Showing posts with label Fiona. Show all posts
Showing posts with label Fiona. Show all posts

Mandor's zus

Dag twee.
De tweede dag van jouw bewusteloosheid is zojuist voorbij gegleden. Net nog heb ik naast je gelegen in het bed, je gestreeld en tegen je gepraat. Ik heb geleerd dat het goed is om te praten tegen mensen die buiten bewustzijn zijn, dat ze het onbewust toch allemaal horen. Is dat zo? Is alles wat ik tegen je gezegd heb niet voor niets geweest? Ik weet niet eens precies waar ik het over gehad heb. Over gewone dingen, zoals het verloop van de dag. Maar ook over belangrijke dingen, over ons, over ons gezin. Maar praten tegen iemand die niets terug zegt is voor iemand als ik moeilijk vol te houden, zelfs als jij het bent. Misschien daarom dat ik aan tafel ben gaan zitten en mijn schrijfspullen tevoorschijn hebt gehaald. Op papier kan ik soms beter mijn gedachten verwoorden, omschrijven wat er bij mij leeft.
Ik weet dat je het niet gemakkelijk hebt met iemand zoals ik, met iemand die terughoudend en gesloten is en het moeilijk vindt om bepaalde gevoelens uit te spreken. Nu lig je hier, het is stil, de nachtzuster is net geweest om je te controleren en te vragen of alles naar wens was. Ik heb geantwoord dat alles in orde was. Natuurlijk heb ik dat, ze verwacht niet anders. Maar het is niet naar wens. Ik bedoel, je zult dit overleven, je zult bijkomen en je wonden zullen genezen. We horen hier echter niet te zijn. Niet jij in een ziekenhuisbed en ik ernaast, continu over je wakend. Ik weet wat men van me denkt. Ze zeggen het niet recht in mijn gezicht, maar ik zie het aan hun blikken. Men vindt dat ik overdrijf, dat ik je overheers, dat ik overbezorgd ben. Ze begrijpen er helemaal niets van. Niets van mijn angst wat er kan gebeuren als ik je alleen laat terwijl jij niet bij bewustzijn bent. Ze begrijpen helemaal niet dat, als jij geen controle hebt over jezelf, ik degene ben die dat dan over wil nemen. Ik wil gewoon niet dat er dingen gebeuren waarvan ik zeker weet dat jij die niet wilt. Wie anders kan er dan voor jouw belangen opkomen dan ik? Daarbij… Ik voel me zo machteloos als je daar ligt, als je afhankelijk bent van de hulp en zorg van anderen. Wat kan ik dan anders doen dan in ieder geval bij je te blijven, tot zelfs in de operatiekamer toe en over jou te waken? Wie is er anders die een beetje voor jou zorgt en op je let?
Ik weet het, mijn lief, dat het heel moeilijk voor je is om dit te accepteren. Andersom lijkt het voor jou vanzelf te spreken, je bent er altijd voor mij, en dat is al van onze eerste ontmoeting af aan het geval. Misschien laat ik het me te veel aanleunen, maar de waarheid is dat ik je nodig heb, dat ik jouw liefde nodig heb. Zonder jou voel ik me niet compleet.
Ooit heb je me gevraagd wat het is om van iemand te houden, of je dat zou kunnen leren. Je zei zelfs dat er nooit iemand was geweest die van jou had gehouden. Hoe is dat nu? Op papier kan ik dat rustig vragen, waarschijnlijk laat ik je dit toch niet lezen, ben ik bang dat je me raar zult vinden. Dus ik vraag het je gewoon nog eens: in hoeverre is het van invloed dat ik nu al zo’n 17 jaar - of is het langer? Het is me nog steeds niet duidelijk hoe lang het verblijf in Tir-na Nog’th heeft geduurd - van je hou? Ik zeg het niet iedere dag, niet iedere week en volgens mij zelfs niet eens elke maand. Ik heb het je daarnet nog verteld, terwijl ik naast je lag en je gezicht streelde. Maar wat heb je eraan? Het zijn maar woorden en je bent buiten bewustzijn, dus naar alle waarschijnlijkheid heb je dit niet eens gehoord.
Om terug te komen op je vraag van lang geleden: ik kan niet goed uitleggen wat het is. Er zijn zoveel schrijvers en dichters geweest die getracht hebben om dit onder woorden te brengen en er is er niet eentje die precies dat omschrijft wat ik voor je voel.
Iets ervan heb ik eerder beschreven, jij bent degene die me compleet maakt. Voor jou heb ik gevoelens die ik voor niemand anders koester op deze manier. Jij gaat me voor alles, voor jou zou ik ook alles op kunnen geven. Maar juist omdat je me dit niet vraagt, maakt mijn liefde voor jou alleen maar dieper. Houden van laat zich niet omschrijven, het is een allesoverheersend gevoel, een zeker weten dat verder gaat dan heel veel om je geven. Dat is iets wat ik je niet kan leren, dat is iets wat niemand aan een ander kan leren. Je zult dat helemaal van jezelf moeten leren. En als je dat niet kan, dan kan ik dat begrijpen, want wat zijn 17 jaren nu in jouw leven van vele eeuwen?
Ik weet zeker dat onze kinderen van je houden, ieder op zijn of haar eigen manier. Vandaag zijn ze hier allemaal geweest. Het begon met Bryana - uiteraard - die in tranen was en ervan overtuigd was dat ik iets achterhield, dat je dood aan het gaan was en we daarom niet naar huis kwamen. Ik heb haar moeten doorhalen om haar te kunnen troosten en zodat ze je met eigen ogen kon zien. Ze heeft lang aan je bed gezeten, je hand vastgehouden en je van alles verteld. Ik vraag me soms af hoe ze steeds weer onderwerpen weet te verzinnen om over te praten, maar het gaat zo natuurlijk bij haar, ze hoeft nooit te zoeken naar gesprekstof. Raar om te weten dat dat uit de familie van mijn moeder komt, toch ook een Amber - Sawall combinatie
Na Bryana was het Essilt die troefde. Ze is zo anders dan haar zus… Essilt vroeg of er bepaalde bezoektijden waren, zij en Iestyn wilden je komen bezoeken, maar niet als dat heel lastig zou zijn. Julian schijnt tegen de kinderen gezegd te hebben dat ze beter thuis konden blijven, dat jij niets zou hebben aan een bezoekje van hen. Ik denk dat hij het goed bedoelde, maar zo’n opmerking keert al onze kinderen dwars.
Ik heb Essilt gezegd dat ze allemaal meer dan welkom zouden zijn, dat jij hun belangstelling naar waarde zou weten te schatten. Nu hoop ik dat jij dit ook werkelijk kan doen, liefste. Ik weet namelijk heel goed dat jij het niet echt geweldig zal vinden dat de kinderen je bewusteloos hebben gezien. Maar je bent hun vader, zij hadden er juist heel veel behoefte aan om je te zien.
Essilt nam al haar broers mee. Randal was een tikje verontwaardigd dat Bryana er al was, ik geloof dat hij stiekem vond dat hij de eerste had moeten zijn.

Ze worden zo groot, onze kinderen. Bryana is al dertien en een half. Ik denk dat zij de kleinste zal blijven van het hele stel. Dan Iestyn… ik zag vandaag dat hij net zo lang als Randal is inmiddels en hij is net pas vijftien geworden. Randal en Owen zullen niet meer zo veel groeien, maar Iestyn is nog niet uitgegroeid en de oudste twee zullen niet zoveel langer worden meer. Het zou kunnen dat Iestyn zelfs langer wordt dan jij. Het is niet voor te stellen dat hij en Essilt zulke kleine ukken waren bij hun geboorte. Essilt, die inmiddels langer is dan ik. Ik ben boven het hoofd gegroeid door vier van onze kinderen. Onvoorstelbaar. Ik weet dat we zo’n beetje hebben afgesproken om eerst deze vijf groot te brengen, maar de laatste jaren verlang ik er soms naar om opnieuw een baby te mogen krijgen. Om eens de mogelijkheid te hebben om helemaal te kunnen genieten van zo’n kleintje, om het in alle rust te kunnen zien opgroeien… ach, het zijn maar dromen, ondertussen ben ik maar wat trots op onze vijf kinderen en zou ik het, ondanks alle drukte die dat me zich meebrengt, zo weer op precies dezelfde manier doen. Nou nee, één ding zou ik anders doen. En dat is jou betrekken bij de zwangerschap van Owen. Als ik iets over kon doen, zou het dat zijn.

Ja, het was druk, ook al gedroegen ze zich vrij rustig. Ach, je weet hoe dat gaat. Essilt zegt nagenoeg niets, Iestyn en Owen ook maar weinig. Het meeste werd er gepraat door Randal en Bryana. Zoals gewoonlijk. De verpleging die jou kwam checken vond het te druk voor jou, comateuze patiënten mogen niet meer dan 2 bezoekers ontvangen. Ik heb gezegd dat dit bezoek voor jou niet te druk was, dat het voor jou goed was om je eigen kinderen te kunnen horen.
De verpleging was geschokt. Ik denk dat ze niet konden geloven dat dat stel bijna-volwassenen jouw kinderen zijn. Ze zouden eens moeten weten hoe oud je werkelijk bent…
Toch heb ik na een bepaalde tijd de kinderen maar weer naar huis gestuurd en nog heel even met mijn vader gepraat. Zoals vaker heeft hij nu ook de zorg op zich genomen voor de kinderen. Je moet in ieder geval de groeten van hem hebben (en dat meende hij).
De lynx… je weet wel, die lynx… ze zit hier en houdt me gezelschap. Ze wilde zelfs niet mee met Owen, ze blijft gewoon constant bij me. Zo’n eigengereid dier heb ik nog nooit gehad, ook Fillipien is ietsje gezeglijker. Je zult er geen last van hebben, ze blijft ver uit je buurt.
Ik vind het wel prettig, dat kattengezelschap. Ik hoef namelijk niet veel meer te doen dan er te zijn en haar af en toe onder de kop te krauwen. Dat is toch anders dan de andere dieren, die verwachten dat ik dingen met ze onderneem. Katten zijn echt anders. Dat heb ik al gemerkt aan de kat van Essilt, maar dat is echt haar kat.
Ik heb alleen nog geen naam voor de lynx. Misschien moet ik er jou één laten kiezen? Wat dacht je van Tanner, Flo of Mika? Hmm, is het niet belachelijk dat ik in gedachten met jou de naam voor een DIER aan het bespreken ben?

Terug naar serieuze dingen. Waarom ik deze brief aan jou aan het schrijven ben bijvoorbeeld. Het geeft me iets te doen. Ik heb net koffie gehaald uit de automaat in de gang hier tegenover. Van jouw kamerdeur af is dat zes stappen lopen. De leeskamer, waar een stapel tijdschriften ligt met weinig interessante onderwerpen - en volgens mij zijn dat zo’n beetje dezelfde magazines die ze jaren geleden hier ook hadden - ligt hier zo’n vijftig meter vandaan. Jouw kamer is erg rustig gelegen, ruim, heeft een eigen badkamer en wc, een internet verbinding en een televisie. Regelmatig komt er iemand van de keuken langs om te vragen wat ze me te eten kunnen brengen en ik heb ze ook rauw vlees voor de lynx laten brengen. Het heeft zijn voordelen om een VIP kaart te hebben. Ze accepteren zelf de aanwezigheid van de lynx, al vermoed ik dat we deze keer gevarentoeslag zullen moeten gaan betalen.
Daarstraks heb ik via internet een aantal boeken, kleding en wat verzorgingspullen voor ons beiden besteld en het per express laten bezorgen. Zo nu en dan tracht ik een stuk te lezen in de nieuwste reisverhalen van Lady Hester Lucy Stanhope, maar ik kan mijn hoofd er niet helemaal bij houden. Dan moet ik weer je hand vast houden of even naast je komen liggen. En jij… je blijft maar buiten bewustzijn. De doktoren zeggen dat dit nog wel een week zou kunnen duren. Ik denk, ik hoop, dat ze ongelijk hebben.

Misschien zou ik moeten gaan slapen. Het is weer diep in de nacht. Daarnet heb ik nog bij je gelegen en je allerlei dingen in je oor gefluisterd. Je hoort me niet, je merkt niets van mijn aanwezigheid. Misschien overdrijf ik inderdaad en het advies van de verpleging moeten opvolgen om thuis te gaan slapen. Ze zullen me bellen zodra er verandering is. Het deed me even grijnzen. ‘Even een telefoontje naar Gormenghast’. Maar ik had natuurlijk een hotel in de buurt kunnen boeken. En dan? Het zal daar niet anders zijn dan hier rond te hangen en hier ben ik tenminste bij jou. Stel dat je wakker wordt en ik ben er niet eens bij? Ik moet er niet aan denken. Ik durf al nauwelijks te gaan slapen in het bed dat ze hier zo netjes voor me neer hebben gezet. Ik heb het bed daarnet tegen het jouwe aangezet. Ik wil zo dicht mogelijk bij je zijn.


“Wat is de bedoeling van dat beest?” Mijn echtgenoot keek lichtelijk bezorgd. “Hij hangt nogal bij je rond, je gaat die toch niet ook nog mee naar huis nemen?”
“Het is een zij,” antwoordde ik. “Aangezien ze bij me hoort, zal ze dus inderdaad mee naar huis komen straks. Ik denk dat het een lynx is.”
“Het is een lynx,” mengde mijn vader zich in het gesprek. “En junglelynx om precies te zijn. Die hebben een aantal kenmerken, onder andere toefjes aan de oren.”
Ik knikte enthousiast.
“Dat was precies waaraan ik de kat herkende.”
Mandor zuchtte, Julian ook. Beiden om een andere reden wist ik.
“Nou ja, Owen zal er wel weer mee in zijn sas zijn,” legde Mandor zich er al bij neer. “Neem een beest mee naar huis en die jongen is oneindig gelukkig.”
“Ik vind toch dat jouw kennis over jungledieren te wensen overlaat, Morwenna,” zei mijn vader. “Ik durf te wedden dat je de andere kenmerken van en junglelynx niet weet.”
“Katachtig?” probeerde ik.
Mijn vader keek geërgerd.
“Daarstraks beweerde je een hert te hebben gezien. Die komen niet in de jungle voor. Ik vermoed dat je een antiloop hebt gezien en dat is echt iets heel anders. Ik denk dat het tijd wordt dat we weer een poos samen door Arden moeten trekken.”
“Komt niks van in,” zei Mandor. “Moet ik zeker weer mijn vrouw maanden lang missen. Ik voel daar niets voor.”
“De vorige keer is jaren geleden en ik meen me te herinneren dat ik mijn dochter regelmatig kwijt was omdat ze even naar huis troefde. Zat ik daar weer in mijn eentje op haar dieren te passen.”
“Dat zag ik inderdaad als een voordeel, dat die beesten weg waren thuis,” grinnikte Mandor.
“Het lijkt me leuk om weer eens mee te gaan,” zei ik tegen Julian. “Mijn echtgenoot en ik zullen uitzoeken wanneer hij veel thuis kan doen en ik een poos achter elkaar weg kan blijven.” Ik greep de arm van Mandor en trok hem tegen me aan. “Je moet er wel rekening mee houden dat ik met deze man getrouwd ben en graag op regelmatige basis bij hem ben. Bovendien hebben we samen vijf kinderen en die zie en spreek ik ook graag.”
“Al goed,” verzuchtte mijn vader. “Je wilt wel met me optrekken, maar op jouw condities. Ik begrijp alweer wie van ons jouw voorkeur heeft.” Hij stond op en verdeelde het laatste restje wijn tussen ons drieën. Daarna schepte hij het restant stamppot uit de pan en begroef dat. Vervolgens keek hij wat hulpeloos naar de pan en de fles. Mandor grijnsde, concentreerde zich en korte tijd later was er niets meer over van de fles en de pan. Wel was de aanwezigheid van Logrus even duidelijk te voelen
“Dat heeft hij best goed gedaan, die zoon van ons,” zei Mandor met iets van trots in zijn stem. “Geen enkel probleem om hier iets met Logrus te doen.”
“Ik kan me nog nauwelijks voorstellen dat dat onbesuisde jongetje van vroeger in staat is om een hele Schaduw mee te helpen opbouwen,” zei Julian.
“En hij is er goed mee,” zei ik. “Of wordt er goed mee. Hij gebruikt Logrus niet lomp, zoals sommige anderen, maar heel rustig en beheerst.” Ik keek Mandor aan en glimlachte naar hem. “Hij gaat ermee om zoals jij.”
“Ik ben hem aan het trainen,” zei Mandor tegen mijn vader. “Randal heeft een hele goede aanleg voor Logrus. Bij de tweeling zie ik dat trouwens ook, dat betekent dat er nog maar twee kinderen over zijn voor jullie Patroon.” Hij gaf me plagend een duwtje, stond op en hielp mij ook overeind. Met zijn drieën liepen we terug naar de anderen die geduldig hadden staan wachten tot we uitgegeten zouden zijn.

Voordat we de piramide binnen zouden gaan, waarschuwde ik de anderen om er niet te klooien.
“Waarom neem je ons dan mee?” Fiona, een tikje geërgerd. Een aantal jaren geleden zou ik meteen zijn dicht geklapt na een dergelijke opmerking van haar kant, maar sinds het project M waren er dingen veranderd.
“Om te bekijken. Om jullie input te horen. En omdat het iets is dat buiten mij bekende machten valt.”
“Redelijk genoeg,” mompelde ze.
De toegang ging gemakkelijk open, ik leidde het gezelschap de gang door naar de enorme hal met het gat waar de trap langs de wanden naar beneden liep.
“Het is grappig hoe je perceptie soms anders kan zijn,” merkte ik op. “Toen er nog geen piramide omheen zat, had ik het idee dat de trap omhoog ging.”
“De stenen van de piramide schermen de macht af,” zei Fiona peinzend. “Met Patroon is deze plaats niet te vinden.”
“Met Logrus ook niet,” zei Mandor. “Daarstraks buiten was er niets te voelen van dit geheel. Om er te komen zul je van het bestaan ervan moeten weten.”
Fiona keek hem een beetje verstoord aan, vermoedelijk was hij haar in de rede gevallen. Mandor keek stoïcijns terug.
“Het is in ieder geval een waardevol geschenk geweest van Oberon aan Morwenna en jullie zoon,” zei ze een beetje stijfjes tegen hem. “Een manier om terug te komen in hun eigen tijd.”
“Ik ben hem zeer dankbaar,” zei Mandor koel.
“Is dit alles?” vroeg Rhexenor. Hij was de hal doorgelopen en keek in het gat. “Een piramide om een trap heen gebouwd… ik zie niet in waarom wij erbij gehaald moesten worden.”
“Je wilde zelf mee,” zei Fiona scherp. “Morwenna vroeg aan mij om te komen kijken, ik was op dat moment met jullie ergens aan het eten en ik heb jullie gevraagd of jullie belangstelling hadden.”
“Ik wist niet eens waar het om ging,” zei Rhexenor verontwaardigd. “Als ik dit had geweten, was ik wel iets anders gaan doen.”
“Je kunt dat nog steeds doen,” zei ik. “Je kunt naar buiten gaan, ongeveer een mijl van de piramide af werkt Troef weer.” Verder sloeg ik geen acht op hem, maar liet ik zien hoe het gezicht verscheen door een Troef te pakken.
“Uw Troeven zullen hier niet werken. Ik ben de wachtster van deze plaats.”
Mandor begon te lachen, ook de anderen stonden te grinniken.
“Wat?” vroeg ik gepikeerd.
“Je herkent dat gezicht echt niet?” vroeg Mandor. “Dat ben jij.”
“Je meent het,” zei ik verbijsterd en testte het uit door nog eens een Troef te pakken. Het gezicht verscheen opnieuw en herhaalde de woorden. Ik staarde naar de verschijning van de vrouw en kon met moeite iets van mijn eigen trekken herkennen.
“Is dat zoals anderen me zien?” vroeg ik. “Wat erg!”
Mandor had toe staan kijken met eenzelfde uitdrukking in zijn ogen als eerder naar de beelden. Hij vestigde zijn blauwe ogen op mij en glimlachte.
“Mooi juist,” zei hij met iets van trots. “Jouw beeltenis is hier gebruikt om als wachtster te fungeren. Ik mag dat graag zien.”
Ik liep naar hem toe en pakte zijn hand.
“Meen je dat echt?” vroeg ik een beetje onzeker.
Hij pakte mijn andere hand ook vast en keek me strak aan terwijl hij nauwelijks merkbaar knikte.
“Hey, get a room!” riep Martin. Mandor en ik lieten elkaar haastig los, toen besefte ik dat dat belachelijk moest overkomen en ging tegen mijn man aan staan. Hij sloeg een arm om me heen.
“Ik ga iets anders proberen,” zei ik.
“Ik dacht dat je zei dat er niet geklooid mocht worden,” zei Flora.
“Dat doe ik niet. Ik ga alleen wat Patroon proberen.”
Mandor liet me los en ik liep een paar stappen door de hal terwijl ik me begon te concentreren op Patroon, me voorstellend dat er vast wortels van planten tussen de stenen zichtbaar moesten zijn.
“Uw Patroonmacht werkt hier niet. Ik ben de wachtster van deze plaats.”
Ik wees de anderen erop dat het gezicht en de stem steeds weer wat anders leken te zijn. De anderen mekten dit ook op. Ik vroeg aan Rhexenor of hij iets kon proberen met zijn Macht. Het duurde even voordat hij door had wat ik bedoelde, het duurde nog langer voordat hij bereid was om mee te werken, ondertussen was de verschijning nog eens geweest met de opmerking dat Logrusmacht hier ook niet werkte.
Uiteindelijk gaf Rhexenor toe en ‘Morwenna’ vertelde hem dat Feniksmacht niet werkte. Dat was de enige tekst die de verschijning leek te hebben, erg intelligent kwam deze wachtster niet over.
“Een goede kopie van mij,” moest ik toegeven, hoewel het natuurlijk ergens een beetje stak. Ik bedoel maar, als je beeltenis toch gebruikt moet worden om iets te bewaken, is het toch wel prettig als deze een beetje intelligent overkomt, nietwaar?
Er kwam verandering in toen Fiona een spiegeltje uit haar handtas haalde. Deze keer verscheen de hele gestalte en zelfs ik zag dat de kleding die ze droeg zeer ouderwets was.
“Op dit moment kunnen deze spiegels niet worden toegestaan.” Deze keer verdween ze niet, maar bleef staan.
“Waarom niet?” vroeg Fiona.
“De juiste aanspreektitel is ‘Wachtster.’ Dan zegt U: ik heb de volgende vraag.”
Iedereen was even stil, ik stond met verwondering naar mezelf - maar toch zo anders dan ik - te kijken.
“Jouw beurt,” mompelde Martin en gaf Ronardo een duw. “Je aanleg voor zwammen, je weet wel.”
“Waarom ben je hier?” vroeg Ronardo aan de Wachtster.
“Uw vraag begint met ‘waarom,’” zei de Wachtster. “Sorry.”
Ronardo en Rhexenor begonnen te gniffelen en mompelden iets over intelligentie. Vervolgens maakten ze een aantal opmerkingen tegen de Wachtster waarbij ze mij in ieder geval duidelijk wisten te maken dat zij daar ook niet rijkelijk mee bedeeld waren. De opmerking van de Wachtster: “Enig respect voor deze plaats is gerechtvaardigd,” was daarom zeer terecht, maar beide heren kregen dit niet zo mee.
We stelden wat vragen, op bijna alle vragen antwoordde ze met ‘sorry’. Allen op een vraag van mij kreeg ik iets van antwoord, namelijk dat ze niet precies wist hoe de piramide om deze machtsplaats heen was gekomen.
De Wachtster verdween toen Fiona de spiegel weer in haar tasje stopte.
“Deze plaats werkt dus met Heironmacht,” merkte ze op.
“Erg leuk, maar wijzer worden we er niet van,” mopperde Martin. “Als deze plaats al een bepaalde intelligentie heeft, is deze niet erg groot.” Al mijn neven keken daarop verwijtend naar mij, alsof ze vonden dat de Wachtster mij representeerde.
“Dit is geen Morwenna,” meende Mandor het voor me op te moeten nemen. “Haar beeltenis is alleen maar gebruikt om vragen te kunnen beantwoorden.”
“Wat voor vragen moeten we dan aan haar stellen?” vroeg ik hem. “Tenslotte ben jij degene die verstand heeft van het omgaan met demonen en die schijn je ook nogal specifiek te moeten ondervragen.”
Hij lachte.
“Dit is geen demoon natuurlijk.”

Ik heb net getracht om te slapen, maar zoals vaker kreeg ik de slaap niet te pakken. Dus nu zit ik weer aan tafel, met een dampende kop koffie naast me te schrijven. Af en toe werp ik een blik naar jou. Je ligt nog steeds stil en bleek in je bed, de situatie is onveranderd.
Ooit vertelde je me dat je het soms moe was om de enige expert te zijn op gebied van demonen. Dat je eigenlijk had gehoopt om je kennis op één van je zonen of dochters over te kunnen dragen. Voor het eerst sprak je je teleurstelling uit over het feit dat het niet de zoon zou zijn waar je al wel wat op gerekend had. Je gaf mij min of meer de schuld, herinner je je dat nog? Het zou niet gaan omdat ik Owen al verpest had met al die ‘beesten’. Jouw woorden, niet de mijne. De laatste tijd zeg je echter steeds weer dat desondanks Owen toch heel geschikt is om je kennis aan over te dragen vanwege zijn gelijkmatige karakter. Ik denk dat je het gewoon moet doen. Ik denk dat Owen dat best aan kan en het waarschijnlijk interessant zal vinden. Iestyn is er immers ook goed doorheen gekomen. Ik weet zeker dat je vader niet weet op welk kind je nu je kennis hebt overgedragen, ik krijg de indruk dat hij vermoedt dat het Randal is. Maar hoe lang zal het duren voordat Gramble uit zal vinden wie je in de leer hebt? Hoe denk je dat geheim te blijven houden?


“Maar je hebt wel verstand van het informatie verkrijgen uit wezens met minder intelligentie,” drong ik aan.
Hij begon harder te lachen.
“Ik vind dit gewoon grappig, het doet me denken aan de tijd dat ik nog jong was.”
Mijn vader begon zich te ergeren.
“Fijn dat je wat jeugdherinneringen hebt, maar misschien zou je gewoon kunnen zeggen hoe we haar vragen kunnen stellen.”
“Dat is niet moeilijk, Morwenna had net een vraag waar antwoord op kwam.”
Ik dacht na, maar kon me met geen mogelijkheid meer herinneren welke vraag dat precies geweest was.
“Je zou het ook gewoon kunnen zeggen, in plaats van de draak met me steken,” zei ik korzelig.
“Je bent anders de enige die… ach, laat ook maar. Je begon je vraag met ‘Hoe.’”
Ik vroeg aan Fiona of ze de spiegel weer tevoorschijn wilde halen. De neven mopperden, ze werden toch niets wijzer van de Wachtster. Ik stelde voor dat ze zouden gaan, maar om mij onbekende redenen wilden ze toch blijven.
De Wachtster verscheen weer en Ronardo onderwierp haar aan een spervuur van vragen. Dat typeert deze neef, eerst een hoop gepruttel en dan blijkt hij het toch wel interessant te vinden. De ‘Hoe’ vragen werden inderdaad beantwoord, indien mogelijk. Ze wist wat zijn naam was, al moest ze er even over nadenken. Deze plaats had geen naam en ze wist niet hoe de Heiron Macht er was gekomen. Toen Ronardo een ‘hoeveel’ vraag stelde, deelde ze mee dat ze voortaan gaan vragen meer zou geven op vragen die daarmee begonnen. Ronardo keek beteuterd, achter me hoorde ik Mandor opnieuw grinniken.
“Ze leert,” zei hij tevreden.
Ik vroeg zonder nadenken wat de reden was dat de piramide hier stond. Zowaar kreeg ik een antwoord: de piramide beschermde deze plaats.
“’Wat’ vragen werken ook,” zei ik opgewekt. “Hoe en Wat dus.”
Ronardo ging verder met een aantal domme vragen, op een bepaald moment zei de Wachtster zelfs dat zijn vragen nergens op sloegen. Iets wat Mandor mateloos vermaakte. De Wachtster stak haar ergernis wat Rhexenor en Ronardo betrof niet onder stoelen of banken, Rhexenor zat vol met grappen die Martin en Flora leuk leken te vinden, maar de Wachtster niet echt kon waarderen. Ze leek steeds slimmer te worden.
“Het zijn dus Hoe en Wat vragen waar ze op antwoordt,” zei Mandor tegen de anderen.
Ik ergerde me een beetje, dat had ik net toch ook gezegd?
“Klopt,” zei hij zacht. “Maar zo te merken was ik de enige die het hoorde, dus ik heb het nog maar eens in de groep gegooid.”

Soms, een heel enkele keer, kan ik me ergeren aan je wat patroniserende gedrag. Dan voel ik me je mindere, dan voel ik echt het enorme leeftijdsverschil ineens, dan heb ik het idee dat je me dom en naïef vindt . Jij met al je levenservaring tegenover mijn onnozelheid. Ik weet dat dit gevoel onterecht is. Ik weet dat je zoveel om me geeft, dat het je ergert als anderen me negeren, als anderen om mijn onzekerheid moeten lachen. Je neemt het voor me op, je steunt me altijd, je bent er altijd voor mij. Ik hoop dat je weet dat ik er ook voor jou ben. Altijd en eeuwig.

Ik ging op mijn tenen staan en kuste hem. Hij is een goede man. Daarna besloot ik dat de anderen genoeg onbenullige vragen hadden gesteld, maar het was vooral irritant dat ze de antwoorden van de Wachtster ofwel negeerden, ofwel niet goed begrepen. Op een bepaalde manier was er inderdaad gelijkenis tussen mij en de Wachtster van deze plaats. Ik vroeg me af waarom mijn neven vragen stelden over hoe ze met geweld langs haar heen konden komen - dat was niet mogelijk, zei ze - en waarom ze niet hadden gehoord dat zij hen kon gidsen, instructies geven en hun vragen kon beantwoorden.
Ze wist niet hoe ze hier gekomen was. Jammer. Wat het geven van instructies betrof: die zou ze geven als het te pas kwam. Niet van tevoren al een hele lijst. Logisch.
“U kunt deze plaats zien als Het Archief,” zei ze op mijn vraag. “Als u de trap afdaalt kunt u, afhankelijk van wie u bent, deuren openen en gebeurtenissen zien.”
“Hoe kun je in de toekomst zien?” vroeg Ronardo.
“Dat is niet mogelijk.”
“Wat zijn de mogelijkheden?”
“U kunt de archieven bekijken.”
“Kunnen we de archieven bekijken door hier de trap af te dalen?” vroeg ik. Het was geen Hoe of Wat vraag, toch kreeg ik antwoord.
“Dat is inderdaad de manier. Ik zal U begeleiden en indien mogelijk instructies geven.”

Iedereen wilde archieven gaan bekijken en ik ging als eerste. Zodra ik een voet op de eerste tree had gezet, zag ik alleen nog maar de trap die naar beneden wentelde en niets meer van de anderen. Naast me liep mijn beeltenis in haar ouderwetse kleding. Er was weer iets aan haar veranderd, ze reageerde nu op alle soorten vragen en was inmiddels behoorlijk pienter.

“Je had mij kunnen troeven in plaats van mijn vader,” heeft Caine gezegd toen ik - jaren geleden alweer - eens bij hem was om te vragen welke Amberiet er mogelijk achter de aanslag op onze kinderen zat.
“Ik had jou wel naar je eigen tijd weten te krijgen denk ik. Tenslotte kan ik de spiegelzaal in Amber altijd vinden.”
Dat is nu het vreemde, mijn lief. Stel dat ik dat gedaan had en het Caine gelukt was om ons terug te krijgen naar onze eigen tijd door middel van die spiegelzaal. Stel dat… dan waren we daar nooit in die piramide geweest zoveel jaar later. Dan zou jij hier nu niet liggen. Dan zou je ook je zus nooit gevonden hebben - niet op deze manier althans. Alles had heel anders kunnen zijn, maar het is zo gelopen omdat ik er indertijd voor koos om er Oberon bij te halen.
Stel dat het Caine was geweest. Caine in zijn jonge jaren met toen al een diepe haat voor Chaosieten en vooral de Sawalls… ik vraag me toch af… zou hij onze zoon hebben laten leven?


Ze vroeg me wat ik wilde zien. Ik wilde weten hoe mijn overgrootmoeder, Lorrayne, verdwenen was. We moesten een flink eind de trap af en daar werd ik op een deur gewezen die ik opende.
Ik keek een ruimte in die ergens in Rebma was. Een jonge knappe vrouw met felblauwe ogen, zwart haar en met bekende Ambertrekken was bezig met een lege lijst, het leek erop dat ze steeds een nieuw stuk glas conjuurde en dat in de lijst paste. Ze was een spiegel aan het maken. Ik stond met haar in één ruimte en ze hoorde of zag me niet.
De deur ging open en er kwam een jonge man binnen. Hij kwam op me over als een beetje een fatje, misschien was het de mode van die tijd? Ongeveer 1 meter 75 lang, nette kleding aan, witblond haar, knap en een beetje stijfjes. Oh ja, ik herken een Sawall wel als ik er eentje zie. Maar een Sawall in Rebma?
“Zullen we dan maar voordat je vader hier is?” zei hij.
Ze knikte, stopte waar ze mee bezig was en gaf hem een hand. Samen liepen ze de kamer uit, gevolgd door mij. Ze liepen een aantal gangen door en gingen helemaal naar het oude gedeelte waar toen het luik nog niet gesloten was. We liepen door de zaal met de troon en daar waar wij eerder linksaf gingen, gingen zij rechtsaf. Bij een paar grote metalen deuren waren aan weerszijden de beelden van een tweetal leeuwen te zien. Ieder van hen liep naar zo’n beeld, hij duwde de ene een bol in zijn bek - ik herkende de zwarte smaragd die Ronardo nu bij zich had - en zij stak de andere een mij welbekende dolk in de bek die ze rond draaide. De deuren openden zich en ze gingen naar binnen.
Ik stond weer op de trap naast de Wachtster.

Caine is eigenlijk de enige die me heeft verteld wat er mis was met de familie Sawall. Ik heb je wel eens verteld dat jouw familie niet goed ligt bij de mijne, andersom weet ik dat dat ook het geval is. De vele moordaanslagen… Oh ja, er zijn heel wat Amberieten verantwoordelijk voor het uitdunnen van jouw familie. Wat wij tweeën hebben gedaan is in dat opzicht heel gevaarlijk geweest. Er zijn eerder vermengingen geweest, dat weten we. Maar ik geloof niet dat er uit zo’n combinatie maar liefst vijf kinderen voortkwamen.
Jouw vader heeft de wapenstilstand afgedwongen en daarmee wat rust afgedwongen in beide kampen. Natuurlijk was die strijd niet alleen tussen Amber en Sawall, deze werd immers gevoerd naast de strijd tussen Amber en de Hoven van Chaos. Maar ik dwaal af. Zoals vaker.
Caine had een hekel aan Herbert Sawall, hij gaf hem, naast Oberon, de schuld van het verdwijnen van Lorrayne. Volgens Caine was het Herbert Sawall te doen om de gaven die Lorrayne zou hebben. Mogelijk had hij gelijk, je hebt me zelf meerdere malen verteld dat er genoeg smeerlappen in jouw familie zitten. In de mijne zijn ze echter ook niet helemaal fris, maar dat weten we ook allebei. Caine is in ieder geval degene die Herbert omgebracht heeft, ervan overtuigd zijnde dat deze allemaal plannen had voor het kind dat op zou moeten groeien als een Sawall. Mogelijk had Caine gelijk, ik heb het idee dat de situatie in die tijd veel grimmiger was dan deze nu is.
Caine heeft, op zijn Caines, het kind ondergebracht in een Schaduw. Judith, mijn grootmoeder, is echter toch vermoord. Door zowel Amberieten als Chaosieten. Ik hoop echt nog eens achter het waarom te komen. Maar soms doet dit alles me huiveren. Waarom waren het uitgerekend de Sawalls die belang stelden in de gaven van Lorrayne? En wat is er gebeurd met Donnal, het andere kind van Lorrayne en Herbert? Daar lijkt niemand iets van te weten. Ghostwheel heeft indertijd gezegd dat deze vermoord is, maar Ghostwheel zei dat ook van jouw zus…
De piramide, het Archief, is opgebouwd uit macht van het juweel. Maar deze laat tevens een stukje van de gave van Lorrayne zien.


Het beeld wat ze me daarna liet zien was van minder lang geleden, dus we gingen de trappen een eind omhoog. Net als de vorige keer voelde ik een bepaalde vermoeidheid op komen zitten. Ik opende een deur en stond buiten, om me heen woedde een Schaduwstorm. Een eindje verderop zag ik Oberon, Randal en mezelf, een heel vreemde ervaring. Ook was het vreemd om te zien hoe Oberon het kristal uit de storm haalde - in mijn herinnering was het immers Randal die dat had gedaan en was ik degene die het aan Oberon had gegeven. Andere perceptie? Een valse herinnering van mij? Of geklooi achteraf?
Daarna begon Oberon de steencirkel, het Gebroken Patroon, te veranderen in iets heel anders, deze keer zag ik een gat in de grond ontstaan en een trap naar beneden. Alweer anders dan in mijn herinnering. Daarna was Oberon weg en veranderde de wereld langzaamaan in een bosrijke omgeving. Vervolgens daalden Randal en ik de trap af en verdwenen uit het zicht.
Niet lang daarna kwam Oberon weer terug, een tevreden uitdrukking op zijn gezicht. Hij begon met magie te smijten, de directe omgeving veranderde in een jungle en er verscheen een piramide om de plaats heen.

Iedereen die ik heb verteld over de ontmoeting met Oberon reageerde geschokt en bezorgd. Veel dingen begon ik pas achteraf te beseffen, ook door het gesprek met Caine dat ik enkele maanden na dit gebeuren had. Hij vertelde me over de eeuwigdurende strijd tussen jouw vader en Oberon bijvoorbeeld. Hoe heeft jouw vader dit kunnen overleven? Wat voor afspraken zijn er misschien stiekem gemaakt tussen die twee? Als het waar is, wat Caine toen vertelde, over dat Oberon zijn best heeft gedaan de Logrus nog gevaarlijker te maken, hoe kan het dan dat de Sawalls daar niet of nauwelijks door getroffen zijn? Waarom is de familie Sawall anders dan de andere families in Chaos? Hoe meer ik er over hoor en ervan zie, hoe meer me een gelijkenis begint op te vallen met het Huis van Amber, zeker als het om Macht gaat.
Misschien zijn er helemaal geen afspraken gemaakt tussen jouw vader en Oberon. Als ik erover doordenk, lijkt dat me toch niet. Ik denk dat het iets was tussen jouw grootvader en Oberon. Jouw vader heeft een grondige hekel aan Oberon en dat gedaan wat Oberon zeker niet wilde: een wapenstilstand afgedwongen tussen Amber en Chaos. Je zei ooit dat je hoopte en ook dacht dat je grootvader dood was. Het is me nooit duidelijk geworden wanneer deze dan dood is gegaan, maar kan uit alles opmaken dat Herdotus Sawall ‘verdween’ ten tijde van het verdwijnen van Oberon. Ik vraag me af of we ooit de ware versie van alle gebeurtenissen te horen zullen krijgen. Ik denk het niet, ieders ervaring en mening is uiteraard gekleurd.
Maar het feit blijft dat Oberon een zoon van ons heeft ontmoet. Niet alleen Amberiet, maar ook een Sawall. Hoewel we hem dat niet verteld hebben, zal hij dat heel gemakkelijk zelf hebben concluderen, Randal heeft zeer duidelijk de Sawall trekken. En het is niet alleen die zoon, maar ik was op dat moment ook nog eens in verwachting van de tweeling. Ik denk dat we deze kinderen toch heel goed in de gaten moeten blijven houden, Oberon heeft een foute fascinatie voor tweelingen. Misschien moet ik weer eens gaan praten met Sand, ze heeft me wel eens iets verteld over hoe Oberon omging met het feit dat zij en Delwin een tweeling zijn. Indertijd hoorde ik het aan met een geschokte verbazing, meer niet. Ik had jou immers nog niet eens ontmoet en was nog helemaal niet bezig met kinderen.
Zou het kunnen dat Oberon al iets met ze uitgehaald heeft terwijl ze nog in mijn buik zaten? Is daar misschien achter te komen? Met Randal en mij is er zeker geklooid. Fijne familie heb ik! Hoe vaak heb jij je moeten bedenken voordat je me vroeg?


Ondanks mijn vermoeidheid wilde ik toch nog iets zien. Iets zeker weten. Was de dood van mijn tante Lenore nu een ongeluk geweest of moord? We daalden aan aantal treden af om de volgende deur open te doen.
Ik stond op een klif in het halfdonker. Het was snertweer, zoals te verwachten was. Voor me uit zag ik een drietal mensen die een conflict hadden. Toen ik de vrouw zag kreeg ik een schok. Mijn moeder had me verteld dat Bryana wat op haar leek, nu zag ik het met eigen ogen. Ik wil niet zeggen dat de gelijkenis treffend was, maar wel duidelijk aanwezig.
Lenore werd vastgehouden door een tweetal mannen. Een derde, gekleed in een net pak en een hoedje op, was haar aan het ondervragen. Helaas stond hij met de rug naar me toe en kon ik zijn gezicht niet zien, maar ik had het idee dat het om een geheim agent ging.
“Vertel op, waar heb je het gelaten! We zullen je leven sparen als je het ons verteld.”
Lenore spuugde hem in zijn gezicht en probeerde zich los te worstelen. Ze was sterk genoeg, de twee mannen hadden moeite om haar vast te blijven houden. Met een laatste ruk was ze vrij, stapte mis en stortte van de klif af.
Ik was verbijsterd, het is niet te omschrijven wat het is om alleen maar toeschouwer te kunnen zijn en niet in te kunnen grijpen. Zojuist had ik de dood van mijn tante aanschouwd. Dood door schuld. Niet vermoord. Maar één ding was zeker: ze was allesbehalve dronken geweest.
De mannen keken naar beneden waar het lijk van Lenore gebroken op een rots lag.
“Oh,” was hun reactie, ze haalden de schouders op en liepen naar een zwarte trap die naar boven leidde.
Ik bleef nog een tijd langer staan kijken, verbijsterd en getroffen. Waar waren ze naar op zoek geweest? En waarom had Lenore dat de moeite waard gevonden om er niets over te zeggen?
Een geheime organisatie die achter Lenore aan zat. Ik wist dat er familieleden en Chaosieten genoeg waren die een dergelijke organisatie hadden, ook dat mijn geboorteschaduw erg interessant altijd was gebleken voor Amberieten.

Nu zit ik met een dilemma, mijn liefste. Wat ga ik eerder uitzoeken? Hoe het mijn familieleden van mijn moeders kant is vergaan of uitzoeken waar Lorrayne is gebleven? Eigenlijk is de keuze niet echt moeilijk. Lorrayne is nu voor lange tijd al weg, mogelijk heeft ze daar zelf voor gekozen. Ik denk dat ik bij het begin moet beginnen. De familietombe, het huis in Brighton. Ik wil weten wat er is gebeurd met de nazaten van Lorrayne en Herbert en waarom. Wie weet krijg ik dan ook inzicht rondom de reden van het verdwijnen van Lorrayne. Ik weet waar ze naar toe gegaan is, maar niet waarom.
Eigenlijk weet ik helemaal niet waar ze naartoe gegaan is, alleen welke richting ze heeft genomen.


Het was genoeg geweest en ik liet me naar boven leiden waar bijna iedereen al stond te wachten. Terwijl de anderen opgewekt met elkaar aan het praten waren en om hun ervaringen heen draaiden, groeide mijn bezorgdheid. Mandor had er al lang kunnen zijn. Toen ik daar iets over zei, werd mijn vrees weggewuifd als onbelangrijk.
“Mandor heeft wel vaker iets aparts,” meende Martin zelfs te moeten zeggen. “Die zit vast ergens buiten.”
Dat kon natuurlijk, maar het was niet logisch. Of hij zou er een heel goede reden voor moeten hebben die ik niet zag. Troeven werkten hier niet en ook de magie van de ringen niet, wat niet zo best was voor mijn gemoedsrust.
Ik probeerde er niet aan toe te geven en af te wachten. Maar mijn gevoel bleef me zeggen dat er iets mis was en ik wilde de trap opnieuw afdalen. Dat ging niet. Daarop eiste ik van Fiona dat ze die spiegel weer tevoorschijn zou halen zodat ik de Wachtster kon spreken. Fiona vond me duidelijk overbezorgd, maar deed uiteindelijk toch wat ik vroeg.
“Waar is Mandor?” vroeg ik meteen toen de Wachtster verscheen, er niet aan denkend dat het een ‘Hoe of Wat’ vraag zou moeten zijn.
De Wachtster gaf echter gewoon antwoord.
“Ik heb hem buiten gezet op zijn eigen verzoek,” zei ze.
“Zie je wel!” riep Martin triomfantelijk.
Zonder iets te zeggen rende ik meteen naar buiten, gevolgd door de anderen. Mandor was er niet. Aan de omgeving was te zien dat er iemand met geweld door een stuk jungle heen was gedenderd, een spoor dat goed te volgen was. Bij een kaler stuk voelde ik de overduidelijke aanwezigheid van recent Logrusgebruik, Mandor was weg. Ik voelde dat hij vreselijke pijn had, de ringen werkten weer. Zijn Troef werkte ook, maar deze werd geblokkeerd. Ik was zowat in alle staten, terwijl de anderen bleven zeggen dat er niets aan de hand kon zijn, Mandor was heel goed in staat om zichzelf te redden. Ergens wist ik dat dit waar was, maar de anderen voelden niet wat ik voelde.
“Laat mij eens proberen,” zei Fiona die blijkbaar een beetje medelijden kreeg en stak haar hand uit om de Troef van Mandor aan te pakken. Met een lichte aarzeling gaf ik haar deze aan. Ze staarde er verbaasd naar en riep Ronardo erbij om de Troef te bekijken.
“Deze is heel bijzonder,” zei ze tegen hem. “Zie je dat? Er zijn een aantal enscrypties verwerkt in deze Troef waardoor het onder andere onmogelijk is deze af te luisteren. Dat heb ik nog niet eerder gezien.”
“Zou je hem kunnen troeven in plaats van de Troef te ontleden?” vroeg ik geërgerd.
Fiona glimlachte, concentreerde zich en gaf even later de Troef aan me terug terwijl ze haar hoofd schudde.
“Niet doorheen te komen, hij blokkeert de Troef zelf,” zei ze. “Rustig afwachten dus.”
Mooi gezegd. Ondertussen voelde ik de pijn heftiger worden en uitbreiden. Waar Mandor ook was, er was iets goed mis Ondertussen had Rhexenor zichzelf veranderd in een draakachtig ding wat me de rillingen gaf. Ook de anderen in het gezelschap waren niet erg blij met deze actie van Rhexenor, zeker mijn vader vond het helemaal niets.
Gelukkig was Rhexenor al vrij snel weer zichzelf, hij had geprobeerd om te zoeken op die manier, verklaarde hij. Ik vond dat echt aardig van hem, zonder te vragen had hij geprobeerd om te helpen. Niet dat het veel zin had gehad, er zat iets ‘smerigs’ in de weg dat zijn onderzoek in de weg zat. Mandor was hier geweest en abrupt weggegaan.
“Hij heeft zichzelf verplaatst met Logrus,” zei ik, een nieuwe steek van pijn voelend en trachtend om wat steun naar mijn echtgenoot te sturen. Ik dacht snel na. Afwachten was een optie, maar als dit zo door zou gaan, zou Mandor ergens ver weg mogelijk onderuit gaan en dan werd het alleen maar moeilijker om iets voor hem te kunnen doen. Het enige dat ik kon verzinnen was om me te verplaatsen via Patroon om bij hem te komen en hopelijk te kunnen helpen. Met een paar woorden legde ik aan de anderen uit wat ik zou gaan doen.
“Misschien bemoei je je ergens mee, waarvan hij niet wil dat je je ermee bemoeit,” zei mijn vader voorzichtig.
“Ik kan ook niets doen,” snauwde ik. “En hem dood laten gaan. Wie zegt dat hij dadelijk nog in staat is om te troeven? Hij is er echt heel slecht aan toe!”
Terwijl ik bezig was het Patroon naar me toe te halen, werd ik getroefd door Mandor. Het was heel dringend. Door het opgeroepen Patroon was ik niet in staat om de Troef aan te nemen, dus ik deed mijn best om het zo snel mogelijk weer weg te werken, wat op het nippertje lukte. Mandor was aan het rennen, zat onder het bloed en in zijn armen had hij een slappe, roodharige vrouw.
“Haal me door!” riep hij, wat ik onmiddellijk deed. Hij werd gevolgd door een aantal wezens waarvan er drie door de Troef heen wisten te komen.
Mandor zakte meteen bewusteloos in elkaar, de vrouw die hij had meegenomen en waarin ik de typerende Sawall trekken onmiddellijk herkende, was dat al. Ik onderzocht mijn echtgenoot, me vaag bewust van het gevecht achter me. Julian die, met wat hulp van Rhexenor, de hondachtige demonen voor zijn rekening nam.
Mandor had hele diepe wonden en bloedde hevig. Ik liet hem voorzichtig op de grond zakken en zocht in mijn deck naar de Troef van het Regency. Toen ik deze gevonden had, pakte ik zowel Mandor als zijn zus beet en keek mijn vader aan die zijn zwaard weg stak en wilde komen helpen.
“Hij is te zwaar gewond,” zei ik. “Ik ga nu met ze naar het ziekenhuis. Zou jij voor de lynx willen zorgen?”
Hij knikte slechts en ik troefde weg met de twee lichamen.

De lynx kwam gewoon met me mee. Niks ervan dat ik haar bij een ander zou laten, ze hoort bij mij en dat is voor haar vanzelfsprekend.
In het ziekenhuis werden jullie ieder op een brancard gelegd en elk een andere richting uit gereden. Ik heb wat met onze VIP patiëntenkaart gewapperd en gezegd dat we ook voor je zus zouden betalen. Ook heb ik moeten bewijzen dat ik een volleerd chirurg ben, anders had ik niet mee gemogen de operatiekamer in. De lynx begreep wel dat ze buiten moest wachten, wat ze ook gedaan heeft.
Ze zijn heel lang met je bezig geweest. Zeer veel hechtingen in steekwonden en in bijtwonden. De chirurgen waren verbaasd over het formaat van de verwondingen en nog meer over het feit dat je dit hebt overleefd. Op de antibiotica reageerde je slecht, alles bubbelde er gewoon weer uit. Ik heb ze moeten overtuigen om je geen andere antibiotica toe te dienen, ze gezegd dat je het wel zal redden. Ze vonden het maar niets. Ook niet dat ik de hele tijd bij je ben gebleven. Het kan me niet schelen wat ze denken.
Ook jouw zus ligt - ook op deze afdeling - in een eerste klas kamer. Ik ben zelf niet wezen kijken, ik denk dat jij daarbij moet zijn. Ze heeft niets, helemaal niets. Het is verbazend dat jij zowat bent leeggebloed aan al die verwondingen en zij heeft geen schrammetje. Ze is echter niet bijgekomen en de verwachtingen zijn erg somber. Ze ligt in een coma die ze niet begrijpen. Ik heb gezegd dat ze dat zo moeten laten en niet mogen gaan rommelen. Ze krijgt nu een paar keer per dag sondevoeding. Iets waar ze bij jou ook aan wilden beginnen, ik heb ze gevraagd om nog even te wachten. Zo nu en dan krijg je vocht toegediend, dat moet voldoende zijn.


Mandor bleef bewusteloos. Zijn verwondingen waren nu in ieder geval dicht en hij werd naar een grote ziekenhuiskamer gereden en daar op en ander bed overgeheveld. De lynx liep mee en ging in een hoek van de kamer zitten, ver van Mandor vandaan. Daarna liet de verpleging ons alleen. Ik nam een snelle douche en trok schone kleding aan die in de kast lag. Daarna troefde ik mijn vader die ergens in een herberg zat.
“Hoe is het?” vroeg hij onmiddellijk.
“We komen net uit de operatiekamer. Hij is bewusteloos, maar gaat het wel redden,” zei ik.
“Hmm,” zei hij met een scheve glimlach. “Moet ik hier nu teleurgesteld over zijn?”
“Doe maar niet. Ik wil hem graag nog lang bij me houden.”
Hij knikte en zuchtte.
“We zijn maar wat gaan eten,” zei hij met een wat schuldig gezicht. “Ik had geen idee hoe lang het zou gaan duren en wanneer je terug zou zijn. De lynx…”
“Die is met mij mee gegaan,” stelde ik hem gerust. “Ik blijf hier totdat Mandor naar huis kan, dus jullie hoeven niet op mij te wachten.”
“Goed. Wat zeiden de kinderen?”
“Die ga ik zo troeven,” zei ik. “Ze weten nog van niets.”
“Zo te horen kan het wel even duren voordat jullie weer terug zijn,” zei hij met een frons tussen zijn wenkbrauwen. “Troef ze maar niet, ik ga nu naar ze toe en zal een poosje bij ze blijven.”
“Dat stel ik heel erg op prijs,” zei ik opgelucht en verbrak de verbinding.

Daarnet ben je even bijgekomen! Je keek me aan en vroeg waar je was, daarna viel je meteen weer in slaap. De dokter die daarna kwam kijken was verwonderd over deze snelle ontwikkeling van zaken. Ik ben alleen maar blij en heb meteen naar huis getroefd om dit te vertellen. De opluchting van Owen’s gezicht was duidelijk af te lezen, hij zal het aan de anderen vertellen.

Misschien had ik ze even in het ongewisse moeten laten. Nu is er al een paar keer getroefd, de kinderen willen weer op bezoek komen. Ik heb ze gezegd even geduld te hebben, totdat jij weer een klein beetje op de been bent.


Eindelijk kwam Mandor weer helemaal bij. Hij had veel pijn en moest bij alles geholpen worden. De zustertjes wilden hem maar wat graag naar de badkamer helpen, ik zei hen dat ik dat zelf ook kon doen. Blijkbaar vonden ze dat niet zoals het hoorde, want enigszins verongelijkt verlieten ze de kamer. Ik begreep niet helemaal waar hun verontwaardiging uit voortkwam. Ik ben tenslotte met Mandor getrouwd en had hem al die tijd gezelschap gehouden. Dat ik hem nu moest helpen, maakte alleen dat ik me nuttig voelde, waarom zou ik dat overlaten aan een ander. Er kwam wel iets bij natuurlijk, ik had liever niet dat anderen hem bloot zouden zien.
In de badkamer hielp ik hem zijn kleren uit te trekken. Hij zag er verschrikkelijk uit, alsof hij tegen een overmacht had gevochten. Iedere beweging die hij maakte, deed hem zichtbaar pijn. Ik hielp hem met naar de wc gaan en onder de douche, daarna droogde ik hem voorzichtig af en hielp hem in een gemakkelijk zittende schone pyjama. Met een zucht van opluchting ging hij weer in het inmiddels verschoonde bed zitten en vroeg om eten.
Er werd pap en thee gebracht. Mandor keek er met een vies gezicht naar de pap.
“Is er niet iets anders?” vroeg hij. Ik rende onmiddellijk naar de zusterspost en vroeg om een steviger maaltijd.
“Dat kan niet, meneer moet rustig aan beginnen,” zei een verpleegster.
“Niet met pap,” zei ik beslist. “Breng maar wat sandwiches.”
Na een hoop gepraat over en weer besloten ze om iets minder vloeibaars te brengen. Dat bleken crackers te zijn met jam. Mandor at ze met tegenzin op en vroeg om echt voedsel. Iets waarvan hij echt aan zou sterken. Ik denk dat de verpleging die dag tamelijk gek van ons werd, want steeds weer wilde Mandor eten en vooral veel. Ze weigerden om hem iets stevigers te brengen dan gekookte aardappelen. Uiteindelijk liet ik voor mezelf maaltijden brengen en gaf deze aan Mandor. Hij sterkte zienderogen aan, zijn verwondingen begonnen dicht te trekken.
“Wat is er met mijn zus gebeurd?” vroeg hij ergens tussen twee maaltijden door. Hij lag op het kussen uit te rusten, mijn hand in de zijne geklemd. Ik vertelde het hem.
“Vreemd dat ze nog in coma is,” zei hij nadenkend. “Dat zou niet meer zo moeten zijn.”
“Ik heb geen idee waarom,” zei ik. “Ik ben nog niet gaan kijken, ik kan me voorstellen dat je liever zelf gaat.”
Hij kneep zachtjes in mijn hand en glimlachte.
“Ik wil graag samen met jou gaan kijken,” zei hij. “Maar ik voel me niet zo best, ik wil dat uitstellen tot morgen.”
“Hoe kwam je bij Sally terecht?” vroeg ik.
“Allereerst: ze heet geen Sally. Ik weet niet waarom Randal toen die naam heeft genoemd, maar er zijn meer dingen anders uitgepakt als dat hij toen zei. Ze heet Ariane.”
“Klinkt een stuk beter,” zei ik en dacht aan de glimps die ik van haar gezicht had opgevangen. “Die naam past meer bij haar.”
“Ik heb aan de Wachtster gevraagd om te mogen zien wat er met mijn zus was gebeurd. Jij zei tenslotte dat ze nog leefde toentertijd. Ik kreeg door wat ik zag een goed idee van waar ze was. Ik heb de Wachtster gevraagd om me meteen buiten te zetten, zodat ik haar locatie goed in gedachten kon houden. Vervolgens heb ik mezelf meteen daarheen begeven, er was geen tijd om je te waarschuwen. Ze was in een Schaduw in Chaos, waar ze was opgesloten, temidden van een heleboel demonen. Ik heb haar bevrijd, de rest weet je.”
“Ik miste je onmiddellijk,” zei ik. “De anderen vonden dat ik overdreef, maar ik wist gewoon dat er iets aan de hand was. Ik was al bezig om door middel van Patroon naar je toe te gaan, toen je me troefde. Ik had je daardoor bijna gemist. Het spijt me.”
Hij bracht mijn hand naar zijn mond en drukte er een vlinderlichte kus op.
“Ik ben blij dat je bij me bent,” zei hij.

Die nacht sliepen we samen, al was het niet bij elkaar in bed. Mijn bed stond tegen het zijne aan en ik kon hem in ieder geval aanraken of zijn hand vasthouden. We sliepen geen van beiden echt goed, hij had waarschijnlijk al genoeg geslapen de afgelopen dagen en ik leed altijd aan slapeloosheid. Het was prima zo, af en toe praatten we wat of streelden we elkaar.

De volgende dag schuifelde Mandor zelf het eindje naar de badkamer, maar wilde hij nog wel geholpen worden met het douchen en aankleden. Hij wilde ook weer gewone kleding aan, hij was niet van plan om overdag in pyjama rond te lopen. Gelukkig had ik ook een gemakkelijk zittende broek met bijpassend overhemd voor hem besteld. Na een stevig ontbijt gingen we kijken bij Ariane.
Ik bracht hem erheen in een rolstoel die ik op de gang parkeerde en met behulp van een paar krukken strompelde hij de kamer binnen. Ik liep achter hem aan, de lynx nam plaats in een hoek en ging daar liggen.
Ariane lag met gesloten ogen op bed, haar ademhaling was slechts oppervlakkig. We vroegen de aanwezige assistent de kamer te verlaten. Ze legde nog even uit dat ze een aantal scans hadden gedraaid, maar er nog steeds nier achter waren wat er met haar aan de hand was. Ze had absoluut zeker nergens verwondingen, dus daar kon het niet aan liggen.
Ik keek naar de vrouw. Rood haar, hetzelfde rood als mijn roodharige tante en ooms. Ik wist van wat ik eerder had gezien dat ze dezelfde grijze ogen zou hebben als Gramble. En ze was knap. Blijkbaar schuilt er waarheid in het gezegde dat ‘lelijke eendjes uitgroeien tot een knappe zwaan’. Van een zogenaamde koele schoonheid, iets wat ik direct herkende van onze oudste dochter. Mandor en ik keken elkaar aan.
“Ik heb geen flauw idee wat er met haar is,” bekende ik.
“Ik ook niet echt. Het lijkt iets met magie te maken te hebben, maar wat? Omdat het nog steeds werkt, lijkt het dat iemand er Macht in gestopt heeft. Ik denk dat we er een betere magiër bij moeten gaan halen.”
“Ik ken er maar twee die echt goed zijn,” zei ik.
Hij knikte en dacht even na.
“Dan toch beter mijn vader dan Despil,” zei hij met een zucht.
“In dit geval is dat ook een stuk passender,” vond ik. “Ze is tenslotte zijn dochter.”
Mandor pakte de Troef van zijn vader en begon zich te concentreren. Gramble stond vrijwel meteen in de kamer en keek met verwondering naar Ariane. Daarna keek hij minstens zo verbaasd naar Mandor.
“Je ziet er niet goed uit,” zei hij en klopte hem op de schouder. Vervolgens begroette hij mij met een kus op beide wangen. Mandor keek verstoord. Gramble zag toen pas de lynx in de hoek van de kamer, ergerde zich overduidelijk, iets dat Mandor weer deed glimlachen. Daarna legde hij kort uit aan zijn vader waar hij Ariane gevonden was en hoe het nu was met haar gezondheidstoestand. Gramble knikte kort, keek nog eens ontstemd naar de lynx, boog zich toen over zijn dochter en begon met zijn onderzoek. Op dat moment kwam er een dokter binnen.
“Nu even niet!” riepen we in koor.
De dokter keek verschrikt en haastte zich weg.

Verzamelen van Familie

Vrijwel iedereen was inmiddels aan de koffie of thee, behalve Rhexenor die maar bezig bleef met eten. Het zou me niets verwonderd hebben als hij de neiging moest onderdrukken om de schalen echt leeg te likken. Aan het hele gesprek had hij dan ook weinig toe te voegen, behalve dat hij nog eens benadrukte mee te willen helpen.
Voor alle duidelijkheid legde ik het plan nog eens uit.
“Er moet dus samengewerkt gaan worden tussen Chaosieten en Amberieten,” zei ik nogmaals met klem.
“De eerlijkheid gebied me te zeggen dat dit plan weinig kans van slagen heeft,” zei Bances. “Vooral omdat Amberieten niet te vertrouwen zijn.”
Ik ergerde me, dat was nogal een reden. Als iedereen er nu van tevoren van uit zou gaan dat het niet zou gaan werken vanwege dit soort wantrouwen, konden we beter ophouden voordat we maar zouden beginnen.
“Er zijn meer mensen die niet te vertrouwen zijn,” hoorde ik Mandor naast me zeggen en ik zag hoe hij de Amblerashes met een scherpe blik opnam. “Die zitten hier aan tafel bijvoorbeeld.”
Ik zag hoe Bances wit weg trok en ook zijn dochter en neef moesten even wat wegslikken. Mijn aanstaande had bepaald een reputatie opgebouwd, dankzij wat ik had gezien in die poel in Tir-na Nog’th wist ik nu dat dit niet onterecht was. Ik legde heel even een hand op zijn been, hij legde meteen zijn hand daarbovenop en gaf mijn hand een zacht kneepje. Dit gaf me de moed om verder te gaan, om door te zetten wat we begonnen waren.
“Ik weet dat er onderling nogal wat wantrouwen is,” zei ik. “Toch moet er zo snel mogelijk actie worden ondernomen die tegelijkertijd doeltreffend zal zijn. We vragen jullie medewerking om een groot overleg te kunnen organiseren op neutraal terrein, Elysium. Hierbij zal besproken wat de mogelijkheden zijn en hoe we zo optimaal mogelijk iets aan de situatie kunnen doen.”
“Ik zit anders niet te wachten op een heleboel Chaosieten in Elysium,” protesteerde Deirdre.
Ik onderdrukte de neiging om heel hard te gillen. Als dit gesprek al zo moeizaam verliep en als alle toezeggingen zo lang op zich zouden laten wachten, dan zou er straks helemaal niets ondernomen worden. Afgezien daarvan vond ik haar opmerking over Elysium niet erg gepast, het was net of zij er de baas van was. Waarom hadden wij het toegewezen gekregen als zij het eigenlijk onder controle wilde houden? Intussen voelde ik een aantal ritmische tikken in mijn onderbuik en begon ik me af te vragen of dit gewoon de beweginkjes van de tweeling zouden kunnen zijn. Het was niet voor het eerst dat ik het voelde, maar had het tot nog toe een beetje genegeerd. Met twee maanden leven voelen was immers erg vroeg, ook al ging het deze keer om twee kinderen en had ik de aanwezigheid van hun broers toch ook wel in een vroeg stadium gevoeld. Mandor keek me tersluiks aan en glimlachte.
“Het is genoeg als alleen de Hoofden en wat belangrijke leden van de Huizen aanwezig zijn,” zei Bances. “Er is niemand die zijn hele familie mee zal nemen. Ik weet alleen niet hoe het moet met het koningshuis, Gramble Sawall is immers gevangen genomen en er is nu niemand die Huis Sawall kan vertegenwoordigen.”
“Ik kan ons Huis in mijn vaders afwezigheid vertegenwoordigen,” zei Mandor afgemeten. Zowel Deirdre als Bances keken of ze het niet gepast vonden, maar ze durfden geen van beiden tegen Mandor in te gaan.
“Dus jullie zeggen je hulp toe?” vroeg ik nog maar eens.
Eindelijk, eindelijk knikten zowel Bances als Deirde, zij het nog steeds heel terughoudend.
“Vind je het wat als ik Iolanthe erbij haal?” vroeg Rhexenor plotseling. Het eten was nu echt op en voor even liet Anastasia hem met rust.
“Dat zou je kunnen doen,” zei ik nadenkend en negeerde de afkeurende blikken van de anderen. Iolanthe had ik nog maar enkele malen gezien en pas één keer echt gesproken. Een dame met een zekere reputatie. Iolanthe was volgens mij niet politiek geïnteresseerd en zou alleen daarom wel eens een heel waardevolle toevoeging kunnen zijn.
“Mooi,” zei mijn neef, opgewekt als immer. “Dan zal ik eerst dat leger van me in Elysium nog wat extra trainen.”
“Daar zou wel eens niet veel tijd voor kunnen zijn,” remde Deirdre zijn enthousiasme wat af.
“Oh, maar dat kan Morwenna regelen,” zei hij en keek me aan. “Jij bent immers goed met Patroon, als je nu even een snelle wereld voor me vindt waar ik ze kan trainen…”
“Ik zou een dergelijke Schaduw wel kunnen vinden,” legde ik hem rustig uit, “maar dat kost ook tijd. Ik weet namelijk zo geen Schaduw die echt veel sneller gaat.”
Hij keek een beetje beteuterd.
“Het zijn oorspronkelijk Benedicts legers,” zei Deirdre. “Ik denk niet dat ze extra training nodig hebben.”
Ik keek naar haar hoe ze erbij zat. Een beetje stijfjes, zo te zien voelde ze zich niet erg op haar gemak. Haar felblauwe ogen hielden iedereen in de gaten en intussen merkte ze niet eens dat ze in feite haar zoon een beetje het gras voor de voeten wegmaaide. Ik kon me voorstellen dat hij de manschappen van Benedict iets meer zijn eigen manschappen wilde maken.
“Je zou het eens aan een oom kunnen vragen,” adviseerde ik Rhexenor. “Die houden zich regelmatig bezig met legers, allicht dat ze ook dergelijke Schaduwen weten.”
“Ja, vraag het aan Corwin,” zei Deirdre een beetje afwezig.

Eindelijk was het tafelen klaar. Rhexenor zei dat hij wat dingen te doen had eerst, de rest van ons troefde naar de ingang van Elysium. Bances begon meteen in zijn Troevendeck te bladeren, Deirdre liep met Anastasia en Johnny door de mistingang naar binnen, waardoor ze het heel duidelijk maakte dat ze het oproepen van familieleden aan mij overliet. Ik liep met Mandor een eindje van Bances weg, tot we buiten gehoorsafstand waren.
“Ik heb daarstraks leven gevoeld,” vertelde ik hem. “Ik heb het eigenlijk al eerder gevoeld, ik voel de aanwezigheid van de baby’s altijd wel, maar ik weet nu zeker dat ik ze echt voel bewegen.”
Hij lachte en keek naar mijn buik.
“Dit is ook een moment om dat te zeggen, ik kan moeilijk hier gaan staan voelen,” zei hij zacht en wierp even een blik naar Bances die duidelijk in troefcontact was met iemand.
“Wat ik bedoel is dat het wat vroeg is om al beweging te voelen,” zei ik.
“Vast een actief stel,” was hij van mening. “Als we straks alleen zijn, zal ik dat zelf even onderzoeken.” Hij bekeek me van top tot teen. “In ieder geval is er aan jou met deze jurk aan echt niets te zien, ook niet voor degenen die het weten of vermoeden.”
Ik glimlachte naar hem, wat spijt voelend over het feit dat ik hem niet openlijk kon omhelzen. Hij glimlachte terug, een warme blik in zijn ijsblauwe ogen. Hij liep daarna een eindje verder om de rest van de benodigde voorraden overal vandaan te gaan halen. Ik zocht een goede plaats onder een tweetal bomen, niet te dicht bij Bances die nu iemand had doorgehaald die ik herkende als Belissa Minobee. Ik knikte vriendelijk tegen haar en haalde mijn deck tevoorschijn.
Met een aarzeling troefde ik eerst Ronardo. Hoewel ik niet wist wat er met hem aan de hand was en ook niet of hij te vertrouwen was, was hij wel één van degenen die erg goed met Dalt overweg kon en ik had bedacht dat het helemaal niet zo gek zou zijn als iemand met deze oom zou gaan praten om erachter te komen wat diens opzet was. Ik had al snel contact en Ronardo keek me vriendelijk aan. Ik merkte zo niets vreemd aan hem, alleen lachte hij net iets te onschuldig en vond ik ook de compleet zwarte achtergrond niet echt prettig aandoen.
“Ronardo, heb je tijd om door te komen?” vroeg ik. “We hebben hier een probleem en ik zou je iets willen vragen, maar niet over Troef.”
“Helaas,” zei hij, nog vriendelijker glimlachend. Ik huiverde onwillekeurig, het deed me een heel klein beetje denken aan hoe Brand zich altijd opstelde. Maar Ronardo is een volle neef van Brand, dus zo gek was het niet dat ze wat gelijkenissen vertoonden hield ik mezelf voor.
“Ik heb geen tijd om door te komen,” zei hij.
Ik voelde de neiging om meteen op te geven, bang als ik altijd ben om anderen tot last te zijn. Maar ik zette mezelf eroverheen en probeerde het nog eens.
“Het is erg dringend,” zei ik met klem.
Zij lach verdween, hij keek me alleen maar aan en veegde me toen letterlijk het contact uit. Het was iets dat ik nog nooit had meegemaakt en me zware hoofdpijn opleverde. Ik haalde een paar keer diep adem en liep wat heen en weer. Het hielp, de pijn zakte al snel weer weg. Ondertussen vroeg ik me af waarom Ronardo zich zo gedroeg. Hij mocht dan goed zijn met Troef, maar dat waren er meer. Mandor, Gramble, Deirdre, Eric… maar nog nooit hadden zij me op een dergelijk lompe manier behandeld.
Pas toen ik me weer helemaal goed voelde, troefde ik naar Corwin. Hij keek me lichtelijk verbaasd aan en grijnsde toen.
“Morwenna, jou had ik niet helemaal verwacht. Wat leuk! Alles goed?”
“Met mij wel,” zei ik. “Zou ik je door kunnen halen?”
“Jij altijd,” zei hij en stak een hand uit. Ik haalde hem door, in de hoop dat hij niet op de vaderdochter toer wilde gaan. Het viel alleszins mee, hij maakte een respectvolle buiging en gaf me een handkus.
“Mijn excuses, ik had niet zoveel tijd eerder, ik werd getroefd door een broer,” zei hij.
Ik keek hem verbaasd aan. Eerder? Ik kon me niet herinneren hem na de verloving nog gezien te hebben en daar leek hij niet erg gehaast te zijn.
“Op die Defiant,” legde hij uit. “Je weet wel, die ruimteslag.”
“Oh, heb je het daarover! Ik kan me niet herinneren dat ik jou daar gezien heb.”
“Nou ja, het was ook erg druk,” zei hij terwijl er een licht teleurgestelde trek op zijn gezicht verscheen.
Ik haastte me om het onderwerp te veranderen en vertelde hem wat er aan de hand was en dat er overleg zou komen.
“Ga je nu iedereen troeven?” Hij keek naar Bances die in gesprek was met Rolovians Jesby.
“Degenen aan de Amberkant alleen,” zei ik. “Het overleg vindt uiteraard plaats in Elysium, wegens de neutraliteit.”
“Heb je de gastenkamers geregeld?”
“Nee,” zei ik verward. “Het personeel weet dat er een flink aantal gasten komt en dat ze voor genoeg eten moeten zorgen, maar kamers?”
“Dat is heel gebruikelijk,” zei hij. “Je heb een algemeen overleg, maar ondertussen worden er ook een heleboel afspraken gemaakt onderling, willen mensen elkaar spreken in de wandelgangen of op een eigen kamer… het is belangrijk dat daar gelegenheid voor is.”
“Oh,” ik voelde me opnieuw het kleine kind dat nergens van wist. “Goed dat je het zegt, dan zal ik dat eerst maar in orde gaan maken.”
“Jij moet troeven,” zei hij vriendelijk. “Ik zou dat met die kamers kunnen gaan regelen.”
“Graag,” zei ik.
Hij knikte even, ook naar Bances en liep tegelijkertijd met Rolovians de mist in.
Rinaldo’s Troef lag onder die van Corwin en deze was de volgende die ik activeerde. Rinaldo, een grote knappe man met het rode haar en de groene ogen van Brand, maar met verder weinig uiterlijke gelijkenis, leek wat ongelukkig te zijn, al was zijn begroeting uiterst voorkomend en hij liet zich meteen doorhalen toen ik het vroeg. Hij omhelsde me, gaf me een paar zoenen op de wangen. Wat terughoudend gaf ik hem een zoen terug, na zoveel jaar had ik nog steeds moeite met het familiaire gedrag van een aantal familieleden.
“Hoe is het met jou?” vroeg ik.
“Ik heb problemen,” zei hij terwijl hij om zich heen keek. Bances had verderop een tweetal mensen doorgehaald die zo te oordelen naar de uniformen van Huis Helgram waren.
“En jij hebt die zo te zien ook,” concludeerde hij en keek me weer aan. “Dit is toch de ingang naar Elysium? Er moet iets aan de hand zijn als er zowel Chaosieten als Amberieten bij de toegang worden doorgehaald.”
“Er speelt inderdaad iets,” zei ik en vertelde hem over de coup in Chaos. “Ik weet dat Dalt een goede vriend van je is en zou het op prijs stellen als je met hem zou willen praten, misschien dat je erachter komt wat er aan de hand is.”
“Hmm, ik weet niet of ik dat wil doen,” aarzelde hij. “Dalt is een goede vriend van mij.”
“Dat weet ik. Ik vraag niet of je hem wilt gaan verraden of bespioneren, maar alleen of je met hem wilt praten.”
“Goed,” knikte hij. “Ik doe dat dan wel.” Hij liep een aantal meter van me vandaan terwijl hij zijn troevendeck pakte en er een kaart tussenuit haalde. Even later was hij verdwenen. Ik realiseerde me dat ik niet naar zijn problemen had gevraagd, vervuld als ik was van de mijne. Dat was een slechte zaak.
Mijn vader zei even later dat ze nog bezig waren met het onderzoek.
“Maar we lijken iets te hebben nu,” zei hij. “We kunnen hier nog niet weg, als je me later nog eens wilt troeven?”
“Dat is goed,” zei ik en verbrak het contact.
Naar de kaart van Benedict moest ik even zoeken, toen ik deze had gelokaliseerd troefde ik hem. Hij liet zich meteen doorhalen, ik lichtte hem in het kort over de huidige situatie in. Een prettige eigenschap van Benedict is dat hij altijd to the point is in dit soort zaken. Hij knikte slechts en zei dat hij wilde meedoen aan het overleg. Ik voelde een troefcontact, Rinaldo die vroeg om doorgehaald te worden. Hij begroette Benedict netjes en respectvol.
“Het is geen moeilijk verhaal,” zei hij. “Dalt is ingehuurd door die familie en wordt goed betaald. Dalt zegt dat deze lui erg meevallen voor Chaosieten, er zitten een paar hele aardige tussen, hij schijnt daar een vriendin opgedoken te hebben.”
“Ah, het gaat dus om een vrouw,” zei ik met een grijns. Rinaldo grinnikte ook. Benedict had als immer zijn serieuze gezicht.
“Verder moest ik zeggen,” zei Rinaldo met nog steeds een lach op zijn gezicht, “ dat Dalt het niet erg vond dat jullie dit wisten, dat als jullie zouden gaan aanvallen jullie dat zouden verliezen en dat het ernstige gevolgen zou hebben.”
“Ik dacht al zoiets,” knikte Benedict. “Het klinkt niet anders dan anders.”
“Dacht je dat van die vrouw ook?” vroeg ik verbaasd. Dalt kende ik nauwelijks, maar ik kon niet zeggen dat hij een vrouwenversierder was.
“Oh dat. Dat is natuurlijk flauwekul,” veegde hij het hele onderwerp weg.
Rinaldo grijnsde.
“Zeg, waar is die jaloerse minna… eh … echtgenoot… ik bedoel die verloofde van je eigenlijk?”
Benedict trok een wenkbrauw op, ik keek naar het groepje Chaosieten wat verderop. Waarschijnlijk hadden ze niets gehoord. Ik wees de richting uit waar Mandor nog steeds bezig was om voorraden te regelen. Rinaldo aarzelde wat.
“Ik denk dat ik hem later maar eens spreek,” zei hij toen beslist.
“Is Corwin er al?” vroeg Benedict.
“Corwin is al naar binnen, gastenkamers regelen enzo.”
“Dat is mooi. Ik moet hem even spreken over die geweren die hij ooit naar Amber bracht.”
Hij draaide zich om en beende weg. Rinaldo rende achter hem aan: “Ik ga wel even mee. Dat lijkt mij ook erg interessant.”
Bleys was de volgende van de familie die ik troefde. Hij was netjes, voorkomend, ik kreeg van hem een handkus. Hij was zelfs enthousiast dat ik hem voor deze bijeenkomst had getroefd.
“Geweldig, ik wil graag weer eens met Chaosieten praten,” zei hij en ging ook Elysium binnen.
Fiona kreeg ik niet te pakken, ik had het gevoel dat ze troefcontact met iemand anders had. Eric liet zich tot mijn verbazing doorhalen en wilde komen praten. Zijn eerste optreden in het openbaar zou in Elysium zijn. Vreemd idee.
Gérard was ook geïnteresseerd en even later gingen hij en Eric samen de mistpoort door. Ook Caine zelf kreeg ik niet bereikt, ik zag het gezicht van een dame die me vroeg iets in te spreken. Ik hield het bij het simpele: ‘kun je me even terugtroeven?’
Random verscheen naast me. Ik heb er een hekel aan wanneer mensen dat doen. Eric, Brand, Random… allemaal idioot goed met Troef op een disrespectvolle manier voor anderen.
“Er is een nieuw probleem,” kondigde hij aan nadat hij zich ervan verzekerd had dat er niemand meeluisterde.
“Wat dan?” vroeg ik zuchtend. Nog een probleem konden we eigenlijk niet gebruiken.
“Dyenne heeft me getroefd omdat de route van Antioch naar Amber afgesloten blijkt te zijn. Ik ben dat gaan onderzoeken en het komt erop neer dat Amber totaal geïsoleerd is nu van de Gouden Cirkellanden, alle poorten zijn afgesloten, op die van Kashfa na.”
“Random, dat is ontzettend vervelend!” zei ik. “Niet alleen voor stad Amber, maar we kunnen dat er even niet bij hebben nu.”
Hij knikte.
“Mijn idee. Het is het beste hier geen ruchtbaarheid even aan te geven tot dat met Chaos is opgelost. Zodra Deirdre of een paar anderen hiervan horen wordt dat als prioriteit gesteld.”
“Hoe weet je van het probleem in Chaos?” vroeg ik argwanend.
Hij grinnikte en ik had zo mijn vermoedens. Wie was dat ook alweer die zei dat hij Troeven afluisterde? Hoewel, ik had niets over Troef verteld. Of waren het zijn spionnen geweest die hem hadden ingelicht? Natuurlijk, dat moest het zijn.
“Rinaldo weet misschien meer van het probleem met die poorten is.” zei ik nadenkend. “Hij zei problemen te hebben, allicht dat hij je meer kan vertellen. Hij is in Elysium.”
“Prima, dan zoek ik hem op,” zei Random en liep naar binnen.
Merlijn was de volgende die ik troefde. Een contact dat razendsnel tot stand kwam.
“Haal me asjeblieft door!” riep hij en ik greep zijn uitgestoken hand. Hij zag er vreselijk verfomfaaid uit, zijn haar zat door de war, het leek of er op hem geschoten was, zijn kleding was gescheurd en hij plofte hijgend op het gras zodra hij er was.
“Wat ben ik blij dat je met troefde!” zei hij en stond meteen weer op.
“Problemen?” vroeg ik.
“En of! Wat is dit hier? Het stikt van de Chaosieten!”
“Overleg,” zei ik. “Je weet vast waarom.”
“Ik heb mijn vermoedens,” knikte hij. “Het lijkt heel lastig te zijn om bij de Logrus te komen, alsof dat extra afgeschermd is.”
“Ik begrijp dat je in het paleis was?”
“Klopt. Die ouwe gek kon ik er echter niet vinden.”
“Je bent de enige niet,” zei ik troostend. “Je zou naar Elysium kunnen gaan om je daar te fatsoeneren en even wat uit te rusten.”
“Ik denk dat ik dat maar doe,” zei hij en liep op een groepje mensen af dat bij Bances stond. Ze gingen even later allemaal de mistpoort door, inclusief Bances die blijkbaar iedereen van zijn kant al gehad had.
Ik dacht even na. Mandor die Gramble niet kon vinden, Merlijn die hem niet kon vinden… meer en meer begon ik me af te vragen of Gramble zich wel gevangen had laten nemen. Ik pakte zijn Troef en activeerde deze. Meteen keek hij me aan, zijn jonge zelf. Hij was dichtbij wist ik.
“Morwenna, wat leuk dat je me troeft,” zei hij met een brede lach.
“Je bent dus niet gevangen genomen en gemarteld,” concludeerde ik. “Dus we kunnen stoppen met ons zorgen te maken?”
“Deed je dat dan?” vroeg hij.
“Natuurlijk,” zei ik. “We hadden geen idee wat er met je gebeurd kon zijn. Mandor heeft naar je gezocht, Merlijn later ook. Er werd gezegd dat je gevangen was genomen.”
Hij grinnikte.
“Dat doet me echt goed,” zei hij. “Ontzettend lief van je dat je je zorgen maakt. Leuk, zo’n bezorgde schoondochter.”
“Heel gewoon,” zei ik lichtelijk opgelaten. “Ik begrijp dat je niet ver uit de buurt bent?”
“Mwah…” zei hij en keek om zich heen. De ruimte waar hij stond kwam me bekend voor, het leek een spreekkamer in Elysium te zijn. “Wat doen al die mensen eigenlijk hier?”
“Je bent dus in Elysium,” zei ik, half geamuseerd, half geërgerd. “Dat was toch afgesloten?”
“Ach,” grijnsde hij. “Tenslotte heb ik hier en daar wat geholpen dit op te bouwen. Niet erg moeilijk om binnen te komen en het is veilig.”
Ik zuchtte. Hoeveel meer mensen hadden gemakkelijk toegang tot Elysium omdat ze mee hadden geholpen op een bepaalde manier om het op te bouwen? Van Gramble vond ik het niet echt erg, al vroeg ik me af hoe Mandor dit zou vinden.
Ik vertelde mijn aanstaande schoonvader over het overleg. Hij keek nadenkend.
“Wat ga jij doen?” vroeg ik.
“Wat moet ik?” vroeg hij zich af. “Ik kan me schuilhouden en meekijken, het lijkt me sowieso erg interessant. Ik kan meedoen, maar men zal zich afvragen hoe de oude seniele koning wist te ontsnappen.”
“Je zou je rolstoel act kunnen opgeven,” zei ik. “Voor mijn part omdat je eindelijk een werkende verjongingskuur hebt weten te vinden.”
“Hmm,” zei hij peinzend. “Ik praat erover met jou, maar eigenlijk moet ik hier met Dara over praten.”
Ik begreep het. Blijkbaar had hij dit toneelstuk samen met Dara opgezet en kon hij nu niet eenzijdig een beslissing nemen in deze zaak.
“Dara is nog bezig met die opdracht,” zei ik.
“Hoever zijn ze daarmee?”
“Zo goed als klaar, ze waren nog wat aan het uitzoeken. De dame in kwestie hebben ze te pakken, maar haar computer moest nog gehackt worden en daar is een neef van mij mee bezig. Ik zal mijn vader zo weer troeven, ik kan dan aan Dara vragen of ze je opzoekt.”
Hij grinnikte weer, zijn grijze ogen twinkelden.
“Lijkt me een heel goed idee,” zei hij. “Het zal haar vast deugd doen als ze ziet dat ik zo ben opgeknapt.”
Ik glimlachte ook terwijl ik de verbinding verbrak. Gramble moest wel goed zijn met Troef als ik hem in Elysium zelfs kon bereiken. Waarom had hij dan zelf niet naar Dara getroefd?
Ik troefde mijn vader weer, die zei dat ze klaar waren. Ik haalde ze allemaal door, inclusief de honden die me begroetten alsof ze me al in lange tijd niet hadden gezien.
Mandor kwam naderbij met een kar die hij op de weg zette naar Elysium, William ging meteen naar hem toe om te helpen.
“Ik moet heel even met Mandor praten,” zei Julian en liep diens kant uit. Ik gaf de honden wat aandacht en beval ze toen afstand te nemen en de gebonden en geknevelde Xiah te blijven bewaken, iets wat me een boze blik van haar opleverde. Ik had daar geen vriendin gemaakt. De honden deden onmiddellijk wat ik zei, toch wel tot mijn verbazing. Martin stond er intussen een beetje bedremmeld bij, maar ik besteedde niet al te veel aandacht aan hem. Ik nam Dara bij de arm en liep met haar tot buiten gehoorsafstand van iedereen.
“Ik heb Gramble net gesproken,” zei ik.
“Wat! Die ouwe is gewoon bereikbaar?!” riep ze verontwaardigd.
“En ongedeerd,” grinnikte ik. “Hij is in Elysium.”
Haar mond viel open van verbazing.
“Hij wil je graag even spreken,” zei ik.
“Dan ga ik dat maar gauw doen, voordat hij weer allerlei gekke dingen gaat uithalen,” zei ze alsof ze het over een klein ondeugend kind had. Ik liep met haar mee naar de mistpoort en keek haar na. Julian kwam weer naar me toe en nam me bij de arm.
“We hebben in ieder geval wat gevonden,” zei hij terwijl we naar Martin toe liepen. Deze keek Julian met een chagrijnig gezicht aan.
“Dat was echt gore troep,” zei hij boos. “Echt smerig!”
“Je had iets nodig om te ontnuchteren,” zei mijn vader kort. “Anders zou je nooit achter dat password gekomen zijn.”
“Wat ben jij ontzettend saai,” voer Martin uit. “Jij en Mandor gunnen een ander niets. Ik mag toch wel eens feest vieren!”
“Sommige dingen zijn belangrijker dan feest vieren,” vond mijn vader.
“Ik ga wel even met Mandor praten,” zei Martin. “Eens kijken of hij al fatsoenlijk bier gevonden heeft.” Hij liep naar mijn verloofde toe.
“Bier heb je helemaal niet nodig!” riep mijn vader hem na en keerde zich naar mij.
“We hebben iets gevonden,” zei hij nog eens. “Een anti-gif, Martin heeft het bij zich.” Hij zuchtte. “Hij is alleen nu boos op mij vanwege dat ontnuchterende drankje.”
“Martin trekt wel bij,” wist ik en troefde naar Flora die enthousiast reageerde.
“Ik troef je zo, ik moet me eerst fatsoenlijk omkleden!” riep ze uit. Slechts enkele minuten later was het al zover en kon ik haar doorhalen. Zoals altijd stal ze de show, ze zag er perfect uit, mooi als altijd. William en Martin staarden haar ongegeneerd aan, zelfs mijn vader en Mandor keken heel even op. Dat laatste was niet best. Ook niet dat ik mijn lievelingstante dus als concurrente moest gaan beschouwen, dat zou een negatieve invloed gaan hebben op mijn relatie met haar. Ik wist dat ze dit gewoon expres deed en voelde mezelf verkillen.
Ik legde haar haastig uit wat er aan de hand was, ze werd steeds minder vrolijk, vooral toen ze erachter kwam dat ze als één van de laatsten getroefd was. Normaal zou ik me daarover schuldig hebben gevoeld, nu voelde ik iets van triomf. Ze had met haar gemanicuurde handjes van mijn verloofde af te blijven!
Ze verdween snel de mist in en ik troefde nogmaals naar Fiona. Ook al zo’n tante waar ik een wat vreemde relatie mee heb.
“Dat werd tijd,” zei ze scherp zodra ik haar in beeld had.
“We hebben een probleem…” begon ik, maar ze kapte me af.
“Ja, ik weet er alles van. En denk maar niet dat ik het waardeer dat jullie me helemaal niets hebben laten weten!”
“Ik heb je eerder getroefd,” verdedigde ik mezelf terwijl alweer die aloude verontwaardiging kwam opzetten. Dat effect had ze steeds op mij.
“Ja dat weet ik. Maar het kan wel eens voorkomen dat ik op dat moment een ander troefcontact heb,” zei ze fel. “Dat is ook niet wat ik bedoel: je had me moeten troeven toen het mis ging!”
Ik zuchtte, daar had je er weer zo eentje. Verder leek ze verschrikkelijk achter te lopen.
“Ik zou je door willen halen om even te praten over de situatie,” zei ik toch maar.
“Nu even niet Morwenna! Ik heb nog een zoon ergens die ik dringend moet spreken.”
Ze verbrak de verbinding abrupt, gelukkig liet het deze keer geen hoofdpijn na.
“Geen succes?” vroeg Julian.
Ik haalde mijn schouders op.
“Als vanouds. Ik werk op Fiona als een rode lap op een stier.”
Hij grinnikte even en ik haalde de troef van Coral tevoorschijn. Deze keek verheugd toen ik haar in beeld had.
“Je kunt me doorhalen,” zei ze zonder dat ik haar iets vertelde. Ik deed dat. Zodra ze er was, omhelsde ze me, pakte me bij de schouders en bekeek me van top tot teen. Ze had deze keer geen ooglapje en het juweel pulseerde rood in haar oogkas. Ik huiverde onwillekeurig, het kon nooit goed zijn om zo lang met dat ding rond te lopen.
“Neem me niet kwalijk dat ik je niet getroefd heb al die tijd, terwijl er zoveel gebeurd is. Wat ontzettend leuk voor jullie, ik ben wel zo blij voor jou en Mandor!”
Ik was verrast en zag hoe Julian zijn ogen ten hemel hief. Iets verderop stond Mandor met een frons tussen zijn wenkbrauwen toe te kijken terwijl William verbaasd van de één naar de ander keek. Martin keek ook op en trok toen Mandor opzij om iets te bespreken. Zo te zien had Mandor hem geen bier gegeven.
“Heb ik iets teveel gezegd?” zei Coral bedremmeld.
“Valt mee, er is nu toch bijna niemand en ongeveer de helft van de aanwezigen wist het al,” zei ik troostend.
“Ik zal maar eens een kijkje gaan nemen op jullie nieuwe landgoed,” zei ze haastig en liep naar de mistpoort. William haastte zich achter haar aan.
“Ik ga ook maar naar binnen,” zei Julian. Samen liepen we naar Mandor en Martin.
“Ik neem Xiah vast mee, de honden kunnen haar nog wel even bewaken,” zei mijn vader tegen Mandor die knikte. “En zal meteen wat mensen sturen om die karren op te halen.”
Hij liep naar Xiah toe, trok haar achter zich aan met zich mee de mist in, terwijl de honden hem op de voet volgden.
“Heb jij nog wat mensen getroefd?” vroeg ik aan Mandor. “Zoals bijvoorbeeld Jurt en Despil?”
“Ik heb bijna niemand getroefd,” zei hij. “Ik heb me bezig gehouden met de voorraden, nu is er genoeg voor Elysium. Het was erg moeilijk om voedsel binnen Amber te vinden overigens, dus ik heb verder moeten zoeken. Dit is toch al niet de beste plaats voor mijn Logrusgebruik, ik heb gedeeltelijk gebruik gemaakt van Troef. Maar Despil en Jurt heb ik wel gezien, ze zullen door Bances zijn getroefd.”
“Mooi,” zei ik. “Dan zijn we bijna klaar. Ik zou nog wachten op Rhexenor en Fiona zal misschien nog terug troeven.”
“Ik heb iets voor je,” zei Martin, opgewekter nu Julian door de mistpoort was verdwenen. Hij overhandigde me een reageerbuisje met daarin een oranjegekleurde vloeistof. Ik keek er bedenkelijk naar.
“Dat moet het zijn,” zei Martin. “Je vader en je aanstaande schoonmoeder zeggen dat dit het is.”
“Wat is het precies?” vroeg ik.
“Je hebt een eerste component van een gif in je,” legde hij uit. “Dat wordt hiermee geneutraliseerd. Het tweede component gif zal dan niets meer kunnen uitrichten.”
Ik aarzelde. Moest ik dit nu zomaar opdrinken?
“Heeft het geen bijwerkingen?”
“Je hoeft het niet op te drinken,” zei Martin die meteen weer humeurig werd. “Je kunt het ook aan de honden van je vader straks geven.”
Ik keek weifelend naar Mandor die ietwat bezorgd terugkeek. Ik moest een beslissing nemen en kon alleen maar hopen dat het de goede was. Ik dronk de inhoud in één keer op. Het smaakte een beetje naar sinaasappel en ik voelde niets, behalve dat het kind links, het jochie, een soort buiteling maakte.
Ik gaf Martin het buisje weer terug terwijl ik hem bedankte voor de moeite.
“Graag gedaan,” zei hij.
Er kwamen een aantal wachters naar buiten die de karren mee namen. Martin volgde. Ronardo verscheen voor me. Niet echt, niet door middel van Troef, maar het was iets anders.
Er was verder niets bijzonders aan hem te zien, behalve die vreemde lach dan…
“Je kunt me nu doorhalen,” zei hij. Ik trok hem naar ons toe, hij keek om zich heen voordat hij Mandor begroette, die hem nadenkend aankeek.
“Alles goed?” vroeg hij.
“Natuurlijk, het kan niet beter,” zei Ronardo en lachte weer uiterst vriendelijk. Te vriendelijk.
Ik legde hem uit waarom ik hem had getroefd, maar dat er inmiddels al met Dalt gesproken was.
“Maar als je mee wilt doen aan het overleg en wilt helpen om deze zaak op te lossen, dan graag,” zei ik.
“Dat is goed, het lijkt me heel interessant,” zei hij.
“Heb je je moeder nog gesproken?” vroeg ik. “Ze was naar je op zoek.”
Op dat moment zag ik aan zijn houding dat hij troefcontact had en was even later verdwenen.
“Dat was vast zijn moeder,” zei Mandor met een glimlach. Ik had geen tijd om hem te antwoorden, er was ternauwernood een getintel in mij hoofd waarneembaar, ik wist dat het Rhexenor moest zijn.
“Morwenna!” riep mijn neef enthousiast. “Je weet dat er een probleem is met de voedselaanvoer naar Amber?”
“Ja, dat weet ik. Ik zou het op prijs stellen als je daarover nog even niets tegen de familie zegt.”
“Waarom niet? Het is echt een groot probleem!”
“Dat weet ik. Als je even doorkomt, dan kunnen we erover praten.”
“Dat gaat niet, want ik kom niet direct op deze plaats terug. Ik sta in een pakhuis vol voedsel, genoeg om Amber te voorzien van eten voor een poosje, maar jij moet het even aanpakken.”
“Door Troef?” vroeg ik ontzet. “Dat zal niet gaan. Je hebt óf een hele goede troefartiest nodig óf een Logrusgebruiker. Ik zal met Mandor overleggen.”
Ik verbrak de verbinding en vertelde Mandor wat er aan de hand was.
“Een heel pakhuis? Naar hier?” Ik zag ineens dat hij er wat vermoeid uitzag, het regelen van de voorraden voor Elysium had hem al heel veel kracht gekost.
“Ik kan proberen of iemand anders kan helpen,” stelde ik voor.
Hij glimlachte en gaf me een snelle kus.
“Niet nodig, ik zal kijken wat ik kan doen.” Hij bladerde door zijn troevendeck en haalde er een Troef van Rhexenor uit, een andere dan die in het standaard deck van Amber zat. Hij concentreerde zich even en verdween.
Niet veel later kon ik hem opnieuw doorhalen.
“Het is nogal veel,” legde hij uit. “Alles wordt daar nu op karren geladen en Rhexenor is gaan regelen dat alles straks hier wordt opgehaald. Ik krijg die hoeveelheid niet voor elkaar met Troef, dus ik zal het echt met Logrus moeten gaan doorhalen. Dat doe ik niet hier, maar in Elysium.”
“Daar was gebruik van Logrus en Patroon toch niet mogelijk?” zei ik verbaasd.
“Voor anderen inderdaad niet,” grijnsde hij. “Maar wel voor jou en mij. Wij zijn ook de enigen die daar fatsoenlijk naartoe en vandaan kunnen troeven.”
“Oh, vandaar dat ik gewoon met je vader kon praten.”
“Mijn vader?” vroeg hij verbaasd.
“Ik heb hem gesproken, hij is in Elysium.”
“Die ouwe gluiperd. Ik maar naar hem zoeken en hij duikt doodleuk onder op ons landgoed.”
Ik voelde dat Rhexenor opnieuw contact zocht en haalde hem door. Ik vertelde hem waarom ik liever had dat hij het poorten probleem nog even voor zich hield.
“Ik denk dat ik kan beginnen om die voorraden hierheen te gaan halen,” zei Mandor en wandelde Elysium in.
“Heb je Iolanthe al getroefd?” vroeg ik aan Rhexenor. Op dat moment voelde ik een sterk troefcontact doorkomen. Dat bleek Fiona te zijn.
“Haal ons maar even door. We komen helpen,” zei ze en ik haalde haar en Ronardo door. De laatste had een triomfantelijke grijns op zijn gezicht, alweer was de gelijkenis met Brand treffend. Ik wees ze de poort en zei ze naar het kasteel te wandelen, waar voor ze gezorgd zou worden. Ook zij gingen door de poort van mist.
Rhexenor had inmiddels Iolanthe doorgehaald en ik hoorde dat hij haar bijpraatte. Ze knikte, kwam naar me toe en begroette me vriendelijk.
“Hoe is het eigenlijk met Dyenne en de baby?” vroeg ze aan Rhexenor.
“Heel goed. Over vier maanden wordt ze al één jaar,” zei hij trots.
“Ja, dat gaat heel hard, die kindertijd is zo voorbij.”
“Ach, zo snel zijn ze niet volwassen,” dacht Rhexenor.
“Nee, mannen inderdaad niet,” zei Iolanthe. “Maar snel gaat het wel degelijk. Moet jij niet naar je legers, Rhexenor?”
“Huh?”
“Je legers,” zei ik, begrijpend dat Iolanthe me even alleen wilde spreken. “Die in Elysium, je wilde daar toch nog iets mee doen?”
“Oh ja,” herinnerde hij zich en liep ook de mistpoort door.
Iolanthe nam me scherp op met haar katachtige ogen en glimlachte toen.
“Gefeliciteerd,” zei ze. “Leuk, ik neem aan dat het jullie bedoeling was tenminste?”
“Als je bedoeld of de zwangerschap gewenst is, dat is zo,” antwoordde ik.
Ze bekeek me weer nauwkeurig.
“Voel je je goed?”
“Uitstekend zelfs.”
Ze knikte en keek nog eens aandachtig.
“Er is iets mee…” zei ze toen.
“Het zijn er twee,” zei ik trots. “Ik ben nu een maand of twee zwanger.”
Ze schudde haar hoofd.
“Je bent veel verder. Eerder een maand of drieëneenhalf of vier.”
Ik staarde haar ontzet aan.
“Dat kan helemaal niet,” protesteerde ik. “Ik heb een dag of tien geleden een scan laten doen, toen was het zeven weken.”
“Ik weet het zeker,” zei ze. “Maar is er zo niets aan je te zien hoor.”
“Het verklaart wel waarom ik al zo snel mijn kleding niet goed meer dicht kreeg. En dat ik ze voel bewegen. Maar in tien dagen tijd kunnen die kinderen toch niet zo explosief groeien?”
“Het is een bijzondere zwangerschap,” zei ze. “Waar zijn ze verwekt?”
“In Tir-na Nog’th.”
“Dat zou de verklaring wel eens kunnen zijn,” dacht ze. “Het zullen bijzondere kinderen zijn en dan nog een tweeling ook. In jouw familie zijn er een paar ooms en tantes die een ongezonde interesse zullen hebben in hen.”
Ik schrok niet echt van deze opmerking, het was iets dat ik eigenlijk al wist. Sand had me ooit gezegd dat Oberon gebiologeerd was door het feit dat zij en Delwin een tweeling waren, dat hij zelfs probeerde dat ze met elkaar seks zouden hebben. En ik wist dat er meer zo waren.
“We zullen ze moeten beschermen tegen hen,” zei ik en legde onwillekeurig even een hand op mijn buik. Beide kinderen bewogen zich onmiddellijk naar die hand toe.
“Hoe is het met jullie andere kinderen?” vroeg Iolanthe. “Hoe oud zijn ze inmiddels?”
“Het gaat goed, ze zijn nu twee,” antwoordde ik.
“Mooi zo. Heb je al eens gedacht over de Feniks?”
Wat was dit nu weer. Was het een retorische vraag of was ze serieus?
“Wel eens over gedacht. Maar niet om als Macht te hebben ofzo.”
“Jammer. Je zou uiterst geschikt zijn.”
“Helemaal niet. Ik heb niets met leven. Ik bedoel, ik zou daar niet voor ten strijde trekken.”
“Dat zou ik zo niet zeggen. Jij met al je dieren. Je vader zou misschien ook geschikt zijn.”
“Ik denk niet dat het iets voor mij is, waarschijnlijk ook niet voor hem. Ik hou me liever bij Patroon.”
“Nou ja, misschien één van je kinderen later,” zei ze hoopvol. “Wanneer gaan jullie trouwen?”
“Het is weer uitgesteld.”
“Niet handig in jullie geval. Waarom trouwen jullie niet stiekem in een Schaduw ergens?”
“Vanwege de veiligheid voor onze kinderen is het waarschijnlijk het beste om dat openlijk te doen, zodat het huwelijk ook door iedereen erkend wordt als zijnde geldig.”
Ze schudde haar hoofd.
“Dat is gewoon Mandor,” zei ze. “Hij is vreselijk formeel. Een huwelijk in het openbaar en jullie maar wachten tot het iedereen eens uitkomt. Je weet dat er mensen zijn die hem een droogkloot noemen?”
“Is bekend,” zei ik kortaf. “Hij is dat niet.” En wat dat huwelijk in het openbaar betrof was ik het met hem eens, maar dat zei ik niet.
Iolanthe lachte alleen even.
“Is Benedict er eigenlijk ook?” vroeg ze toen.
“Daarbinnen.”
“Mooi, ik ga eens even kijken of hij iets van zijn stoïcijnse houding kan loslaten. Ik zou ook wel een kind van hem willen, maar hij wil niet.”
“Lastige situatie,” zei ik.
“Ik ben wel eens met hem naar bed geweest, maar hij is nogal teleurgesteld in zijn kinderen. Ik dacht eerst dat hij een grapje maakte toen hij zei dat zijn dochter een tank was. Maar hij bleek bloedserieus.”
“Dat verhaal klopt inderdaad,” vertelde ik. “Ik ben het ook een poosje geweest uit noodzaak, maar zij vond het geweldig en is gebleven. Rhexenor is trouwens ook vrij lang tank geweest.”
“Idioot,” was haar mening.
Ondertussen liepen we naar binnen Elysium in. Op de weg stonden een groot aantal wagens klaar, Mandor zag er heel moe uit. Rhexenor had hem geholpen om de karren op een rij te zetten en deze liep samen met Iolanthe naar het kasteel, terwijl ik me naast Mandor in het gras liet zakken terwijl we de komst van de wachters afwachtten die de karren zouden komen ophalen.
Ik merkte de aanwezigheid van Fillipien op, ze zat op de tak van een boom naar me te kijken.
‘Leuk je hier te zien,’ vertelde ik haar in gedachten.
‘Ik merkte dat je hier was. Boudicca en de anderen zijn nog in Arden. Het is hier ontzettend druk.’
‘Problemen en een bijeenkomst. Kun jij nagaan of we hier kunnen worden afgeluisterd of bekeken?’
Ze fladderde op en vloog even rond. Toen landde ze op mijn uitgestoken arm, Mandor ging een eind opzij zitten.
‘Iedereen is in het kasteel. Jullie zijn niet zichtbaar of hoorbaar voor anderen. Aan de andere kant naderen er een aantal personen, wachters zo te zien.’
‘Dank je. Kun je me waarschuwen als ze bij de poort zijn of als er iemand anders onze richting opkomt?’

Ze wreef met haar kopje tegen mijn wang, vloog weer op en ging op een boomstronk zitten die aan weerskanten van de weg stonden.
Ik keek Mandor aan.
“Op dit moment is er niemand die op ons let. Dus als je je zoon en dochter wilt voelen bewegen?”
Hij keek me lichtelijk geschokt aan en ik begon te lachen.
“Kom op Mandor, we zijn hier alleen en ik vraag je niet of je de liefde met me wilt bedrijven.”
“Dat zou helemaal ongepast zijn,” zei hij met toch een twinkeling in zijn ogen. “Het voelt een beetje aan alsof we hier in de openbaarheid zitten, het kan zijn dat men zich nu al afvraagt waarom wij tweeën er nog niet zijn.”
“Dat is dan maar zo,” was ik het met hem eens. “We hebben echter niet heel veel tijd. Het is of nu of nog minstens een aantal uren wachten tot na die bijeenkomst.”
Hij glimlachte, ik ging bij hem op schoot zitten, hij schoof een hand onder mijn rok en legde deze op mijn buik. De tweeling reageerde onmiddellijk enthousiast op de aanraking.
“Het is één en al armen en benen,” zei Mandor lachend en verschoof zijn hand iets, de kinderen volgden. Ik vertelde hem over wat Iolanthe had gezegd over deze zwangerschap.
“Als het net zo gaat als met Randal, zal ook deze zwangerschap als het ware schoksgewijs gaan wat groei betreft. Het is nu niet zichtbaar, maar dat kan over enkele dagen misschien wel het geval zijn omdat die kinderen zo snel groeien. Het kan ook zijn dat het dan juist even rustig aan gaat. Het komt er in ieder geval op neer dat ik geen idee heb wanneer ze geboren zullen worden, maar deze zwangerschap zal geen negen maanden duren.”
“Tweelingzwangerschappen zijn meestal al wat korter,” zei hij. “En deze dus nog wat meer. Ik vind het geen probleem, al zal het betekenen dat jij je al heel snel niet meer in de openbaarheid kan begeven, zeker niet zolang we niet getrouwd zijn.”
Fillipien liet me weten dat de wachters bijna bij de poort waren en ik zei dat tegen Mandor. Hij trok zijn hand weer terug, ik stond op en fatsoeneerde mezelf, hij deed hetzelfde. Intussen vertelde ik hem snel dat dit bijzondere kinderen zouden zijn en dat er in mijn familie mensen zouden zijn die een ongezonde belangstelling voor hen zouden hebben. Hij keek grimmig.
“Al onze kinderen zijn bijzonder,” zei hij. “Ik ben bang dat die ongezonde belangstelling ook Owen en Randal betreft, daar hebben we al iets van gemerkt zelfs.”
Er kwamen aan aantal wachters door de poort. Mandor gaf hen aanwijzingen en ik wilde weer naar buiten lopen. Mandor hield me tegen.
“Wat ga je doen?” vroeg hij.
“Ik ben vergeten om Julia te troeven.”
“Dat kun je gewoon hier doen,” zei hij grijnzend. “Ik zei je toch dat we van hieruit kunnen troeven.”
“Ik stond daar even niet bij stil,” zei ik en haalde de kaart van Julia tevoorschijn.

De Hoedster

Hier en daar een praatje. Steeds opnieuw zeggen tegen mensen die ik nauwelijks kende dat het toch zo verschrikkelijk leuk was dat ze gekomen waren. Iedere keer moeten aanhoren hoe geweldig dit alles was – het kasteel, de verloving, het duel, de catering - niet noodzakelijk in die volgorde. Inmiddels was er een orkestje wat achtergrondmuziek aan het spelen, een wat vreemd aandoende combinatie van een doedelzak, een soort piano en een harp. Desondanks klonk het helemaal niet slecht.
“Dat was een fantastisch gevecht!” Neef Rhexenor stond vrij plotseling voor me, zijn blauwe ogen straalden. “Echt, je hebt je geweldig verweerd!”
“Oh, dat,” zei ik flauwtjes. “Het ging wel, denk ik.”
“Ik wilde je even zeggen dat je broer boven in de eerste kamer links slaapt,” zei hij. “Hij had te veel gedronken, veroorzaakte wat moeilijkheden en liep tegen Gilva’s vuist op.”
Ik was ineens weer helemaal bij. Oleg die zich had misdragen? Hier, op mijn verloving? Ik schaamde me rot, maar liet daar niets van merken aan mijn neef.
“Is hij bewusteloos?” vroeg ik alleen.
“Ja, maar hij lijkt geen ernstige schade te hebben opgelopen. William en ik hebben hem netjes op bed gelegd.”
“Bedankt daarvoor. Ik zal straks bij hem gaan kijken.” Misschien dat ik hem dan ook stevig de waarheid zou zeggen, maar dat zei ik niet tegen Rhexenor. In plaats daarvan veranderde ik het onderwerp.
“Ik hoorde van Benedict dat jij een leger van hem had getraind in Eregnor, maar dat het daar overbodig was geworden. Zou je dat leger hier willen stationeren en trainen?”
Hij grijnsde.
“Natuurlijk wil ik daarvoor zorgen, dat lijkt me leuk. Dan zal ik jou ook meteen een beetje instrueren.”
“Je bedoelt om legers te commanderen? Dat lijkt me niet nodig,” zei ik haastig.
Hij keek diep teleurgesteld, gelukkig kwamen op dat moment Jurt en Julia naar me toe om afscheid te nemen.
“Want we hebben nog veel te doen,” legde Julia uit. Jurt keek echter alsof hij nog lang niet weg had gewild. Ik bedankte hen voor hun aanwezigheid. Daarna liepen ze naar Mandor.
Ik schonk mezelf nog een glas wijn in en bood er Rhexenor ook één aan.
“Ik vraag me af waarom jij je met die droogkloot hebt verloofd,” zei hij en keek me scherp aan. “Politiek gezien zou het heel goed zijn voor Amber, maar ik kan me niet voorstellen dat jij je daarvoor opoffert.”
Ik keek hem neutraal aan, dit was absoluut niet het moment en de plaats om uit te gaan wijden over de werkelijke reden. Op zich is Rhexenor een heel goede neef van me en zou ik het niet erg vinden als hij iets van de waarheid zou weten, maar dat zou op een ander tijdstip onthuld moeten worden.
“Het belang van Amber is ook mijn belang. Als ik dat kan dienen door een politiek huwelijk aan te gaan, zal ik dat doen.”
Hij schudde verbaasd zijn hoofd.
“Ik vind het raar. Ik ken je al jaren en je bent volgens mij het type niet dat zover gaat met trouw zijn aan Amber. Daarbij is die Mandor is ongelooflijk saaie vent! En jij wilt je daar voor eeuwig aan gaan binden? Ik denk dat je broer wel gelijk heeft met zich daarover op te winden.”
“Ik vind het aardig van je dat je aan mijn welzijn denkt,” antwoordde ik. “Je hoeft je echter geen zorgen te maken. Dit voorgenomen huwelijk zal zeker geen kwaad kunnen en Mandor en ik zullen elkaar niet in de weg lopen. Ik kan volledig mijn eigen gang gaan.”
Zijn ogen werden groot van verbazing. Ietsje verderop stond Mandor de inhoud van zijn wijnglas te bestuderen, ik wist echter dat hij mee stond te luisteren.
“Luister Morwenna,” zei Rhexenor wat ongeduldig. “Als je zo nodig moet trouwen, waarom niet met iemand anders? Die Herman bijvoorbeeld, die leek me wel geschikt.”
Ik verslikte me zowat in mijn wijn. Goeie griezels, hoe kwam hij ineens op die engerd! Mandor keek op, zijn ogen vernauwden zich iets.
“Je bedoelt dat ventje dat eens op zo’n feest in Amber was? Rhexenor, dat was al jaren geleden! Daarbij is hij helemaal niet van mijn stand, een gewoon achterbaks ambassadeurszoontje! Ik heb nog wel wat smaak! Ik kan Amber helpen door deze stap te zetten. Ik doe dat voor Amber en in het belang van de vrede.”
Rhexenor mompelde iets en liep richting Dyenne. Mandor kwam naar me toe en nam me iets terzijde.
“Herman?” siste hij.
“Eén of ander fatje dat een huwelijksaanzoek heeft ingediend toentertijd bij de koning,” zei ik zacht. “Daar zijn er meer van geweest, zo schijnt het. Mijn vader keek er niet eens naar.”
Ik vertelde hem wat ik met Rhex had afgesproken over het leger en hij knikte. Mijn neef kwam weer op ons toe, nu met vrouw, dochter en kindermeisje
“We moeten gaan, de baby wordt moe,” zei hij. “Het was een interessant feest.” Dyenne knikte en mompelde iets. Het kindermeisje staarde brutaal naar Mandor, wat een ongelooflijke trien! Ik moest daar echt iets op gaan verzinnen.
“Dank je,” zei Mandor, die ervoor waakte om Rhexenor de hand te schudden. “Uiteraard ben je hier altijd welkom. Ik hoorde net dat je de legers wilt komen trainen, dat stel ik zeer op prijs.”
“Ik zei al tegen Morwenna dat ik daar een begin mee kan maken en jullie instructies zal geven hoe dat verder te doen.”
Mandor slikte even.
“Dat lijkt me onnodig,” zei hij afgemeten. “Bovendien heb ik geen verstand van legers.”
“Dat kun je leren,” drong Rhexenor aan. “En anders Morwenna. Ze is de dochter van Julian, dus ze kan dat gemakkelijk leren. Ik kan hier toch niet altijd zijn?!”
Ik zag dat mijn verloofde zich ergerde.
“Ik zal het even duidelijk maken,” zei hij kortaf. “Ik heb geen tijd om legers te trainen en Morwenna ook niet. Bij deze is het dus afgesproken dat jij het komt doen. Als je weinig tijd hebt, train dan iemand die orders kan geven.” Hij glimlachte in de richting van Dyenne die wat beteuterd stond te kijken en keek daarna mijn neef weer aan.
“Het was in ieder geval leuk je weer eens te zien, vooral je lieflijke dame.” Hij gaf Dyenne een handkus, die haar deed blozen en ze maakte dat ze weg kwam. Daarna knikte hij naar het kindermeisje dat zich vreselijk stond aan te stellen om zijn aandacht te trekken. Zelfs toen het gezelschap wegliep, presteerde ze het om zich nog eens om te draaien en liefjes naar Mandor te glimlachen, die zijn gewone afstandelijke zelf was. Ik vroeg me af of hij dat geflirt wel had opgemerkt, tegelijkertijd broedde ik op een plan om dat secreet eens goed op haar plaats te zetten. Dood was een mooie oplossing, maar nog te mild. Ze kon natuurlijk een ongelukje krijgen… Of een aandoening waarbij dat hele sletterige gezicht niet meer om aan te zien was. Hmm…

“Eigenlijk heb ik er aardig genoeg van,” zei Mandor zachtjes naast me. “Stom gedoe dit… een ambtskasteel, hoe halen ze het in hun hoofd! Nog wijn?” Ik liep met hem mee naar de drankentafel, alwaar hij onze glazen bijvulde.
“Ik zie ernaar uit om straks weer samen thuis te zijn,” zei hij onhoorbaar voor anderen in mijn oor. “Ik moet nu even met mijn neef gaan praten,” zei hij daarna wat luider en liep in de richting van een lange, blonde jongeman, die zich eerder aan mij had voorgesteld als Ramses Sawall. Er waren enkele neven en nichten van Mandor aanwezig, ik had nog nooit zoveel Sawalls bij elkaar gezien. De meeste bleken opvallend blond te zijn, eigenlijk zo goed als wit. Blijkbaar een dominante eigenschap in de familie, echter niet doorgegeven aan Owen en ook een broer van hem zal dat niet meekrijgen.
Zelf liep ik naar Fiona, die alleen aan een tafeltje afwezig voor zich uit zat te kijken. Ik vroeg toestemming om even aan te mogen schuiven, waarop ze lichtelijk verwonderd keek.
“Uiteraard,” zei ze. Daarna niets meer, ze leek totaal in gedachten verzonken te zijn. Ik besloot om maar meteen tot de kern van de zaak te komen.
“Kan ik een keer – als je tijd hebt uiteraard – een gesprek met je hebben?”
Ze schrok op uit haar gedachten en keek me aan alsof ze me nu pas zag.
“Waarover?” vroeg ze bot.
“Patroon,” zei ik. “Ik heb een vraag die ik je nu wil stellen – niet hier tussen al die mensen – en een aantal dingen meer later.”
Ze haalde haar schouders op en zuchtte licht.
“Dan moet dat maar,” zei ze. “Weet je een plaats waar we kunnen praten?”
Even later sjouwden we al die trappen op naar boven. Ik vroeg me intussen af of dit wel zo’n goed moment wat om een gesprek met haar te beginnen. Ze was vermoeid, ik voelde me ook aardig uitgeput. Maar de vraag – of liever het antwoord – was belangrijk genoeg om niet langer uit te stellen.
Eenmaal boven keek Fiona wat om zich heen en toen doordringend naar mij. Onder haar blik voelde ik me nerveus worden en ik voelde me toch al niet zo geweldig. Niet na de woordenwisseling met Oleg, niet na het duel en al helemaal niet sinds het gesprek met Benedict.
“Wat is je vraag?” kwam ze meteen ter zake.
“Ik heb vragen over Patroon,” zei ik. Ik ben altijd geneigd tot ontwijken van vragen als ik me geagiteerd voel. Iets waar ik me toch overheen zal moeten leren zetten.
“Over Patroon.” Ze stootte een kort lachje uit. “En hoe komt het dat je daar plotseling vragen bij hebt?”
“Ik heb gemerkt dat ik redelijk ver ben in Patroon…” begon ik, maar werd onderbroken.
“Dat betwijfel ik.”
Ik slikte. Natuurlijk, dat had ik kunnen verwachten. Iemand die zo machtig is als Fiona ergert zich aan mensen die denken dat ze iets kunnen. Ze weet wel beter.
“Hoe werkt Patroon als je zwanger bent?” vroeg ik toen.
Weer die priemende blik. Toen liep ze wat op en neer, bleef staan en keek me opnieuw strak aan.
“Dat is nog maar de vraag. Wat heb je al gedaan met Patroon?”
Ik vroeg me in stilte af waarom ze dat wilde weten, waarom het niet mogelijk was dat ze me gewoon een antwoord gaf op de vraag. Desondanks verborg ik mijn ergernis en vertelde dat ik, behalve Schaduwreizen, mezelf afschermen en Schaduwen manipuleren, ik ook in staat was om een Schaduw om te vormen en tijd te beïnvloeden. Ik vertelde zelfs over de staf die ik ooit had gebruikt als Vrouwe van een bepaalde Wereld. Op haar vraag gaf ik ook een beschrijving van de staf. En toen… het bleek weer zover te zijn. Dingen vertellen, mezelf laten uithoren en vervolgens kreeg ik zelf niets te horen. Al die zaken waar ik mee bezig was geweest, waar ik moeite voor had gedaan… Fiona vond het nog minder dan niets.
“Je weet er dus niets van,” zei ze snijdend. “Helemaal niets. Je hebt nog helemaal niets uitgezocht. Wat weet je van Patroon zelf?”
Ik haalde diep adem om mezelf tot rust te krijgen en trachtte zo stoïcijns mogelijk te kijken terwijl ik antwoordde.
“Ik besef heel goed dat ik er nog maar weinig van weet. Ik heb vier Patronen gelopen, een Gebroken Patroon en het Oerpatroon. Maar echt veel ervan weten doe ik niet. Daarom ook dat ik je die vraag stel.”
“Zozo,” zei ze sarcastisch. “Je hebt het al gelopen? Tjonge zeg. Zelfs het Oerpatroon. Nou nou. Je bent al die tijd aan het rommelen en je denkt er niet aan om advies te vragen aan iemand die er wel verstand van heeft?” Ze had een misprijzende trek op haar gezicht en ik voelde de verontwaardiging naar boven komen. Waarom luisterde ik altijd en eeuwig naar anderen? Je moet beslist eens met Fiona praten, uitspraken van zowel mijn vader als Mandor. Ik wist zonder meer zeker dat Fiona over uiterst veel kennis beschikte, dat ze neerkeek op de geringe kennis van haar familieleden, maar ik hoefde niet te accepteren dat ze me behandelde als een lastig insect. Toch slikte ik alweer en probeerde verder te gaan.
“Ik maak inderdaad gebruik van Patroon en weet niet altijd precies wat ik doe. Het is echter handig om te beheersen.”
“Ik stel je een vraag, Morwenna,” zei ze opnieuw scherp. “En je geeft me geen afdoende antwoord. In plaats daarvan zeg je dat Patroon handig is in gebruik. Dat heb ik eerder gehoord van een paar broers van me. En die klooien er ook maar wat op los. Als je niet verder komt dan dat soort uitspraken, stel ik voor dat je ophoudt met rommelen en klooien.”
“Ik stop niet met het gebruik van Patroon,” zei ik ingehouden. “Ik stelde je gewoon een vraag en het enige dat ik wil is daar een antwoord op. Niet dat ik me in allerlei bochten moet wringen en op mijn knieën moet smeken om een antwoord.”
“Ik heb anders nog niets gehoord dat bevestigt dat je een expert bent,” zei ze.
“Ik heb nooit gezegd dat ik dat ben. Ik weet zelfs dat ik dat niet ben.”
“Oh nee? Je beweert anders ‘ver te zijn in Patroon.’ Intussen weet je nergens van? Dan moet je ophouden met Patroongebruik en dat aan echte experts overlaten. En antwoord geven op mijn vraag. Je kunt niet gewoon maar wat aanklooien.”
Ik had het gehad. Echt helemaal gehad die dag. Ik kon geen goed doen blijkbaar, ik moest er echt mee stoppen. Ik kon het ook niet helpen dat ik overal een beginneling in ben. Dat ik nog geen honderden jaren aan ervaring en onderzoek heb waar ik op terug kan vallen. Ik had genoeg van die rotfamilie die me zo duidelijk liet merken dat ik een dom en naïef kind was en zij superieur. Ik draaide me om en liep richting trap, zonder nog iets te zeggen.
“Hee, jongedame!” riep ze me na. “Draai me niet de rug toe. Ik heb je een vraag gesteld!”
Ik keerde me weer naar haar, besloot toch tot een soort van verklaring.
“Hier heb ik geen zin in. Ik heb jou ook een vraag gesteld, maar krijg geen antwoorden. Zo hoeft het voor mij niet. Had dan meteen gezegd dat je geen tijd hebt. ”
Haar ogen vernauwden zich en ze keek bepaald grimmig.
“Je kunt niet zomaar weglopen. Dit zijn heel gewone vragen waar je ooit antwoord op zal moeten geven. Probeer het nog eens. Voor iemand die zo ambitieus is, komt er maar weinig uit.”
Nu was ik het die even honend lachte.
“Ambitieus zeg je? Afgezien daarvan heb ik je gezegd dat ik er weinig van weet, daarom kom ik ook naar je toe. Maar dit… ik heb geen zin om keer op keer antwoorden uit mijn ooms en tantes te moeten trekken, om iedere keer weer een vorm van dat afschuwelijke rotspel te moeten spelen. Zo ben ik niet en ik wens er niet aan mee te doen. Als je alleen maar met tegenvragen komt, gecombineerd met een heleboel verwijten, houdt het voor mij op. Dan zoek ik het inderdaad maar beter zelf uit.”
“Morwenna,” zei Fiona bars, “uit degene van wie ik les heb gekregen was geen zinnig antwoord te krijgen. Maar ik gaf niet op. Ik heb ervoor gevochten om dingen aan de weet te komen.”
“Goed van je. Ik ben waarschijnlijk anders. Heel vervelend voor je dat jij zo’n moeite hebt moeten doen, ik begrijp nu in ieder geval beter waarom ik niet gewoon een antwoord krijg.”
“Ik zal proberen het je uit te leggen. Vrouwen worden niet hoog aangeslagen binnen de familie. Wij, jij en ik, moeten harder knokken om iets te bereiken dan je ooms en je neven.” Ik vroeg me af waarom ze haar zussen buiten beschouwing liet. Sloeg ze deze mogelijk zelf niet hoog aan? Of, dat was waarschijnlijker, hadden deze zich in een totaal andere richting ontwikkeld dan zij en waren ze daardoor minder tegenstand tegengekomen? Meteen wist ik dat het in ieder geval niet gold voor Deirdre, die zich staande had moeten houden tussen indertijd alleen maar broers.
“Ook heb ik dan nog twee broers die vinden dat ze beter zijn dan een vrouw. Dat is een heel moeilijke start, Morwenna!”
Ik keek haar aan. Van haar gezicht was niets af te lezen. Ondanks haar relaas was ik niet overtuigd dat ze het goed met me meende en zei dat ik beter kon gaan. Ze deed een paar stappen naar voren tot ze vlak bij me stond en keek naar me op. Fiona is een heel kleine vrouw, zeker zo’n 15 cm kleiner dan ik.
“Is dat wat je wilt? We zijn tenslotte toch hier, waarom geef je een antwoord? Kom op, je hebt toch wel wat wilskracht als je dit soort vragen stelt?!”
“Dat heb ik wel Fiona, maar ik hou niet van dit soort conflicten. In dat geval kies ik, als het mogelijk is, ervoor om weg te gaan. Dat is geen zwakheid, maar om mezelf te beschermen.
Goed, ik zal het nog eens proberen, echter zodra ik het weer uit de hand vind lopen, ben ik weg.”
Ze knikte en deed een stap naar achteren.
“Ik zei je al dat ik weinig weet van Patroon zelf, behalve dat ik er een aantal gelopen heb.”
“Waaronder het Oerpatroon. Dat is toch wat me verbaast, het Oerpatroon kan alleen gelopen worden door hen die het werkelijk kunnen en is gevaarlijk. Dat moet vast heel moeilijk zijn geweest voor je.”
“Het was niet moeilijk. Kort tevoren had ik een ander Patroon gelopen, misschien dat dat hielp?”
Ze schudde haar hoofd.
“Dat heeft er niets mee te maken. Ik begrijp dat je het Oerpatroon liep zonder te weten dat het gevaarlijk is? Zeker als je niet voldoende weet van Patroon. En je wilt daarop doorgaan, maar je hebt niet genoeg doorzettingsvermogen om uit te zoeken wat je precies aan het doen bent,” dramde ze toch weer.
Ik zweeg en haalde mijn schouders op. Ik besefte ineens dat Ronardo vaak ook zo oeverloos doorzeurde. Geen twijfel over mogelijk van wie hij dat had.
“Hoe kwam je bij het Oerpatroon?”
“Via Ronardo. Hij had ook van tevoren een Patroon gelopen en wilde uitkomen bij het oorspronkelijke Amber. Hij kwam daar terecht en had een gesprek met Dworkin. Ik was eerst ergens anders naar toe gegaan en moest daar heel dringend weg. Ronardo haalde me toen door.”
“Ronardo heeft het Oerpatroon anders niet gelopen,” zei ze stellig.
“Klopt. Ronardo is weggestuurd door Dworkin, deze heeft nog wat met me gepraat en als ik zo graag wilde, moest ik dat Patroon maar lopen.”
“Geen bewaker ontmoet?”
“Dworkin zei het zelf te zijn, maar liep me niet in de weg. Of het moet die griffioen van Dworkin zijn, die had ik in een kooi gestopt,” zei ik.
Ze fronste verwonderd haar wenkbrauwen.
“Hoogst eigenaardig,” zei ze. “Wat zei Dworkin?”
“Niets bijzonders,” zei ik terughoudend. Ze hoefde niets te weten van zijn vraag over mijn relatie tot Mandor. En zijn advies om Dara te vermoorden om zo koningin van Chaos te worden.
“En je vond het Oerpatroon niet moeilijk?”
“Het was veel gemakkelijker om te lopen dan de andere Patronen. Ik moest alleen zorgen op het paadje te blijven, in de gaten ertussen leken monsters te zitten die gevaarlijk waren en jaloers leken te zijn op mij. En verder heb ik bij het middelpunt mensen ontmoet.”
“Dat kan niet,” zei ze beslist. “In Tir-na n’Oght kun je mensen zien. Ik zou dat meteen wantrouwen. Dat is ontzettend gevaarlijk!”
Wederom haalde ik mijn schouders op en wijdde niet uit over de mensen die ik er zag. In plaats daarvan vertelde ik wat ik wel wist van Patroon. Dat het helpt je vorm te behouden, door Schaduw te reizen en deze eventueel te manipuleren, dat het Patroon iets heeft met bloed van Amberieten en je herkent als Amberiet. En dat ik het gevoel had dat Patroon iets leek te willen, maar ik geen idee had wat precies.
“Op het moment dat je niet voorbereid bent op wat het Patroon wil, loop je ernstige risico’s. Was dit nu zo moeilijk? Ik snap niet dat je me eerst wil spreken en vervolgens geen antwoord geeft op vragen.”
“Misschien komt dat omdat je zo duidelijk laat merken dat je geen tijd hebt om je bezig te houden met de vragen van domme nichtjes,” zei ik vermoeid.
Ze zuchtte, liep weer wat op en neer, bleef uiteindelijk bij de kantelen staan en tuurde een poosje in de verte. Zelf zou ik het gesprek het liefst meteen hebben beëindigd, het leek er niet op dat het enig nut had. Dat wat ik totnogtoe had gehoord, had ook kunnen wachten tot een andere keer.
Ze draaide zich weer naar me toe.
“Het feit dat we hier nu staan is niet voor niets. Over een week ga je trouwen met Mandor Sawall en het voelt aan als gemanipuleer van Patroon. Dat trouwen van jullie is uitermate vreemd te noemen, het grenst zelfs aan een grote onwaarschijnlijkheid.”
Ik zweeg terwijl ik me afvroeg wat daar nu zo vreemd aan was. Er waren eerder combinaties geweest van Amberieten en Chaosieten, ook zonder Patroon. Waarom zouden Mandor en ik nu een vreemdere combinatie zijn dan die andere paren?
Fiona keek me weer doordringend aan, ik zei echter niets. Ik wist niet zeker of ze bepaalde dingen al wist of dat ze enorm aan het vissen was.
“Er is daar iets gebeurd bij dat Oerpatroon, ook al wil je er niets over zeggen. Er is daar iets gebeurd en daarom staan we hier nu. Het feit dat je er personen hebt gezien is uiterst vreemd.”
Dat kon. Het zou toch iets te maken kunnen hebben met mijn afkomst via Lorrayne en ook wist ik inmiddels dat er tevens iets was met mijn vader. Maar dat waren onderwerpen waar ik het niet over wilde hebben met Fiona op dat moment.
“Het Patroon kan je in gevaarlijke toestanden brengen, in feite ben je een verlengstuk van het Patroon zelf. Als jij Patroon loopt en je staat daar open voor, heb je een groot risico dat je gemanipuleerd wordt door Patroon. Andersom is ook mogelijk.”
Hee, dat was informatie waar ik iets aan had. Kleine stukjes en beetjes, vooral niet alles in één keer. Eigenlijk vond ik dat niet zo heel erg.
“Niemand heeft onderzocht wat het Patroon met je doet. Oppervlakkig gezien is dat wat je zegt over het bloed van Amberieten waar. Als een niet-Amberiet het Patroon loopt, wordt deze vernietigd, gewist of deze ontploft. Het Patroon doet iets, het daagt je uit. Waarom is er geen ander ritueeltje om iemand te herkennen als familielid? Iets dat een stuk eenvoudiger is en minder zwaar? Wat is het Patroon eigenlijk? Het is destijds gemaakt om ervoor te zorgen dat Schaduw niet nog verder versplinterde. Er was iets bezig dat ervoor zorgde dat alles uit elkaar viel en Patroon en Logrus zorgden voor een bepaalde veiligheid.”
Ziedaar! Dat zou een verklaring kunnen zijn dat Patroon en Logrus over restanten van de Oorspronkelijke Wereld zouden liggen.
“Een heleboel dingen verklaart het echter niet, alleen de Macht die Patroon heeft over Schaduw. Het is levend en het heeft een eigen intelligentie. Het werkt samen met de Eenhoorn. Of is dat een manifestatie van Patroon? Anderen zeggen dat Dworkin dat is. Dan kunnen we gaan denken over de afkomst van mijn vader… zou deze werkelijk zijn voortgekomen uit die manifestaties?”
“Inmiddels heb ik daar iets anders over gehoord,” zei ik, enigszins blij dat ik misschien iets zinnigs kon toevoegen. Maar ze luisterde niet eens, ging gewoon verder met haar monoloog.
“Sommigen denken dat het lekker gemakkelijk is, het gebruiken van Patroon. En zo zal het wel zijn voor hen die het lopen zonder er bij na te denken wat het echt doet, wat zij aan het doen zijn. Dan kan ik daarmee terug komen op je vraag. Ongeboren kinderen kunnen zich niet verweren tegen de invloed van Patroon.”
“Dank je. Het lijkt erop om het beter niet te lopen in geval je zwanger bent.” Intussen kwam in me op dat je als vrouw toch een extra beperking had zo. Een man hoefde zich hier totaal niet druk over te maken.
“Dat is niet wat ik zeg. Het Patroon maakt tevens een soort kopie, ik vraag me af wie daar nu opdracht voor heeft gegeven. Je kunt er natuurlijk gebruik van maken, als je iets zou gebeuren, kun je terugkeren naar het moment dat je net Patroon liep. Dat zou wel rare situaties opleveren als je toen zwanger was.”
Ik grinnikte bij de gedachte daaraan, al vroeg ik me in stilte af hoe je dan terug kon keren naar dat moment. Het deed me denken aan die spelletjes die ik mijn neven wel eens had zien spelen. Als het karakter dood ging, gingen ze verder vanuit een gesaved moment in het spel.
“Het Patroon heeft een eigen realiteit,” ging ze verder. “Als je dat aan je op laat dringen, gebeuren er dingen waar je geen vat op hebt. Misschien vind je sommige dingen prettig, er kunnen echter ook dingen gebeuren die je niet kan overzien. Ik denk dat dat met jou gebeurd is.”
“Dat kan,” zei ik nog steeds op mijn hoede. Het klopte wat ze zei, ik had inderdaad naar aanleiding van het gebeuren op het Oerpatroon een keuze gemaakt. Sindsdien had ik vaak het gevoel gehad dat mijn leven niet meer van mij was, dat er veel gebeurde wat ik niet in de hand had. Mijn keuze had op zijn zachtst gezegd enorme consequenties met zich meegebracht, niet alleen voor mezelf, maar zeker ook voor Mandor.
“Ik heb daar een eigen theorie over,” zei ze, intussen me weer scherp aankijkend. “Het Patroon is bezig om bepaalde mensen te koppelen. Ik weet niet waarom, maar dat is wel het geval. Het kan zijn dat het Patroon op zoek is naar iets, naar een bepaalde familielijn of naar een persoon die kwijt is.”
Hier schrok ik toch een beetje van en dacht aan de zoon die volgens Brand een sleutelfiguur zou zijn. Hoe lang was Patroon al hier mee bezig? Wie of wat was dit begonnen? Lorrayne, mijn moeder, mijn vader. En ook mijn zoon? Was er al een eerdere poging gedaan door mijn overgrootmoeder aan mijn overgrootvader te koppelen?
“Het is dus niet uitgesloten dat je het loopt,” zei Fiona terwijl ze me van hoofd tot voeten opnam. “Als je het loopt zul je een ongeboren kind moeten beschermen tegen de invloed van Patroon.”
Dat snapte ik. Voor zover dat mogelijk was, wilde ik dat het kind een eigen keuze kon maken als het ouder was en niet al beïnvloed zou zijn door wie of wat dan ook.
“Hoe doe je dat?”
“Dat is moeilijk. Ooit heb ik een soort van tip gehad van Dworkin. Stel je een schaakbord voor en zorg ervoor dat je zelf niet de pion bent. Pionnen worden uitgeruild, geslagen en dergelijke.”
Ik glimlachte flauwtjes, denkend aan al die keren dat ik mezelf een pion voelde. En tevens aan de schaakspelletjes die ik had gedaan met zowel mijn vader als met Mandor. Alle keren had ik verloren.
Ik bedankte haar voor het antwoord en vertelde alvast waar ik een volgende keer met haar over wilde spreken. Toen ik iets zei over Overschaduw trok ze een afwerend gezicht en zei dat ze het daar niet over wilde hebben. Over Logrus versus Patroon wilde ze echter meteen al iets zeggen, vooral toen ik zei niets van Logrus te weten, behalve dat ik het eens gezien had.
“Er zijn twee helften van een balans, opbouwende en erosiekrachten. Logrus staat voor het laatste, Patroon voor het eerste. Het is een mix, een balans, een geheel. Ik denk dat, doordat er teveel Patronen zijn, de Logrus overcompenseert. Ik denk dat de Logrus dus juist gevaarlijker is geworden en daardoor het Patroon afzwakt. Hoe kom je erbij dat het anders is?”
“Mijn vader had dat idee,” zei ik rustig.
“Julian? Die heeft daar niet zoveel verstand van,” dacht ze.
Ik was het niet met haar eens, maar dat zei ik haar niet. Mijn vader mag dan geen wetenschappelijke kennis hebben van Patroon, maar hij heeft een band met Arden en had het over een speciale plaats daar, iets dat met de oorsprong te maken had van Amber. Ik denk dat mijn vader veel meer kennis bezit dan zijn zussen en broers vermoeden, dan dat hij ze laat merken.
“Ik denk dat het gevolgen heeft voor bepaalde Schaduwen die al onstabiel waren. Ik denk dat deze nu nog extremer zijn geworden, maar er zullen duizenden jaren overheen gaan voordat de effecten merkbaar zijn.”
“Ik kom regelmatig op werelden die op het punt staan vernietigd te worden, eigenlijk bezig zijn om vernietigd te worden,” zei ik. “Mogelijk heeft dat er mee te maken.”
“Ik denk het niet. Helaas zal mijn broer daar meer van weten.”

Ik bedankte haar voor de antwoorden en we gingen weer naar beneden. Terwijl zij terug keerde naar de feestzaal, nam ik eerst de gelegenheid om te kijken hoe het met Oleg was. Hij lag bewusteloos op bed, op zijn hoofd was zich een grote blauwe plek aan het vormen. Ik zuchtte, geen enkele kans nu om hem op zijn gedrag aan te spreken, wellicht kon ik dat beter helemaal laten.
Eenmaal beneden had ik het een poos druk met handjes schudden van een aantal gasten die weer gingen, gelukkig begon dit hele feest op haar einde te lopen. Mijn ouders leek het wel wat om in het kasteel te blijven overnachten, maar ik zei hen dat het nog niet bewoond werd, dat ze een andere keer konden komen logeren.
“Maar wat moeten we dan?” vroeg mijn moeder verschrikt. “Die neef van je is al weg, ze hebben ons niet eens gevraagd om mee terug te gaan!”
“Rhexenor is vergeetachtig,” troostte ik haar. “Dat is niet opzettelijk gebeurd, dat weet ik zeker.” Toch was het wel weer erg slordig van mijn neef. “Je kunt in paleis Amber overnachten of mogelijk wat langer blijven als je dat leuk vindt. Anders ga je morgen naar Antioch terug, dat wordt dan door Deirdre geregeld.”
Natuurlijk vond Deirdre het geen enkel probleem dat mijn ouders in paleis Amber zouden verblijven.
“Jij kunt natuurlijk ook blijven,” zei ze. “Je rustig voorbereiden op je huwelijk.”
“Dank je, ik heb een aantal dingen te doen echter.”
Ze knikte en begeleidde mijn ouders persoonlijk over de weg richting Amber, nadat ze afscheid hadden genomen.
Mandor kwam naar me toe en maakte een buiging.
“Het wordt tijd om te gaan,” zei hij vormelijk. “We zullen elkaar binnenkort echter weer zien.”
“Het was me een genoegen,” zei ik. “Tot binnenkort.” Ik stak hem mijn hand toe, waar hij een kus op drukte. Daarna ging hij weg.
Voor mij was het ook tijd om te gaan. Ik liep wederom naar de kamer waar Oleg nog steeds bewusteloos lag, vergeten door vrijwel iedereen. Met een vaag gevoel van medelijden tilde ik hem op en droeg hem naar beneden, waar een jonge wachter op me toe schoot.
“Prinses, u hoeft hem niet te dragen,” zei hij geschokt en nam Oleg van me over. “Daar zijn we ook voor, om u te helpen,” legde hij uit terwijl hij naast me op de weg liep in de richting van de mist.
Bij de heuvels van Amber stonden een aantal koetsen gereed om mensen naar het paleis te voeren. De jonge soldaat legde mijn broer op een bank in een koets, zelf nam ik tegenover hem plaats en bedankte de wachter voor zijn goede zorgen. Hij maakte een diepe buiging en keerde terug naar Elysium.
De rit naar paleis Amber duurde niet erg lang. Daar aangekomen was er weer een wachter die zich over Oleg ontfermde en hem naar een gastenkamer bracht. Al die tijd was mijn broer niet bij bewustzijn gekomen. De combinatie van veel drank en een welgerichte klap had ervoor gezorgd dat hij effectief voor langere tijd was uitgeschakeld. Ik voelde me schuldig, dit had hij toch niet verdiend!

Ik ging naar de koffiekamer om te kijken of mijn ouders nog op waren. Ze waren er allebei. Mijn stiefvader zat op zijn gemak een krant te lezen, mijn moeder was aan het praten met Corwin, die na mijn binnenkomst meteen opstond en de kamer verliet. Ik keek hem verwonderd na.
“Hij is toch niet ook al boos op mij?” vroeg ik me hardop af.
“Natuurlijk niet,” zei mijn moeder. “We hebben wat nagepraat over het feest en hij zei dat hij nog wat dingen te doen had.”
Ik ging zitten op één van stoelen en nam de kop thee aan die mijn moeder me aanbood. Mijn stiefvader liet de krant zakken en keek me aan.
“Dat was een uiterst bijzonder feest,” zei hij opgewekt. “Dat gevecht stal zondermeer de show, dat deed me denken aan de tijd dat ik in Afrika was. De verbintenissenceremoniën daar zijn heel anders dan in Engeland. Gevechten, competitie… dat is daar heel normaal. Ik moet zeggen dat je je bijzonder goed hebt weten te verweren trouwens. Ik heb altijd wel gedacht dat je je niet alleen maar met opgravingen bezig hield tijdens je reizen, alhoewel je vechttechniek me niet bekend voorkwam.”
“Mijn vader heeft me getraind,” zei ik. Hoewel ik zeker wist dat hij het hele duel af zou hebben gekeurd, vond ik het toch jammer dat hij niet gezien had dat ik wel degelijk iets van hem had opgestoken. Het was echt de hoogste tijd dat ik eens een poos met hem zou optrekken, wat kenden we elkaar nu!
Mijn moeder keek bedenkelijk.
“Ik blijf erbij dat vechten voor een dame geen pas geeft,” zei ze afkeurend. “En dan die verloving… er waren een heleboel vreemde lieden aanwezig. Zoals die onhandige jongeman die wijn morste over mijn jurk. En dan was er zijn broer die probeerde te sjansen met alle vrouwelijke aanwezigen… dat is toch ongehoord! En hun moeder, die volgens jou koningin zou zijn… ze gedroeg zich als een rebels schoolmeisje!”
Hmm, het was maar goed dat Xeena niet aanwezig was geweest. Martin was er wel, maar deze had er netjes uitgezien en zich ook zo gedragen. Net als Random trouwens.
“Ik heb wel wat leuke gesprekken gehad met een paar van je familieleden,” ging mijn moeder verder. “Bleys was alleraardigst en informeerde naar mijn gezondheid. Hij was zeer meelevend toen ik hem vertelde over de brand op Larenian. Hij vertelde dat hij moeite had gedaan om jullie een mooi kasteel te maken, ik hoop dat je hem dankbaar bent. Het is ontzettend attent van hem om zich al die moeite voor jou te getroosten. Ook heb ik gesproken met die ene tante van je, Flora. Wat een allerhartelijkste dame is dat! En ze weet zich zo goed te kleden! Ik geloof dat ze jou echt mag!”
“Er zijn niet veel nichtjes binnen de familie,” zei ik. “Tenminste niet veel die zich ook met Amber bezig houden. Ze heeft het van het begin af geweldig gevonden dat ik mijn opwachting maakte.”
“Ik ben blij voor je dat ze je zo goed heeft opgevangen binnen de familie. Ze is heel anders dan je vader, die heeft helemaal niets tegen me gezegd! Wat gedroeg hij zich weer afstandelijk en stug. Schandalig van hem om zo vroeg weg te gaan van jouw verloving!”
“Ik heb daar geen problemen mee,” loog ik. Het vroege weggaan van Julian en ook diens kortaffe houding naar mij toe zat me echter heel hoog. Wat moest ik een teleurstelling voor hem zijn! Was het een wonder dat hij had besloten afstand te nemen en zich bezig te gaan houden met jonge Amberieten die zich wel normaal opstelden? Het was gewoon mijn eigen schuld en ik zou dat nooit meer echt goed kunnen maken.
Ik zette mijn lege kopje naast me op tafel, ik kon me niet eens herinneren dat ik het leeg had gedronken.
“Ik moet gaan,” zei ik tegen mijn ouders en stond op. Met name mijn moeder keek teleurgesteld.
“Nu al!” zei ze dan ook. “Waarom blijf je de komende week niet gewoon bij ons? Ik kan je dan helpen om voorbereidingen te treffen voor je huwelijk, je advies geven over een passende bruidsjurk – daar moeten we morgen meteen achterheen!”
“Mijn excuses. Die bruidsjapon komt echt in orde, misschien dat ik je om advies kom vragen, het ligt er echt aan hoeveel tijd ik vrij kan maken. Ik heb heus een heleboel te doen de komende dagen.” Ik dacht aan Owen, die ik niet te lang alleen wilde laten. Aan het feit dat ik nog een aantal mensen moest spreken. Nog maar zes dagen om iets te vinden tegen totale onvruchtbaarheid. Ik had behoefte aan de omarming van Mandor. Allemaal zaken die ik mijn moeder niet kon uitleggen.
Ik omhelsde haar kort, gaf mijn stiefvader een hand en ging naar mijn kamer in het paleis. Daar pakte ik de troef van de waterput uit mijn deck en concentreerde me. Nog maar even, dan zou ik de stevige armpjes van Owen weer om mijn nek voelen…

Ergens halverwege werd ik ergens anders naar toe getrokken en kwam uit bij een waterput. Uiteraard. Ik zuchtte diep en stopte de troef alvast terug in mijn deck. Voordat ik een andere troef pakte, keek ik om me heen. Deze keer leek er geen sprake te zijn van een wereld die bezig was vernietigd te worden. Ik stond gewoon bij de waterput van een kleine nederzetting. Het was avond, er waren wat huisjes te zien en ook een herberg waar licht brandde.
Ik besloot om eerst te gaan kijken waar ik was uitgekomen. Ik merkte bovendien dat de tijd ten opzichte van Amber vele malen sneller ging, dus heel veel oponthoud zou dit niet eens geven.
De herberg was klein en ouderwets en straalde een gezellige sfeer uit. De waardin, een mollige kleine vrouw met een schort voor, maakte een beleefde kniks en vroeg in het Engels of ze me ergens mee kon helpen.
Ik vroeg om wat warme wijn, ze vroeg of ik er misschien ook iets bij wilde eten? Echt honger had ik niet, dus ik vroeg meer uit beleefdheid om wat brood. Ze wees me een tafeltje bij het raam en maakte het brandschone blad nog eens schoon voordat ik ging zitten. Even later bracht ze me brood en een kan wijn. Er waren meer gasten in de herberg. Nadat ze me een poos hadden zitten aanstaren, kletsten ze onderling weer verder.
Ik dronk wat van de uitstekende wijn en at van het verse brood, me intussen afvragend of ik met iemand een praatje zou moeten aanknopen. Eerlijk gezegd had ik wel even genoeg gesprekjes gehad die dag.

Ineens viel iedereen stil en keek men vol ontzag naar de man die net binnen was gekomen. Inderdaad iemand die een bepaalde indruk maakte. Hij was gekleed in een lange witte mantel, in zijn hand had hij een staf. Een grijze baard en grijs halflang haar. Met een onderzoekende blik bekeek hij alle aanwezigen in de gelagkamer en iedereen kreeg het ineens druk met vooral niet naar hem te kijken. De man knikte, keek toen naar mij en kwam mijn richting uit.
Ik was zeker niet op de wereld waar ik indertijd was geweest toen ik op zoek was naar een wereld om Owen geboren te laten worden. Toch was dit zonder meer een druïde en het leek erop dat hij mijn aanwezigheid hier verwacht had. Ik maakte een gebaar naar de stoel tegenover mij.
“Alstublieft, ga toch zitten,” zei ik in het Engels. De man maakte eerst een buiging alvorens plaats te nemen.
“Een goedenavond,” zei hij met een welluidende diepe stem in dezelfde taal. “Ik zie dat u reeds bent gearriveerd. Hierbij wil ik mijn excuses aanbieden dat ik niet op tijd was om u op gepaste wijze te ontvangen.”
Even was ik met stomheid geslagen. Deze keer was het anders gegaan dan in een cirkel van druïden uit te komen, toch deed dit daar wel heel erg aan denken.
“Het is niet zo eenvoudig om de sterren nauwkeurig af te lezen,” verduidelijkte de man.
“Geen probleem,” zei ik. “Eerlijk gezegd wist ik niet eens dat ik verwacht werd. Ik ben Morwenna.”
Ik bood hem wat te drinken aan en brood, wat hij accepteerde. De waardin kwam haastig een kroes voor hem brengen.
“Ik ben Garn, de plaatselijke druïde hier. U heeft zelf uw komst aangekondigd immers.”
Dat was een lastige situatie. Zeggen dat ik niet was die hij voor zich hield was een mogelijkheid, maar niet zo’n heel goede. Eerder had ik namelijk al eens bewijzen gezien dat ik ergens geweest zou zijn waar ik nooit was geweest. De gedachte begon in me op te komen dat ik mogelijk toch die ene eigenschap had die mijn vader ook heeft, reizen naar een bepaalde plaats en uitkomen op het tijdstip, bij de gebeurtenis die je wilde bereiken. Goed, dit was niet precies hetzelfde, maar eraan verwant. En als ik dan dacht aan de eigenschappen die mijn overgrootmoeder Lorrayne had, leek het erop dat er wat was gecombineerd en op mij overgedragen. Dan was er nog iets dat met beïnvloeding te maken had. Steeds sterker begon het gevoel in me op te komen dat ik het zelf was die troeven kon beïnvloeden op een bepaalde manier, alleen wist ik nog niet hoe. De troef die extra in mijn deck zat, kon ook wel eens van mezelf zijn. Maar alweer tastte ik volledig in het duister wat betrof het ‘hoe en waarom’.
De stem van Garn haalde me uit mijn gedachten.
“Dat u nu hier bent, bewijst dat het nodig is, u bent hier niet voor niets weer terug.”

Mijn hemel, wat was het wat mijn vader ooit zei? Ik ontmoette je moeder voordat ik haar voor de eerste keer ontmoette.

“Ik wil U graag helpen, helaas kan ik me niet meer zo goed herinneren hier eerder geweest te zijn,” probeerde ik toch maar.
De man trok een wenkbrauw op.
“Ik kan U vertellen dat we al die jaren uw opdrachten hebben uitgevoerd en hebben gewacht op uw terugkomst. Dit alles is opgetekend in het Boek van de Eik.”
Hmm, een typische druïdentitel. Ik zou het zelf bedacht kunnen hebben.
“En u bent inderdaad teruggekeerd op het tijdstip dat u zelf heeft aangegeven. Ik moet zeggen dat ik niet helemaal verwacht had dat het zo onopvallend en gedistingeerd zou zijn, doch het past bij wie u bent. Ik voelde echter meteen uw aanwezigheid, de macht.”
“Ik heb veel gereisd en ik kan me niet alles meer goed herinneren,” probeerde ik aan meer informatie te komen. “Ik zou het op prijs stellen als u me kunt vertellen waarom ik hier ben. Misschien verwart u me zelfs met iemand anders.”
Garn keek uiterst verbaasd.
“U bent immers de Hoedster van deze wereld. U weet wat er aan de hand is en waarom u terug bent gekomen.” Hij keek me met een bezorgde blik aan. “Ik denk dat u een lange reis heeft gemaakt, het is beter dat u een nachtje rust voordat ik u bij de anderen breng, zodat er zaken besproken kunnen worden. Ik denk dat veel beter is, gezien uw toestand moet u uzelf in acht nemen.”
Dat een druïde op de hoogte was van een zwangerschap verwonderde me helemaal niets. Ook niet dat ik een bepaalde band heb met druïden. Jaren geleden, voordat ik een fascinatie kreeg voor Egyptologie, was ik gebiologeerd geweest door de Keltische geschiedenis, de druïden en hun mystiek. Ik had in die tijd vele plaatsen gezien, behalve Stonehenge en Avebury was ik ook naar de Hebriden geweest. Helaas was er erg weinig terug te vinden over druïden, laat staan dat er veel over geschreven was, behalve door Romeinse en later Christelijke schrijvers. Mede daarom had ik me uiteindelijk gespecialiseerd in het wat meer opgetekende Egyptologie.
Het liefst had ik me meteen naar ‘de anderen’ laten brengen, omdat ik me schuldig voelde naar Owen toe. Aan de andere kant was het zeker waar dat ik na deze lange en vermoeiende dag rust kon gebruiken. Ik concentreerde me wat sterker op het tijdsverloop hier en herademde. Zo’n 20 keer sneller dan in Amber, dat was 7 keer ten opzichte van Gormenghast. Als ik hier zou overnachten, ontbijten en de anderen zou ontmoeten, zou dat waarschijnlijk maar een uur of drie, vier voor Owen betekenen.
“Goed,” zei ik. “Ik zal doen wat u me aanraadt.”
Hij knikte en stond op van zijn stoel om iets tegen de waardin te zeggen. Ze knikte heftig. Garn kwam weer terug naar mijn tafel en maakte weer een beleefde buiging.
“Men zal hier goed voor u zorgen, uiteraard zal u niets in rekening worden gebracht. Morgen kom ik u halen.” Daarop verliet hij het pand.

Hij had niets teveel gezegd, er werd uitstekend voor me gezorgd. Ik kreeg het beste van het beste eten, de beste fles wijn werd opengemaakt en men gedroeg zich zeer beleefd. Ik liet deze verzorging me welgevallen, ik was zo moe dat ik daar behoefte aan had.
Tijdens de maaltijd kwam er een speelman binnen, een stevige man met grijs krullend haar. Hij begeleidde zijn liederen met een luit. Het had wel wat, achtergrondmuziek tijdens het eten en ik luisterde niet echt. Tot ik een passage hoorde over dat ‘alles goed kwam tussen twee geliefden dankzij de Vrouwe.’ Ik grijnsde in mezelf.
De speelman had een heel repertoire, van melancholische liederen tot vrolijk. Er was een lied tussen dat ging over een stad in de wolken, de stad die verscheen bij maanlicht. Na dit lied ging ik even naar buiten en keek omhoog naar de heldere sterrenhemel. De maan stond bijna vol aan de hemel, maar er was geen stad te zien.
Daarna ging ik weer naar binnen. De speelman was inmiddels begonnen aan een heel vrolijk lied. Ik vroeg aan de waardin of het mogelijk was dat mij mijn kamer werd gewezen. Ze begeleidde me persoonlijk naar een kamer waarvan ik geloofde dat het de mooiste was met het beste bed. Ik kan niet anders zeggen dan dat ik vreselijk in de watten werd gelegd. Er werd een bad voor me gevuld, er waren genoeg handdoeken en ze bood me nog een glas warme honingwijn aan dat ik gretig accepteerde.
Eenmaal liggend in bad, gleden de spanningen van de afgelopen dag weg. Het was in ieder geval een heel vreemde afloop zo. Ik liet de gebeurtenissen nog eens voorbij komen. Was het wel zo’n goed idee geweest om Navrashi in leven te laten? Ik wist zeker dat Flora nooit en te nimmer een rivale vrij zou laten rondlopen. Waarheid was dat ik lichtelijk medelijden voelde met haar. Ik heb nog steeds geen idee wat haar werkelijke gevoelens voor Mandor zijn, ik wist alleen de feiten van zijn kant van het verhaal. Hij was verliefd op haar geweest, ze hadden een relatie gehad en een dochter gekregen. Zijn verliefdheid ebde weg en er kwam niets anders voor in de plaats. Zijn aanname was dat dit met haar ook het geval was, maar was dit wel zo? Hoe kun je staan tegenover een man die naderhand nooit een poging heeft gedaan om je te zoeken? Zou haar gedachte zijn geweest dat – als hij haar niet wilde hebben – hij ook geen ander zou hebben? Wie zou degene zijn die me zou gaan vergiftigen over enkele dagen? Ik legde mijn hand op mijn buik, waar het begin van de zwangerschap goed voelbaar was. Ik geloofde niet dat het Navrashi zou zijn, ze zou trouwens niet op de gastenlijst staan. Mandor had gelijk, het moest iemand zijn die absoluut niet wilde dat er kinderen voort zouden komen uit dit huwelijk. En er waren er meerdere die daarvoor een reden zouden hebben, niet alleen binnen de Huizen van Chaos.
Uiteindelijk klom ik het bad uit, droogde mezelf af, sloeg een badjas om die voor me klaar hing en schreef nog wat in mijn dagboek. Daarna kroop ik in bed.
Het duurde lang voordat ik in slaap viel. Ik voelde me wat alleen, op een vreemde wereld in een vreemd bed. Slapen deed ik naderhand ook niet zo heel goed, maar sinds Dark End was er geen sprake meer geweest van een goede nachtrust. Hoewel het deze keer niet de nachtmerries waren die mijn slaap verstoorden. In plaats daarvan hoorde ik steeds stemmen in mijn hoofd. Ik kon echter net niet horen waar ze over spraken. Wel kwam het besef in me naar boven dat er iets was dat ik zou moeten weten, maar dat ik dat gewoon vergeten was. Ik wist niet eens zeker of het iets was dat ik als Hoedster van deze wereld moest weten of als Morwenna.

Weer was ik blij dat het de volgende ochtend was. Ondanks de vrijwel slapeloze nacht voelde ik me toch uitgerust. De wonden op mijn armen staken niet langer en waren aan het dichttrekken, van de andere verwondingen was er niet veel meer te zien.
Ik kleedde me in mijn verlovingsjapon, op de één of andere manier reisde ik nog altijd zonder al te veel bagage. Ik dacht aan Fillipien, die ik had achtergelaten bij Amber, net als Boudicca. Tenslotte was het mijn bedoeling geweest om maar één dagje naar huis te gaan en dan terug te gaan naar Amber om allerlei dingen te gaan regelen. Ik had beter moeten weten.
Ik pakte de troef van Mandor en probeerde contact te leggen. Dat mislukte, het leek erop dat hij nog niet in Gormenghast was. Daarna probeerde ik zijn andere troef. Dat had iets meer resultaat, maar er zat zoveel storing op dat we elkaar niet echt hebben gesproken. Ik zag hem even, hij was nog in de Hoven. Het leek erop dat hij op het punt stond om naar Gormenghast te gaan. Ik heb hem wel gezegd dat er van mijn kant wat oponthoud zou zijn, maar weet niet of hij dat gehoord heeft.
Daarna zat ik nog even met de troef van Julian in mijn handen, maar borg deze weer op zonder contact te zoeken. De kans op storing vanwege het tijdsverschil was erg groot en bovendien zou ik hem alleen maar lastig vallen, hij had wel andere dingen te doen. Ik vroeg me af waar Ronardo hem voor nodig had gehad.

Eenmaal beneden werd ik onthaald op een uitgebreid ontbijt met alles erop en eraan. Aan een andere tafel zat de waardin te eten met haar gezin. Haar man zag eruit als een boerenarbeider, hun twee jongens waren ongeveer zes en acht jaar. De kinderen keken telkens tersluiks mijn richting uit, ik hoorde hun moeder keer op keer sissen dat ze voor zich moesten kijken. Niet veel later gingen vader en de oudste zoon weg, beiden met een lunchemmertje. De zoon had bovendien nog een boekentas onder zijn arm, ik vermoedde dat hij naar school ging.
Vlak na hun vertrek kwam Garn binnen. Ik stond op van tafel, bedankte de waardin voor haar goede zorgen en ging met de druïde mee naar buiten. We wandelden de weg af en kwamen aan bij een steencirkel. Op de plek in het midden groeide niets, daar was iets mee. Garn begeleidde me naar de kale plek en met zijn staf trok hij een cirkel om ons heen.

Toen het gevoel van reizen, ergens naartoe getrokken worden. Om ons heen was het donker. Weer hoorde ik stemmen, dezelfde die ik vannacht in mijn dromen hoorde. Rare geluiden die ik niet kon thuisbrengen. Uiteindelijk werd het weer licht en stonden we in het midden van een echte steencirkel. Om ons heen waren een aantal druïden in witte mantels gekleed en allen hadden een staf.
De steencirkel was gelegen in een heuvelrijke omgeving, het geheel deed middeleeuws aan. Hier en daar waren bossen te zien. Ik voelde dat de aanwezigen allemaal een vorm van magie hadden. Er werden diepe buigingen naar me gemaakt en ik werd vol ontzag begroet. Het was gewoon heel vreemd om al die mensen zich zo te zien gedragen en ik voelde me nogal opgelaten. Ik wist dat we tamelijk ver weg waren geteleporteerd, naar een ander continent. Hier was het tegen de avond, de zon was net onder gegaan.
Een oude man kwam naar voren en ook hij toonde me het diepste respect. Ik bleef me afvragen waar ik dat aan verdiende, doch ik begroette hem ook vol eerbied.
“Wellicht is het een idee als ik u even meeneem op een wandeling,” zei hij, “zodat we wat kunnen praten. Ik ben de aartsdruïde, de Merlijn.”
“Het is me een genoegen u te ontmoeten,” zei ik en wandelde met hem mee. De omgeving was prachtig, vrijwel ongerept. De bossen zagen er gezond uit, de lucht was fris. Dit was een omgeving naar mijn hart.
“Vergeef me mijn onbegrip,” zei ik toen we buiten gehoorsafstand waren van de anderen. “Ik weet echter niet precies waarom ik hier ben. Ik zou graag willen weten waar dit is bijvoorbeeld.”
Ook hij keek me verbaasd aan. Ik begon steeds meer het idee te krijgen dat het werkelijk ik was die hier hoorde te zijn en niet mijn voormoeder, aan wie ik ook nog dacht. Maar hoe dit allemaal kon?
“Vertelt u me eerst hoe het met u is,” zei de Merlijn lichtelijk bezorgd.
“Wel goed, dank u. Een beetje verward dus.”
“En hoe is het met het kind?”
Ik vroeg me af hoe hij wist van Owen.
“Dat gaat ook prima, hij ontwikkelt zich goed,” zei ik aarzelend. “Hoe weet u eigenlijk van het kind?”
De man glimlachte.
“U bent toch zwanger?”
“Eh… ja. Die doet het ook goed,” wist ik zeker.
De Merlijn knikte tevreden en zwijgend liepen we een poosje naast elkaar door het hoge gras naast de bosrand. Toen hervatte hij het woord.
“We hebben gedaan wat u zei en de wereld gelaten zoals deze is, zoals u deze gemaakt heeft en voor u beheerd zoals u gezegd heeft.”
Ik haalde diep adem. Dat klonk inderdaad alsof ik dat zo had gedaan. Hoeveelste generatie zou deze druïde zijn?
“We hebben ons best gedaan om ons niet te bemoeien met gewone mensen en we zijn streng opgetreden tegen hen die erop tegen waren dat de wereld zou blijven zoals deze geschapen is. We hebben ons bemoeid met iemand die een machine ontwikkelde die sneller bomen om zou zagen en dat project is niet doorgegaan. Zo zijn er wel meer zaken waar we ons in hebben moeten mengen. Om het evenwicht te bewaren hebben we ons met oorlogen bemoeid en in Brtittanica hebben we de cirkel onderhouden die gebruikt zou worden om u terug te laten keren. Mag ik zeggen dat we heel blij zijn dat u terug bent?”
Hij keek me met een doordringende en sympathieke blik in zijn grijsblauwe ogen aan, ik wist dat hij het meende. Ondanks zijn vergevorderde leeftijd was de man bijzonder helder van geest. En uit wat hij zei kon ik opmaken dat ik hier al generaties lang niet geweest was. Ja, inmiddels raakte ik er meer en meer van overtuigd dat ik inderdaad de Hoedster was van die wereld, al wist ik nog niet hoe ik alles aan elkaar kon passen. Eigenlijk deed dat er niet toe. In toeval geloofde ik allang niet meer, ook wist ik zeker dat ik zelf de oorspronkelijke Hoedster was van die andere wereld die ik herschapen had.

Inmiddels kwam er een grote witte maan op. En – bijna tegelijkertijd – zag ik Tir-na n’Oght aan de avondhemel verschijnen. Ik glimlachte. Dit was mijn Lot. Ik kon het ontlopen, maar het moest zo zijn. Ik zou eerst Tir-na n’Oght bezoeken voordat ik verder met de druïden sprak. Er was mogelijkheid dat ik daar iets meer te weten zou komen over het waarom ik hier was. Het Patroon daar zou gevaarlijk kunnen zijn, maar eventueel ook datgene kunnen onthullen dat ik vergeten was.
Ik keerde me naar de Merlijn.
“Ik wil vannacht deze stad gaan bezoeken. Kunnen jullie erop toezien dat er geen wolken zijn vannacht?”
Hij knikte alsof hij dit al had verwacht.
“Tir-na n’Oght. U moet erheen gaan Vrouwe, het zal een wolkenvrije nacht zijn. We zullen nu teruggaan naar de anderen en u zal begeleid worden door één van ons naar de trap. Over de andere dingen zullen we praten als u terug bent.”
We keerden terug naar de anderen en de Merlijn wees een jonge druïde aan die me naar de trap zou brengen. Samen met deze jongeman, die zich had voorgesteld als Aiden, liep ik in de richting van een heuvel, alwaar de trap begon. Veel werd er niet gezegd onderweg, ik was me maar al te goed bewust van de sfeer die er hing, alsof er iets zou gaan gebeuren. Aiden tuurde naar de licht, ik zag daar een stipje dat steeds dichterbij kwam. Een enorme valk die ik zou moeten kennen, maar het was niet één van de valken die ik kende. Hij cirkelde een paar keer om ons heen en landde uiteindelijk bij een boom. Ik liep naar hem toe en krauwde hem in zijn nek, wat hij geduldig toeliet, want tenslotte hadden we een soort band samen. Deze ging niet zo diep als die met Fillipien, zo wist ik niet wat zijn naam was. Ik keek om naar de druïde die op beleefde afstand was blijven staan en weer terug naar de valk die me met een rustige blik aankeek. Ik merkte dat deze al vrij oud was. Ik stak mijn arm uit en hij kwam daar bedaard op zitten.
Met zijn drieën gingen we verder naar de trap, alwaar we werden opgewacht door een zwarte grote Hound, met rode ogen en blikkerende tanden. Een Barghest. Ik werd enthousiast door het oude beest begroet en ik merkte blij te zijn hem te zien. Ook met hem had ik een soort band en ik vroeg me af hoe mijn vader op het idee was gekomen om een stel Barghest voor me op te halen uit ‘één of andere Schaduw’.
Aiden bleef aan de onderkant van de trap staan.
“Veel succes, Vrouwe,” zei hij.
“Bedankt voor het brengen,” zei ik en begon de treden van de trap op te klimmen. De valk vloog op van mijn arm en fladderde voor me uit, de Barghest volgde me op de voet. Zo waren we bijna compleet.
Het was een vreemde trap, alsof deze bestond uit heel veel heel kleine sterretjes. Een detail dat me de eerste keer dat ik de stad bezocht niet was opgevallen. Mijn voetstappen en die van de Barghest maakten een soort twinkelend, metaalachtige geluid.
Na een uur klimmen waren we bovenaan de trap en zagen we de enorme stad voor ons liggen. Deze deed me een beetje denken aan Amber-stad. Aan de andere kant zag ik een heuvel, alwaar een soort paleis was. Die richting gingen we uit.

Het was uiterst bizar om weer in de stad te lopen. Een stad die als het ware een vergane glorie uitstraalt en geheel verlaten is. De gebouwen wierpen rare schaduwen, toen ik er op lette, merkte ik dat ze de schaduw wierpen van een ander gebouw. Zo liet een hoog en langwerpig pakhuis de schaduw zien van een vierkant huis met een rond dak.
Ook met mijn eigen schaduw was er iets, ik zag mezelf lopen met een kind aan de hand. Een jongetje, dacht ik, een vrij tenger ventje van ongeveer anderhalf jaar. Onwillekeurig legde ik een hand op mijn nog platte buik. Dus daarin zat een klein jongetje geborgen. Ik was niet echt verrast, ook niet dat het blijkbaar toch geen tweeling was.
We liepen verder. De gebouwen wierpen steeds weer andere schaduwen. Er was hier iets vreemds aan de hand. Soms zag ik vanuit mijn ooghoeken iets bewegen, maar het kwam steeds niet echt binnen zicht. Ook hoorde ik soms geluiden, zoals het lachen vanuit een huis met de schaduw van een herberg. Uiteraard ging ik daar even binnen kijken, er was niemand te zien. Ik had hier eerder gelopen, wist ik. Ook met de Barghest en de valk. Dit was niet de eerste keer en ook niet pas de tweede keer.
Op het midden van een plein was een fontein waar ik omheen liep. Met iedere stap die ik nam, zag de fontein er anders uit. Dit leek een Oerfontein te zijn waarvan alle fonteinen waren afgeleid. Er zou een waterstraal moeten zijn, maar ik voelde geen water, hoewel ik onder bepaald licht wel water zag.
Aan het plein was een kerk gebouwd die de schaduw van een tempel liet zien.
Uiteindelijk verlieten we de stad in de richting van het paleis. We gingen over een weg die afwisselend recht en kronkelig was. Iedere keer als ik achter me keek zag de stad er anders uit dan de vorige keer.
Langs me heen zag ik af en toe de snelle flits van een menselijke schaduw, gewoon niet te bevatten. Alles ging heel erg snel.
Ik stond stil en concentreerde me wat op Patroon. Ik wist niet of het mogelijk was, of dat dit al eerder geprobeerd was, maar ik vroeg me af of het mogelijk was om de stad wat meer substantie te geven, om dingen wat minder snel te laten gaan. Ik trachtte de tijd wat langzamer te zetten.

Ik werd als het ware teruggezogen naar de stad, samen met de valk en de Barghest en kwam uit op een plein. Om me heen was het een drukte van belang en het was lawaaierig. Mensen in Romeinse kleding liepen rond, sommigen probeerden hun waren aan de man te brengen. De bouwstijl van alle gebouwen deed Romeins aan, de schaduwen die de gebouwen wierpen waren zoals ze hoorden te zijn. Ik was er gewoon, mensen zagen me ook en liepen langs me heen in plaats van door me heen. Mijn schaduw was gewoon die van mezelf. De straat was vies, overal hingen etensluchtjes. Er waren straatlantaarns.
Om de stad heen waren bergen en heuvels. Op de plaats waar ik eerder het paleis had gezien, was nu een Romeinse stijl paleis zichtbaar. Ik ging opnieuw die kant op, me intussen afvragend wat ik nu precies had gedaan en in hoeverre ik de boel op die manier verpest had. Eigenlijk was het vrij gemakkelijk gegaan, dus ik kon me niet voorstellen dat geen van mijn illustere familieleden dit nooit gedaan had. Toch… ik had er nimmer iets over gehoord.
Voor de trappen van het paleis stonden wachters op wacht die ons met een knikje door lieten gaan. Intussen probeerde ik verder te interpreteren wat er aan de hand was. Deze stad had een bepaalde vastigheid, de stad waar ik eerder had gelopen, was overal en nergens. Toch voelde het niet aan alsof ik in een Schaduw was. Deze stad lag op dezelfde plaats als Tir-na n’Oght, doch was niet dezelfde stad. Deze Romeinse stad was een aspect van Tir-na n’Oght. Ik concentreerde me op het tijdsverloop. Daar kon ik maar weinig van maken, al was het alsof Amber ten opzichte van deze stad stil stond.
Zonder dat iemand me iets in de weg legde, liep ik de paleis binnen. Ook daar was het een komen en gaan van allerlei mensen. En het Patroon was hier overduidelijk aanwezig.
Niet gewoon Patroon, maar het Patroon der Patronen. Ik liep die kant op, kwam eerst in een rustiger gedeelte van het paleis en toen uit bij een grote binnentuin.


Lieve Mandor,

Ik heb geen idee of deze brief je ooit of op tijd zal bereiken of dat ik je op een andere manier te spreken zal krijgen tussen de verloving in en de paar dagen daarna. Op het moment lijkt het echter dat er geen contact mogelijk is.
Hoe krijg ik dit alles goed uitgelegd… In feite is het een nog grotere puinhoop dan de vorige keer toen ik besloot om in mijn eentje een kind te krijgen. Geloof me, deze keer is het geen vooropgezet plan, al heb ik het idee dat er nu wel wat puzzelstukjes in elkaar zijn gevallen. Waarschijnlijk herinner je je nog dat ik je vertelde over wat Flora had gezien in Tir-na n’Oght. Je vroeg je af of het mogelijk was om uit te zoeken hoe dat zat. Ik zei in mijn onschuld dat ik van plan was ‘binnenkort’ naar Tir-na n’Oght te gaan, ook omdat ik hoopte meer over mijn overgrootmoeder aan de weet te komen.

Tja. Tir-na n’Oght… ik had kunnen weten dat ik daar niet meteen mee klaar zou zijn, zeker niet gezien mijn afkomst. Maar wat moet ik dan doen? Nergens meer op af gaan, niets meer uitzoeken, rustig mijn dagen slijten als kasteelvrouwe en vooral zelf niet in beweging komen om het risico te vermijden dat ik verkeerd uitkom, naar bepaalde gebeurtenissen of omstandigheden wordt getrokken? Dat is niet zoals ik ben.

Ik weet nu hoe het kan dat ik daar met twee jongetjes liep die weinig met elkaar scheelden in leeftijd, maar geen tweeling waren. Ook weet ik zeker nu niet in verwachting te zijn van een tweeling. Toch denk ik nog steeds dat we de waarschuwing van Morwenna in de Spiegelzaal serieus moeten nemen. Ze had het dus niet over mijn huidige zwangerschap, maar doelde op andere kinderen. Die tweeling zullen we blijkbaar in de toekomst krijgen, dat betekent dat we nog steeds voorzorgsmaatregelen zullen moeten treffen zodra ik weer terug ben om te voorkomen dat het niet uitmaakt dat ik dat gif toegediend krijg. Ik weet niet of ik het je toen gezegd heb, maar ze zei me ook nog dat ik me zou moeten gedragen of er niets aan de hand was. Maar goed, dat is iets om ons druk over te maken zodra ik weer terug ben.

Ik zal er alles aan doen om zo snel mogelijk terug te zijn na onze verloving, tenslotte is er niet echt heel veel tijd tot aan het huwelijk. Het is waardeloos als het uitgesteld zal moeten worden wegens afwezigheid van de bruid.

Onze tweede zoon zal hier geboren gaan worden en een poosje opgroeien, dat lijkt nu de allerveiligste en beste oplossing. Echter niet de meest geweldige optie. Ik weet nog niet hoe lang ik hier zal moeten blijven, de beste manier om hier weg te komen is door middel van Patroon, echter niet op dit moment.
Voor jou zal het waarschijnlijk op zijn hoogst maar enkele dagen zijn dat ik weg ben. Voor mij zal het gaan om vermoedelijk een tweetal jaar.
Waar ik ontzettend tegenop zie is dat ik alweer een zwangerschap en bevalling zal meemaken zonder dat jij erbij bent. Dat onze zoon de eerste tijd van zijn leven zal doorbrengen zonder zijn vader en zijn broer. Dat ik je opnieuw plotseling zal confronteren met een kind. Deze keer mag je dan weten dat ik zwanger ben, je zal echter niet verwachten dat de tussentijd van twee maanden zwanger naar een peuter maar enkele dagen zal zijn.
Natuurlijk besef ik heel goed dat dit de erkenningszaak zo mogelijk nog lastiger en complexer zal maken. En dan Owen… hij zal plotseling met een broertje te maken gaan krijgen. Toch denk ik dat het voor de kinderen goed zal zijn om elkaar te hebben.

Als ik het bovenstaande nog eens doorlees, zie ik dat het een wat verwarrend geheel is. Hoe maak ik dat nu weer goed? Ik kan proberen het wat duidelijker te omschrijven, precies te vertellen wat er gebeurde nadat ik in Tir-na n’Oght de tijd wat manipuleerde met Patroon. Hmm, weet je nog niet hoe ik er zo kwam. Ik zal je dat uitgebreider vertellen als ik weer bij je ben, in het kort komt het erop neer dat ik alweer misstapte toen ik de troef van onze waterput gebruikte. Gek is dat eigenlijk, toen ik net in verwachting was van Owen, kwam ik via de Zwarte Weg op een wereld waar ik de Hoedster was. Daar heb ik je over verteld. Nu ik opnieuw zwanger ben, kom ik weer op zo’n soort Schaduw uit… maar daarover later. In ieder geval was daar een toegang tot Tir-na n’Oght, het zou een wolkeloze nacht worden en ik zou daar toch nog heen om te proberen wat meer duidelijkheid te krijgen. En ja, daar heb ik gerommeld met Patroon waardoor Tir-na n’Oght vaster werd. Misschien dat het daardoor ook duidelijker was welke beslissing ik moest nemen, want ik had de keuze.
Nu loop ik weer vooruit op het gebeuren. Ik zal eerst omschrijven wat er gebeurde en waarom ik heb besloten hier een tijdje te blijven. Ik kan alleen maar hopen dat je er begrip voor op kunt brengen.

Via een deur bereikte ik de binnenplaats van het paleis. Zeer Romeinse stijl, vierkant, galerij met zuilen en in het midden de tuin. In het maanlicht lichtte het Patroon blauw op. Al eerder had ik gemerkt dat dit aanvoelde als het Patroon der Patronen, een heel apart gevoel. Dit Patroon lichtte nog veel meer op dan het Oerpatroon.
Ik was niet alleen op de galerij, er liep daar ook een dame rond, die mijn richting uitkwam. Ik was heel verrast haar te zien, het was even alsof ik naar mezelf keek. Je weet dat ik niet op mijn moeder lijk en ook niet heel veel op mijn vader. Eigenlijk was ik nog nooit eerder iemand tegengekomen op wie ik wel lijk, tot die dag. Nee, ik ben niet sprekend zij, maar de familietrekken waren overduidelijk aanwezig.
Natuurlijk wenste ik haar een goedenavond. Ze lachte vriendelijk naar me en het was of ze me kende.
“Jij moet Morwenna zijn,” zei ze zelfs. Nee, ik heb haar toen niet meteen gevraagd hoe ze dat wist, ze wist trouwens wel meer van me. En ondanks de gelijkenis, wist ik niet meteen wie ze was. Ik dacht even aan Lorrayne, maar deze was eerder door ene Herbert Sawall omschreven als een dame met gitzwart haar, felblauwe ogen en een flinke boezem. En zoals ik al zei, de vrouw met wie ik stond te praten, was meer zoals ik. Ongeveer dezelfde lengte, wel boezem, maar zeker niet enorm. We hebben dezelfde bouw en ook haar haarkleur is ongeveer als dat van mij. Haar ogen zijn heel donkerbruin, het was meteen duidelijk van wie Caine dat heeft.
Ze leek wat verrast te zijn dat ik niet wist wie ik voor me had, want in tegenstelling tot haar dochter, wist zij wel waar ze was. Ja, ik heb Dulcimea ontmoet, mijn over- overgrootmoeder. Ik zei over haar gehoord te hebben, ze hoopte niets dan goeds. Tja, wat kon ik daar op zeggen. Ik heb naar waarheid gezegd dat ik pas onlangs van haar gehoord had. Lorrayne is haar dochter met Oberon, blijkbaar heeft ze meer dochters.
Dulcimea is echt een heel mooie vrouw. Het is niet goed in woorden te omschrijven hoe het is om je eigen over- overgrootmoeder te ontmoeten. En om erachter te komen van wie je bepaalde uiterlijke familietrekken hebt. Het verklaart ook een beetje waarom Caine een soort van zwak voor me heeft, ik lijk op zijn moeder. Een moeder, die naar haar ietwat getinte huid te oordelen, vrij veel buiten komt. Ze ziet eruit als een jaar of 35, maar ze is uiteraard veel ouder.
Ik was verbaasd toen ze zei het leuk te vinden dat ‘wij’ haar met een bezoek kwamen vereren. Ze bedoelde niet de Valk of de Barghest en er waren geen andere personen aanwezig. Over die dieren leg ik je ook later meer uit.
“Jij en je zoon,” verduidelijkte ze. Mijn vragende blik moet haar zijn opgevallen. Het is toch een beetje vreemd om nu zeker te weten dat er weer een zoon onderweg is. Ik vind dat overigens wel heel leuk, op de één of andere manier past het uitstekend bij het gezin dat we nu vormen.
Ze hoopte dat we een tijdje zou blijven en ook dat het ons zou bevallen. Natuurlijk twijfelde ik. Het aanbod was uiteraard een geweldige mogelijkheid om echt kennis te maken met een aspect van Tir-na n’Oght, om de stad te leren kennen en zeker niet in de laatste plaats mijn grootmoeder. En dat alles terwijl de tijd in Amber als het ware stilstaat ten opzichte van hier. Buitenkans. Maar voor mij zou alles gewoon verder gaan en ik wilde je niet alweer een zwangerschap en geboorte onthouden, ik had gehoopt dit wat meer samen te kunnen doen. Bij Owen heb ik dat toch ook erg gemist.
Maar het kan niet zo zijn, Dulcimea legde me uit hoe het zat. Als ik meteen Patroon zou gaan lopen, zou ik daardoor een aantal gebeurtenissen aan het Patroon overlaten zonder daar zelf enige invloed op uit te kunnen oefenen. Daardoor zouden er dingen veranderd gaan worden.
Mandor, ik heb genoeg fantasie om me voor te kunnen stellen welke dingen dat zouden kunnen zijn, dingen die met ons te maken hebben. Kun je je voorstellen dat we Owen daardoor misschien niet zouden hebben? Of elkaar zelfs nooit zouden hebben ontmoet?
Een andere mogelijkheid was dus om hier te blijven en het Patroon later te lopen, zodat ik de kans zou krijgen om gebeurtenissen te beïnvloeden. Zij zal me daarbij gaan helpen.
De consequentie is echter dat ik dus langere tijd zal blijven, onze zoon zal hier geboren worden en hij zal een poosje zonder jou moeten opgroeien.
Oh ja, ik had uiteraard een mogelijkheid kunnen zoeken om weg te gaan zonder het Patroon te lopen, maar ik heb het gevoel dat dat de minst verstandige optie is.

Ik hoop dat je kunt begrijpen waarom ik deze keus heb gemaakt. Zelf had ik het liever anders gezien, misschien had ik beter moeten weten dan naar Tir-na n’Oght te gaan. Toch heb ik het idee dat het allemaal zo hoort te zijn. Ik zal jullie ontzettend gaan missen in de komende tijd. Ik ga proberen om een manier te vinden dat je deze brief ontvangt voor ik weer terug ben, ik zal je later ook nog proberen te bereiken. Mocht dit alles niet lukken, dan zul je deze brief pas ontvangen als ik weer terug ben en ik alles hopelijk heb kunnen uitleggen. Ik zal het begrijpen als je boos op me bent, maar geloof me als ik zeg dat ik dit alles niet met opzet zo heb bedacht.

Een opmerking van Dulcimea die ik je niet wil onthouden: “Je beide zoons zullen later ook wel goed liggen bij de dames.” Weet je, ik kan me dat nauwelijks voorstellen als ik aan Owen denk, met zijn onafscheidelijke afgekloven dinosaurus tegen zich aangeklemd. En van zijn ongeboren broer kan ik me helemaal geen voorstelling maken. Dat is raar, ik heb in de stad een schaduw gezien van mezelf met een tenger jochie aan de hand. En ik heb hem gezien als jongeman. Ja, ik vond hem wel knap. En vooral aardig. Wat me toen ook opviel was zijn opvallende kalmte, het deed me een beetje denken aan mijn vader. Owen is ook rustig, maar op een andere manier, meer ingetogen, meer zoals jij bent. De jongen die ik ontmoette leek wat minder ingetogen te zijn.
En dan moet het joch een naam hebben. Wat vind je ervan als ik hem de naam geef waarvan jij laatst zei dat je die wel mooi vond? Randall? Ik weet het, we hebben het nauwelijks over namen gehad. Waarom zouden we ook, we hadden immers nog maanden de tijd om te beslissen. Ik hou het dus op Randall, ik denk dat de naam bij hem past. Owen heeft een tweede naam, Randall krijgt die ook. Aangezien ik de eerste naam voor Owen heb bedacht en jij zijn tweede, zal ik het deze keer andersom doen. Ik denk erover om hem als tweede naam Harailt te geven.
Mijn liefste, ik zal proberen om alle ontwikkelingen zoveel mogelijk bij te houden. Misschien is er in de stad iets te vinden waarmee er filmpjes en/ of foto’s gemaakt kunnen worden. Mijn dagboeken houd ik altijd bij, dus die kun je ten zijner tijd lezen, ook ga ik je meer brieven schrijven. Ik beloof je dat ik goed voor Randall zal zorgen en hem tot vervelens toe zal vertellen over zijn vader en zijn broer. Ik zal hem voorbereiden op het Patroon, zodat dat op hem geen invloed zal kunnen uitoefenen.

Liefs, Morwenna.

Toen ik de pen neerlegde, bedacht ik ineens dat ik een dwaas was. Meteen uitgaan van het feit dat er geen contact mogelijk was, hoe kon ik zo kortzichtig zijn! Contact zou pas niet mogelijk zijn als alle pogingen daartoe vruchteloos zouden blijken. Doch ik had nog geen enkele poging gedaan. Ik pakte het deck met troeven, deze voelden koud aan. De troef van Mandor lag nog steeds bovenop, daar direct onder was de thuistroef van Mandor. Ik kon proberen om hem toch op die manier te bereiken. Het tijdsdifferentieel zou een probleem zijn, maar gezien het feit dat Mandor erg goed is met troef, was het misschien mogelijk dat hij dat kon bijsturen. Bovendien zou het contact via een troef gaan die hij zelf had gemaakt, dat zou misschien ook helpen. Heel misschien was het zelfs mogelijk dat hij een poosje hier kwam, al zou hij dan een andere manier moeten vinden om weg te komen. Via Patroon zou niet mogelijk zijn voor hem.