik vind het niet vervelend voor hem, maar zijn verdiende loon,” zei hij beslist.
Ik schonk deze keer nog eens thee in. Goede sterke thee had hij gezet, precies zoals ik het graag dronk. Ik vroeg me af of ik hem zou vertellen over het antwoord dat ik had gehad van de Fluisteraar. Zou hij me meer kunnen vertellen over mijn moeder? Eigenlijk wist ik maar weinig van haar. Ze had me jaren geleden verteld dat ze het landgoed van een tante had geërfd, een zus van haar moeder. Zelf was ze vroeg wees geworden en bij die tante opgegroeid. Dat alles klonk best aannemelijk toen, nu begon ik de beseffen dat het allemaal wat vaag was. En er was meer. Mijn moeder zag er niet echt oud uit bijvoorbeeld. Voor mezelf had ik al verklaard dat dit mogelijk door haar omgang met Amberieten kwam, er kon echter ook een andere verklaring voor zijn. En dan mijn broer, een jaar jonger dan ik. Daar was ook iets mee, hij was anders dan andere jongens van zijn leeftijd en hyperintelligent. Hij was zeker geen Amberiet, maar toch ‘anders’.
En waarom waren al die Amberieten zo ontzettend aangetrokken geweest door mijn moeder? Zeker vier in heel korte tijd. Ik wist niet wat ik ervan moest denken, ik wilde mijn moeder niet weer aan een kruisverhoor gaan onderwerpen. Niet zomaar tenminste.
“Ik ben meteen naar Owen gegaan toen ik weer terug was,” zei ik uiteindelijk. “Dat was tenminste mijn bedoeling. De wereld waarop hij was is vernietigd, er is een schaduwstorm. Mijn pogingen hem te vinden worden geblokkeerd. Ik heb geprobeerd Mandor te troeven, maar troefcontacten naar hem zijn ook geblokkeerd.” Julian knikte.
“Ik weet het,” zei hij.
“Kun je me meer vertellen?”
Hij keek bedachtzaam naar de beker die hij in zijn hand hield en toen naar mij. Hij nam me vorsend op.
“Ik weet wat er aan de hand is, alleen niet of het verstandig is je meer te vertellen,” zei hij rustig. Dit was een antwoord waar ik geen genoegen mee nam en ik vermoedde dat hij dat ook wist.
“Vertel me meer. Ik denk niet dat ik daar nog meer problemen door krijg.” Nu was ik het die hem nauwlettend opnam. Hij dacht een poosje na en leek wat te overwegen voordat hij antwoord gaf.
“Je aanstaande is verantwoordelijk voor die schaduwstorm. Ik heb begrepen dat dit alles een preventieve maatregel is . Vrij kort nadat jij weg was kreeg ik een bericht van hem. Hij moest onderduiken en zou een tijd onbereikbaar zijn, maar ik moest me geen zorgen maken. Ik denk dat het bericht voor jou bedoeld was.”
Dat dacht ik ook. Het zou Julian een rotzorg zijn waar Mandor zat en of hij al dan niet bereikbaar zou zijn. En dat wist Mandor ook, dus hij zou nooit een dergelijk bericht aan Julian zelf hebben gestuurd. Het luchtte echter iets op, een klein beetje maar. Het betekende dat hij Owen en zichzelf in veiligheid had gebracht. Maar dat betekende ook dat er veel meer speelde.
“Hij moet een goede reden hebben gehad voor dit alles,” zei ik.
“Dat had hij.” Door dit antwoord kreeg ik het idee dat mijn vader meer wist, maar niet kwijt wilde. Ik vermoedde dat het was om me te beschermen, niet om me onwetend te houden.
“Er is ook een uitnodiging van Chaos geweest voor jou om daar gechaperonneerd met iemand te komen praten. De uitnodiging is inmiddels verlopen, je was weg, maar ik vermoed dat er binnenkort een nieuwe zal komen. Deirdre heeft nog geen ruzie met Chaos.
Verder heeft Caine een plan, ik begreep dat het af was. Benedict is daar ook in betrokken.”
“Mooi,” zei ik. “Ik neem aan dat we binnenkort te horen zullen krijgen hoe en wat.” Ik vertelde hem niet dat ik al een stukje wist van het plan, ik was gewoon benieuwd om het geheel te horen van Caine. Ook wist ik nu dat ik steun had in deze zaak van mijn vader, ook al was het duidelijk dat hij Mandor niet mocht, hij noemde hem niet één keer bij naam. Mijn vader is heel eerlijk, hij zal niet net doen of hij iemand mag als dat niet zo is. Tevens was het helder dat hij de acties van Mandor wel terecht vond omtrent Owen en de schaduwstorm.
“Verder zijn er aan de rand van Arden nogal wat incidenten momenteel met een nieuwe generatie van Chaosieten die zich komt bewijzen. Hoogst irritant. En de oude Sawall ligt nu al een hele poos op sterven.”
“Ha, de oude Sawall zeg je?” zei ik grimmig. “Ik kan je vertellen dat hij niet dood zal gaan, niet echt in ieder geval. Gramble Sawall is niet oud of seniel of wat dan ook.”
“Oh, zit het zo. Dat verklaart heel veel.”
“Wat dan?”
“Dat vertel ik je nog wel. Als je wilt, kun je hier een poos blijven.” Ik keek om me heen, hier zou ik graag een poosje blijven.
“Dank je, heel graag. Ik heb toch geen huis meer,” zei ik met wat cynisme. Hij keek bezorgd.
“Dat komt wel weer.”
“Ach, het is maar een huis. Niet echt belangrijk dus.”
Subscribe to:
Posts (Atom)