Als je ergens geboren bent, heb je daar een binding mee. Zo is het gewoon, punt uit. Het maakt niet uit hoe vaak je er komt, hoe lang je er wegblijft, maar je blijft die binding, dat gevoel van thuis zijn, hebben. Dat heb ik tenminste altijd gedacht. Het vreemde is dat ik het dus allemaal wat anders ervaar. Ja, ik ben hier geboren en opgegroeid en de Peak… er is geen gebied dat opkan tegen de ruwe schoonheid van de Peak. Daar heb ik iets mee en dat zal altijd zo blijven. Arden heeft haar eigen charme en ik heb daar zeker een binding mee. De natuurlijke omgeving in Gormenghast heeft zeker een gelijkenis met de Peak, zij het dat Gormenghast wat bosrijker is en ook in Elysium zijn er gebieden te vinden die een opvallende gelijkenis vertonen met de Peak District. Maar al deze gebieden zijn niet de Peak zelf.
De rest echter - het landgoed waar ik geboren en getogen ben, de directe omgeving, het dorp - ik heb er niets mee. Het oude huis is afgebrand, ik ken het personeel van het nieuwe huis een beetje, de mensen in de omgeving helemaal niet. Ben ik hier werkelijk opgegroeid? Mijn idee om Essilt kennis te laten maken met mijn thuisschaduw is op een jammerlijke mislukking aan het uitlopen. Is het niet triest dat de enige bekenden die hier opduiken een stel ooms zijn? Dat ik eigenlijk vrijwel niets weet van wat er zich hier allemaal afspeelt? Is het niet erg dat ik mijn eigen dochter niet eens fatsoenlijk kan beschermen? Dat ik toch afhankelijk ben geworden van Corwin’s goedwillendheid? Dat ze haar eigen magie daarvoor moet gebruiken? Dat de beloofde treinreis op niets is uitgelopen en dat we nu met een koets ons naar Brighton moeten begeven? Dat ik blij moet zijn dat het pad al gebaand is door één van mijn ooms? Het maakt allemaal dat ik me vreselijk minderwaardig voel, niet in staat op in mijn eigen Schaduw me van A naar B te verplaatsen. In dit geval van Stockport naar Brighton.
Op mijn slaapkamer in de herberg troefde ik naar Mandor. Het was zowat alsof hij erop zat te wachten en er lag een warme blik in zijn ogen toen hij me zag.
“Ik weet wat er zich afspeelt op de Hunting Grounds,” zei hij met een schouderophaal toen ik hem daarover vertelde. “Daar hebben alleen de Huizen last van die het van legers moeten hebben. Voor ons dus onbelangrijk.”
“Ik ben bang dat het naar ons toegespeeld zal worden,” legde ik hem uit. “Je weet wel, dat neutrale Huis Elysium, buffer tussen Chaos en Amber.”
“Oh, zo bedoel je dat. Dat zou inderdaad heel goed kunnen gebeuren, alsof we geen problemen genoeg hebben,” zuchtte hij. “Ik stel voor dat we het voor nu laten rusten, het is vroeg genoeg als er daadwerkelijk gedonder gaat komen en wij mogen bemiddelen.”
De mededeling dat zowel Random als Corwin hier waren, pakte hij niet goed op, hij vond dat zelfs erg vervelend.
“Ik zou Corwin kunnen elimineren,” stelde hij voor. “Dan is mogelijk dat andere probleem ook meteen opgelost.”
“En dan hebben we er tig andere problemen bij,” dacht ik.
Hij knikte instemmend.
“Denk je dat er inderdaad problemen zijn bij jou?” vroeg hij toen.
“Ik denk niet dat ze het verzinnen. Ik voel er alleen niets voor om door hen beschermd te worden.” Ik voelde de ergernis daarover opnieuw toenemen. “Ik ben nog wel tot wat toe in staat!”
“Ik wil niet dat jullie iets overkomt,” zei hij met een zorgelijke trek op zijn gezicht. “Ik kan jullie een demoon mee sturen.”
Ik overwoog het heel even. Een beetje extra bescherming zou geen kwaad kunnen. Maar een demoon zou niet goed gaan met de dieren en dat vertelde ik hem ook.
“Je kunt me altijd troeven als er iets is, ik sta erop dat je dit dan ook doet,” zei hij en keek me doordringend aan.
“Natuurlijk doe ik dat,” grijnsde ik. “Jouw Troef is altijd binnen bereik.”
Hij bleef ernstig.
“Denk er niet te licht over,” waarschuwde hij. “Die twee ooms van jou zijn uitermate irritant en ik heb liever dat je ze uit de weg blijft, maar je bent nu wel gewaarschuwd.”
Daarna vertelde ik hem over het onderzoek en de resultaten ervan en vertelde hij dat thuis alles goed verliep en dat hij en Owen een goede tijd hadden samen.
“Die jongen heeft buitengewoon veel aanleg,” zei hij tevreden. “Precies zoals ik al vermoedde.”
We namen afscheid en hij verbrak de verbinding. Het was uiterst prettig om even met hem gepraat te hebben en van gedachten hebben te kunnen wisselen.
De volgende die ik trachtte te troeven was mijn moeder. Zoals ik al verwachtte, lukte dat niet. Ik ben niet goed genoeg met Troef en mijn moeder al helemaal niet.
Bleys nam mijn pogingen tot contact wel aan, maar aarzelde om door te komen.
“Ik hoef geen problemen met jouw jaloerse echtgenoot,” zei hij voor zijn doen scherp.
“Ik ben echt niet van plan om je in mijn slaapkamer te ontvangen,” zei ik met een zucht, “ik wil alleen maar weten of je even tijd hebt. Zo ja, dan loop ik naar buiten en troef je opnieuw, anders gaat het over.”
Hij zuchtte en dacht even na.
“Doe dan dat maar,” zei hij toen. “Jouw echtgenoot is niet erg gemakkelijk.”
De verbinding werd verbroken en ik dacht na over zijn woorden terwijl ik naar buiten liep. Ik wist dat er wat voorvallen waren geweest, Mandor was inderdaad tamelijk vervelend als hij dacht dat er een man meer interesse voor me toonde dan louter zakelijk. Maar had Bleys daar ook al ervaring mee gehad? Of was het de tamtam die zijn werk had gedaan?
Ik had geen problemen met deze vorm van zorgzaamheid van Mandor, stiekem vond ik het wel leuk zelfs. Een enkele keer was het echter irritant, wanneer ik daardoor belemmerd werd in mijn werkzaamheden.
In de buurt van de paardenstal troefde ik opnieuw naar Bleys, die zich liet doorhalen. Hij keek om zich heen.
“Je hebt weten weg te komen bij je minnaar?” vroeg hij cynisch, voordat hij me begroette door me alleen de hand te schudden. Ooit, voordat ik me officieel verloofde met Mandor, waren de begroetingen van de ooms minder formeel geweest, soms waren ze zelfs ergerlijk opdringerig omdat ze van mening waren dat een begroeting inhield dat er stevig gekust diende te worden. Dezer dagen doet niemand dat meer. Ook Corwin en Random hadden zich beperkt tot een hand. De enige mannen die me nog wel eens omhelzen waren - naast de mannen in mijn eigen gezin - mijn vader en mijn schoonvader. Mandor ergert zich er altijd gruwelijk aan wanneer Gramble dat doet en Gramble trekt zich daar helemaal niets van aan. Zelf heb ik er geen problemen mee, ik mag Gramble wel.
Ik liep wat op en neer met Bleys, die netjes gekleed was in een zwart pak met een hoge hoed, en vertelde hem over de aanwezigheid van zijn twee broers. Hij fronste toen hij hoorde van Random’s aanwezigheid.
“Als je Random tegenkomt, dan is er altijd sprake van een puinhoop,” zei hij. “Dat is vast een vies zaakje waar hij in verwikkeld is. Maar Corwin? Die is meestal wel serieus.”
“Ongetwijfeld,” zei ik. “Toch wil ik hem niet mee. Ik ben hier met mijn dochter en het is deze keer gewoon niet de bedoeling om daar andere familieleden bij te betrekken.”
Op dat moment hoorde ik een ijselijke gil uit de herberg komen. Essilt, wist ik meteen en haastte me naar binnen, zonder acht te slaan op de in het donker geklede figuur dat uit het raam sprong en in de richting van het bos begon te rennen. Ik was me ergens bewust dat Fillipien er achter aan ging.
Essilt stond in haar nachthemd op de gang en ze stopte haar gegil pas toen ze mij in het oog kreeg. De mensen die al toegestroomd waren, zoals Random, de waardin en enkele andere gasten, hadden haar niet weten te bedaren, hoewel ze er eigenlijk niet echt geschokt uit zag.
“Wat is er aan de hand?” vroeg ik terwijl ik mijn vest om haar heen sloeg en haar koude handen in de mijne nam om ze warm te wrijven.
“Er was iemand op mijn kamer!” zei ze, toch wel wat ontstelt.
Random stuurde iedereen weg en wilde zelf de boel gaan onderzoeken.
“Niets ervan,” verbood ik.
Hij trok zijn blonde wenkbrauwen op.
“Kom op, je wilt toch wel weten wat er aan de hand is?”
“Ik wil niet dat jij het onderzoekt,” zei ik scherp. “Je hebt een keer eerder iets onderzocht, dat was hier vlakbij en tijdens je onderzoek heb je van alles gewist. Ik zoek hier andere hulp bij.”
Random haalde zijn schouders op en liep mopperend weg, verbaasd kijkend naar Bleys. Deze bood aan om mijn kamer te onderzoeken toen Random buiten gehoorsafstand was.
“Ik ga Mandor hierbij halen,” zei ik. “Dus niet nodig.”
“Je wilt meteen de artillerie erbij halen?” vroeg hij geërgerd. “Ik beloof je dat ik niets zal verstoren, alleen maar uitzoeken of er iets op jouw kamer is.”
“Goed dan,” zei ik zuchtend.
Bleys liep naar mijn deur, deed iets en even later glipte er iets naar binnen door het sleutelgat. Even later vertelde hij dat er een slaapgasbommetje in mijn kamer gegooid leek te zijn en dat ook mijn kamer was doorzocht. Ook bij Essilt bleek na wat onderzoek zo’n ding te liggen. Er was echter geen sprake van slaapgas.
“Als je nog steeds je echtgenoot erbij wil halen, ga dan je gang,” zei hij, humeurig voor zijn doen en wandelde naar beneden. Al die tijd had hij het fatsoen gehad om Essilt met geen blik te bekijken.
Mandor liet zich onmiddellijk doorhalen en zijn aandacht ging eerst naar Essilt uit. Toen hij er zeker van was dat haar niets was aangedaan, hoorde hij ons verhaal aan, terwijl hij goed rondkeek in beide kamers.
“Ik ben maar gaan gillen, ik wist niet precies wat ik moest doen,” zei Essilt wat verontschuldigend tegen mij.
“Gillen is heel goed,” zei ik. “Het verbaast me alleen dat de valken niets gemerkt hebben.” Tegelijkertijd realiseerde ik me dat ze op mij hadden gelet in plaats van op de kamer van Essilt. Valken zijn eigenwijze beesten en soms gaat dat niet erg goed.
“Dit is dus een slaapgasbom?” vroeg Mandor die een metaalkleurig object had opgepakt en dat nauwkeurig stond te bekijken. Essilt liep naar hem toe om mee te kijken, terwijl ik de beelden volgde die Fillipien me liet zien. Ze was een persoon in het zwart aan het achtervolgen en maakte zich klaar om aan te vallen. De persoon draaide zich ineens om en begon op haar te schieten met een soort geweer. Fillipien liet zich daar echter niet door weerhouden en vloog regelrecht in het gezicht van die persoon terwijl ze met haar klauwen zijn kin open reet en ze met haar snavel zijn ogen trachtte uit te pikken. Ze vloog weer op en maakte zich gereed voor een tweede aanval, toen de persoon een kaart trok en verdween.
“Hij maakt dus gebruik van Troef,” zei Mandor peinzend toen ik het hem beschreef. “En Fillipien heeft bloed getrokken. Dat is heel mooi. Ik zou daar graag iets van willen hebben. Dan kan ik er een demoon achteraan sturen.” Dat laatste kwam er grimmig uit. Mandor heeft er geen begrip voor als men zijn gezinsleden lastig valt.
Hij overhandigde mij de bom om te bekijken. Het leek iets technisch te zijn, meer verstand had ik er niet van. Essilt wees me op de draden aan de binnenkant die er een beetje voor niets bij hingen. Het was vreemd, waarom had de insluiper gebruik van iets gemaakt dat niet op deze Schaduw kon werken? Was het ingecalculeerd dat Essilt en ik op een andere Schaduw zouden zijn? Even dacht ik aan mijn ouders in Antioch… maar daar zou het ook niet gewerkt hebben.
“Ik neem hem mee,” zei Mandor die de bom weer van me overnam. “Dan zal ik deze door iemand laten onderzoeken die er verstand van heeft.”
Ik knikte en liep naar het raam om het open te doen voor Fillipien. Met een doek haalde ik voorzichtig het bloed van haar pootjes af en ze vloog naar buiten nadat ik haar wat gekrauwd had. Mandor wikkelde de doek zorgvuldig in een stuk soepel leer en stak deze in zijn jasje. Essilt had inmiddels al haar spullen nagekeken en meldde dat er niets miste.
“Dan ga ik weer,” zei Mandor en omhelsde Essilt even ten afscheid. “Blijf goed opletten en zorg ervoor dat je je magie paraat hebt,” zei hij ernstig tegen haar. Ze knikte.
Daarop nam Mandor mij in zijn armen en gaf me een uitgebreide zoen die ik net zo uitgebreid beantwoordde. Dit tot grote ergernis van Essilt.
“Dat geplak van jullie ook altijd!” viel ze uit. “Get a room!”
Mandor liet me langzaam los, glimlachte naar haar, pakte de Troef van de waterput en was weg.
“Dit is toch een kamer,” zei ik vriendelijk tegen onze dochter.
“Ja, dat klopt. Mijn kamer om precies te zijn.”
Ik besloot om hier verder niet op in te gaan - van onze kinderen hebben zij en Randal er het meest moeite mee dat hun ouders in hun bijzijn laten merken elkaar leuk te vinden - en keek nog eens goed rond in de kamer.
“Hou je raam nu ook maar dicht en ik stel voor dat Fenris bij jou op de kamer komt.”
Haar gezicht drukte afgrijzen uit, dus ik verwachtte hier enige discussie over die echter niet kwam.
“Als hij maar zo ver mogelijk van me vandaan gaat liggen,” was haar enige eis.
Fenris kwam intussen de kamer binnen gewandeld, snuffelde goed in het rond en koos uiteindelijk voor een plekje onder het enige raam, dat inderdaad het verst van het bed af was. Vervolgens wenste ik Essilt opnieuw een goede nachtrust toe en verliet de kamer. Achter me werd de deur weer in het slot gedraaid.
Ik ging naar mijn kamer en bekeek mijn spullen - ook hier was niets weg gehaald. Het gebeuren vond ik wat zorgelijk, waar hadden ze het op voorzien? Op het ‘iets’ waarvoor mijn tante Lenore de dood in werd gejaagd? Om bepaalde redenen leek me dat nog het meest voor de hand liggend. Corwin’s huis was doorzocht om ‘iets’ te vinden waarbij zijn huishouding omgebracht was. De insluiper met wie Essilt te maken had gehad, was er echter niet op uit geweest om haar of mij te doden. Zou het weer een andere groepering zijn? Met hoeveel groeperingen hadden we hier eigenlijk te maken?
Ik ging nog even naar beneden, alwaar Bleys aan het drinken was met Random.
“Nog iets gevonden?” vroeg Random opgewekt.
“Er worden wat dingen nog onderzocht,” zei ik, ging bij hen zitten en bestelde nog wat thee.
“Die insluiper kan er één van mij zijn,” bedacht Random.
“Ik zou dat liever zeker willen weten,” gaf ik hem ten antwoord.
Hij knikte en vertrok daarop naar buiten.
“Deze Schaduw voelt als heel druk aan,” zei Bleys peinzend.
“Ik merk daar niets van,” zei ik met een schouderophaal. “Ik denk dat het normaal is.”
“Jij zou het zeker moeten weten, met al je Patroon,” was hij van mening.
Ik schudde mij hoofd. Het voelde hier niet anders aan dan anders. Daarop kwam het gesprek op die gasbommen en ik liet het apparaat zien dat op mijn kamer was gevonden. Hij bekeek het nauwkeurig.
“Er ontbreekt iets aan,” zei hij. “Het lijkt op een soort halve kopie van iets, het doet me ergens aan denken. Het is een soort apparaat dat lucht om kan zetten in slaapgas, maar het kan hier gewoon nooit werken. Het is niet af, het is nep en ik kan het ding niet aan de gang krijgen zonder het te reviseren.
“Je kunt het meenemen om te onderzoeken,” bood ik aan.
“Wil je het niet zelf onderzoeken?”
“Ik heb er niet veel verstand van. Bovendien waren er twee, de andere is met Mandor mee die het waarschijnlijk ook door iemand anders uit laat zoeken.”
“Je hebt er één meegegeven aan Mandor? Je hebt hem er dus toch bij betrokken!” riep hij verontwaardigd uit.
“Bleys, ik ben met die man getrouwd! Natuurlijk betrek ik hem in dit soort zaken. Sterker nog, hij staat erop om betrokken te worden.”
Bleys mompelende iets onverstaanbaars en stopte het apparaat weg. Ik vroeg me af wat hij tegen Mandor had. Waarschijnlijk hetzelfde als meer familieleden op hem tegen hebben.
“Ik heb erover nagedacht,” zei hij toen. “Ik zal ervoor zorgen dat Random iets anders te doen krijgt. Ik kan proberen of ik Corwin van je af gepraat krijg, maar ik betwijfel of dat zal lukken.”
Ik bedankte hem, al had ik het vermoeden dat hij niet erg hard zijn best zou doen om Corwin om te praten. Random kwam weer binnen met de mededeling dat de insluiper niet van zijn organisatie was. Ik nam afscheid van de twee ooms en ging naar boven.
Erg rustig slapen deed ik die nacht niet, er waren maar weinig nachten waarin ik goed sliep. Slapeloosheid was iets dat blijkbaar bij me hoorde en na een enerverende dag was het altijd erger. Deze keer verbood ik mezelf om het bed uit te gaan om wat te schrijven, al stond ik mezelf wel toe om nog een poos te lezen. Pas tegen de ochtend viel ik -zoals gewoonlijk - in slaap en werd ik - ook al zoals gewoonlijk - niet veel later alweer wakker gemaakt voor het ontbijt. Uiteraard was Essilt al lang op, ze had schone reiskleding aan, haar lichtblonde haar was netjes in één lange vlecht gevlochten en ze had alles al ingepakt. Ik nam een snel bad, daarna kleedde ik me aan en vlocht mijn haar haastig. Vervolgens propte ik alles haastig in mijn tassen en ging naar beneden. Essilt had al geregeld dat er eten was voor Qenna en Flo.
Tijdens het ontbijt werd er niet veel gesproken. Essilt had goed geslapen en was vroeg wakker geworden. Ze had tijd besteed aan het instuderen van een spreuk en deze op deze Schaduw afgestemd. Verder had ze Iestyn nog heel even gesproken, die het aardig naar zijn zin had op school.
Het meest opvallend was dat de waardin en het personeel deden of er helemaal niets aan de hand was. Eigenlijk hadden ze de vorige avond al redelijk normaal gereageerd, waarschijnlijk hadden mijn ooms wat gemanipuleerd met Patroon. Irritant was echter dat alles al betaald was voor ons en geregeld, inclusief het eten voor onderweg.
Buiten begroette ik eerst de valken. De Barghest werd onder zijn kop gekrauwd en vervolgens begroette ik Boudicca. Vanwege haar grootte had ze niet in de stal zelf gestaan, maar erbuiten en als vanouds had ze alle aangeboden zorg van de stalhouders geweigerd. De nieuwe mensen vond ze verdacht. Ik ook. Het is altijd de vraag waarom mensen van de ene dag op de andere worden vervangen. Ik verzorgde Boudicca uitgebreid en gaf haar te eten. Toen we weg gingen, alweer te voet, wiste ik de stalhouders, we waren hier nooit geweest.
De weg naar Stockport was vrij lang, dus ik regelde een paard en wagen en betaalde de eigenaar zoveel, dat hij het geen enkel probleem vond om deze later op de dag bij het station aldaar weer op te halen. Ook deze wageneigenaar wist even later niet meer wie het paard en de wagen hadden gehuurd, alleen nog maar dat hij deze later op moest halen.
Het bleef vreemd onderweg, we werden in de gaten gehouden. Het beviel me helemaal niets. Ook de dieren voelden zich niet op hun gemak, vaak hadden ze eerder door dat er verdachte figuren waren dan ik. Onderweg heb ik uiteraard wat gerommeld met Patroon, geprobeerd om mensen te wissen, maar het ging allemaal niet echt lekker. Al met al beviel het me helemaal niet. Er leek inderdaad iets aan de hand te zijn hier, maar het was me geheel niet duidelijk wat dit nu met Essilt of mij te maken kon hebben. Even overwoog ik om Mandor’s aanbod aan te nemen en om ons te laten vergezellen van een demoon, tegelijkertijd wierp ik dat idee weer weg. Dat zou wat overdreven zijn.
Op het station besloot ik om een kaartjes te kopen naar Birmingham om de verdachte stationschef te misleiden. Het hele station was vol met mensen waar iets mee was. Ze keken opvallend niet naar ons bijvoorbeeld. Een dame vroeg ons te spreken en wist te vertellen dat we in de gaten werden gehouden. Ze gaf me een kaartje waar de afbeelding van een oranje bloem op te zien was. Fleur d’Orange, stond er op het kaartje. Waarom deed dit me denken aan Flora? Ik meende dat ze wel eens verteld had een eigen organisatie te hebben, maar meer wist ik er eigenlijk niet van.
Vlak voordat de trein binnen zou komen, vroeg ik Fillipien om de trein te volgen, bij het eerstvolgende station zouden we uitstappen. Ze wreef met haar kopje even tegen mijn wang en vloog toen in de richting van Boudicca.
Met Fenris, Flo en Qenna stapten we op de trein. Niemand die er iets van zei, men leek het de normaalste zaak van de wereld te vinden dat twee vrouwen zich laten vergezellen door een vreemde kat, een lynx en een Barghest. Sterker nog, Corwin liet zich door de dieren net weerhouden om bij ons in de coupé te komen zitten. Uitermate ergerlijk, ook al deed hij alsof hij ons niet kende en alsof hij sliep.
We stapten uit in Wilmslow, dat een eigen station had gekregen sinds dit stadje enige jaren geleden samen was gegaan met een zevental omliggende gemeentes. Volgens de officiële papieren was deze agglomeratie daarmee ‘Greater Wilmslow’ geworden, maar er was niemand die die naam gebruikte. Ik vertelde Essilt dat het niet helemaal bekend was waarom deze stad zo heette, de meest populaire versie was dat dit ooit de begraafplaats was van ene William.
Helaas stapte ook Corwin uit en Essilt keek me wanhopig aan.
“Kan hij niet iets anders gaan doen?” zei ze zachtjes. “Ik zal pappa vragen of hij hem in ieder geval bezig wil gaan houden met een demoon.” Ze deed al een greep in een jaszak, waar ze de meest belangrijke Troeven bewaarde. Ik hield haar arm tegen.
“Laat pappa er maar even buiten,” fluisterde ik terug. “Ik zal proberen het anders op te gaan lossen.”
Corwin stond met zijn handen op zijn rug de trein na te kijken en keek op toen ik naderbij kwam. Hij glimlachte.
“Zo zien we elkaar nooit en zo zien we elkaar iedere dag,” begroette hij me in het Thari.
“Iets teveel naar mijn zin,” zei ik eerlijk. “Ik kan het je niet goed uitleggen denk ik, maar mijn dochter en ik zijn hier voor wat persoonlijke zaken. We hebben je niet gevraagd om mee te komen, we hebben ook liever niet dat je ons gezelschap houdt.”
Zijn ogen vernauwden zich iets en de welwillende uitdrukking op zijn gezicht had plaats gemaakt voor een meer dreigende blik.
“Niet gesteld op mijn aanwezigheid…” zei hij langzaam. “Zo langzamerhand begin ik bijna te geloven dat je er inderdaad één van Julian bent, net zo lomp en stug. Ik heb het goed met je voor en ik zeg het je nog maar eens: het is hier gevaarlijk.”
“Ik weet het. We kunnen echter goed op ons zelf passen. Werkelijk Corwin, ik heb liever dat jij je eigen weg gaat, dan gaan wij de onze.”
“Het is ongelooflijk!” riep hij uit. “Waar haal je de arrogantie vandaan om te denken dat ik met jou mee wil reizen! Ik moet toevallig dezelfde richting uit, het is dan echt niet vreemd dat familie samen reist!”
“In onze familie wel!” beet ik terug. “Ik hoef je niet mee te hebben.”
Corwin keek me vernietigend aan, draaide zich om en ging op een bankje zitten alsof hij op de volgende trein wachtte. Ik ging naar Essilt toe, gaf haar een arm en we liepen het station uit. Even verderop zag ik Boudicca langs de weg grazen en de twee valken zaten beiden op het dak van een kruidenierswinkel.
“We zullen een koets huren die ons naar Derby brengt en van daaruit via Londen naar onze bestemming reizen,” zei ik. “Mogelijk geeft Corwin het op, mogelijk ook niet.”
Het was geen probleem om een koets te regelen en niet veel later waren we al op weg. Ik wist dat de valken op afstand mee vlogen om de paarden van de koets niet aan het schrikken te maken en dat Boudicca op eigen gelegenheid ofwel achter de koets aanrenden, of juist een eind vooruit waren. Als ik samen met Owen was geweest, zouden we te paard zijn gegaan, Owen is een uitstekend ruiter. Tevens is hij van onze kinderen de enige die paard rijdt. Randal heeft als kind wel moeite gedaan om te leren rijden - vooral omdat Owen dat deed - maar bij hem is dat nooit een succes geworden. Na een aantal ongelukken besloot hij om niets meer met paarden van doen te willen hebben.
De andere kinderen zijn er nooit aan begonnen. De dieren reageren dan ook zeer onrustig op Randal, Iestyn en Bryana, doch eigenlijk minder op Essilt. Maar Essilt zal geen paard gaan rijden, omdat ze weet dat Iestyn het nooit zal doen. En ook omdat Mandor dit helemaal niet aanmoedigt bij onze kinderen. Misschien zal ze zich er ooit overheen kunnen zetten als ze ouder is.
We kwamen niet tot aan Derby. Ergens op een verlaten stuk weg, midden in een vrijwel onbewoond gebied, werd de koets overvallen. Niets, maar dan ook niets dat me erop voorbereid had, behalve de waarschuwingen eerder van de ooms. De valken hadden het pas laat in de gaten, het was alsof de overvallers uit het niets opdoken. Wij merkten eigenlijk pas iets toen we een klap hoorden en de koets vervaarlijk begon te slingeren. Ik kreeg een beeld door van Fillipien, de twee koetsiers waren uitgeschakeld en de paarden waren ongecontroleerd gaan rennen.
“Je kunt het beste op de grond gaan liggen, ik zal proberen om de koets onder controle te krijgen,” zei ik tegen Essilt en opende het portier.
“Ik kan ook iets doen wat meer nut heeft,” zei mijn dochter terwijl haar ogen glansden. Ze was in het geheel niet bang, ze leek dit eerder als een uitdaging te zien.
“Heel goed,” zei ik en begon aan mijn pogingen om via de zijkant van de koets op de bok te komen. Dat was niet erg gemakkelijk, veel oefening heb ik daar tenslotte niet mee. Het voortdurende geschiet van een aantal Arabisch aandoende ruiters te paard maakte het natuurlijk niet veel beter, gelukkig waren de valken ter plaatse en begonnen met groot succes hun duikvluchten op hun ogen uit te voeren. Uiteindelijk was ik op de bok en wist de paarden een tikje tot rust te krijgen, terwijl ik twee keer een machtswoord gebruikte om de tegenstanders ten val te brengen. Vanuit de koets hoorde ik Essilt hetzelfde machtswoord gebruiken, toen was het even stil. Ineens begonnen zich in de lucht een paar schaduwen te vormen. Zwarte slangen die pijlsnel op de aanvallers toe doken en ze in hun nek beten.
Dat alles was teveel. Het geschiet hield op, er renden een aantal paarden rond zonder berijder en Fillipien liet weten dat ze volgens haar allemaal dood waren.
Uiteindelijk waren de paarden rustig genoeg om halt te houden en kon ik een inspectie gaan uitvoeren.
De koetsiers waren inderdaad dood, beiden in het hart geraakt door een paar goed gerichte geweerschoten. Met respect legde ik ze in het gras en sloot hun ogen. Ik blijf het moeilijk vinden dat er onschuldige mensen dood gaan terwijl ik eigenlijk het doelwit ben.
Essilt was ongedeerd en sprong uit de koets. Met een koele blik bekeek ze de lichamen van de koetsiers, maar aan haar ogen kon ik zien dat dit haar wel schokte. Om zich een houding te geven liep ze om de koets heen om de schade te inspecteren en riep even later dat er een wiel kapot was.
Het was dusdanig stuk dat het niet maar gerepareerd kon worden. Ik concentreerde me om een nieuw wiel te conjuren. Het duurde een hele tijd voordat het er was, een gloednieuw wiel. Samen tilden Essilt en ik de koets een beetje op om het oude wiel eraf te halen en het nieuwe eraan te zetten. Behalve het kapotte wiel waren er her en der kogelgaten te zien.
Vervolgens gingen we een eindje terug om de lichamen van de aanvallers te onderzoeken. Ze waren allemaal dood, een paar zaten onder de slangenbeten.
“Dat is een hele goede spreuk die je daar gedaan hebt,” complimenteerde ik Essilt.
“Sissende slangen, zelf ontwikkeld,” zei ze niet zonder trots en liet me de pols zien van één van de aanvallers. Daarop was de tatoeage van een vlam te zien. Alle aanvallers hadden een dergelijke tatoeage. Nader onderzoek wees ook uit ze allemaal een valse tand hadden - een drietal mensen was omgekomen vanwege cyanide - en een kromme vergiftigde dolk. Om hun polsen hadden ze wurgkoordjes. Verder deden ze inderdaad Arabisch aan en wist ik dat dit niet dezelfde lui waren die eerder onze kamers hadden doorzocht.
Degene die de baas leek te zijn van de bende had een Troef bij zich van een kasteeltje. Op de achterkant was een een zwart vlak met een witte vlam te zien.
Showing posts with label Corwin. Show all posts
Showing posts with label Corwin. Show all posts
96. Corwin en Random
Onze kinderen groeien heel anders op dan ik heb gedaan. Of het zoveel beter is is natuurlijk zeer de vraag. Op jonge leeftijd al wisten zij wie ze zijn, wie hun ouders zijn en dat ze door hun afkomst bepaalde gaven hebben die ze kunnen toepassen. Ik denk nu dat het de kinderen misschien wat ouwelijk maakt. Begrijp me goed, ik zou niet willen dat onze kinderen in onwetendheid op zouden groeien en er op een dag bij verrassing achter komen waar hun afkomst ligt. Maar als ik naar mezelf kijk… op de leeftijd van vijftien jaar hield ik me zeker nog niet bezig met een lijkenonderzoek en had ik al helemaal geen kaas gegeten van chemie. Wat deed ik eigenlijk als vijftienjarige? Lezen, wat talen leren en… nee, ik reed niet eens paard. Ja, af en toe, stapvoets. Het makke beest dat was geregeld na mijn ongeluk om te voorkomen dat er nog eens zoiets zou plaats vinden. Het beest dat niet vooruit te branden was en niet verder kwam dan een rustige galop.
Mijn dochter is wat dat betreft anders. Ik zal maar niet beginnen over paard rijden en dergelijke - van de vijf kinderen is er maar eentje die dat doet, een triest resultaat - maar haar ontwikkeling is toch wel een tikje anders dan de mijne. Een overeenkomst is dat ze tot nog toe voornamelijk privé-onderwijs heeft gehad. Een andere overeenkomst is dat ze wat van mijn karaktertrekken heeft geërfd. Ja, toch wel, helaas zijn dat niet de meest positieve kanten. Niet voor andere mensen dan, maar ik heb geen kinderen gekregen omdat ze leuk moeten zijn voor andere mensen. De kinderen heb ik gekregen uit een bepaalde vorm van egoïsme, omdat ik dat zo leuk vond en met de vage hoop dat zij het zelf ook prettig zouden vinden om te bestaan.
Eén van deze kinderen is dus Essilt. Rustig, bezadigd, intelligent, nogal in zichzelf gekeerd en tamelijk duidelijk in haar afkeuren. Ze is van een bepaalde koele schoonheid die ik al vaker heb gezien bij de familie Sawall, dus van die kant heeft ze ook wel iets. Wel meer als ik er zo over nadenk. Uiteraard de aanleg voor magie, maar ze is ook al tamelijk ver met Troef.
De meeste mensen mogen haar niet. Ik krijg de indruk dat dit alles Essilt maar weinig kan schelen, dat deze mensen precies datgene bevestigen wat ze al van hen dacht. Oh, ik herken zoveel van mezelf in dit meisje en weet daarom ook dat ze wel degelijk mensen nodig heeft die haar steunen en haar nemen zoals ze is. Ook weet ik dat ze het nog heel moeilijk kan krijgen als ze ouder wordt en wat meer buiten het gezin zal zijn.
Het liefst was ze naar huis gegaan om daar te eten en te overnachten. Ze begreep niet helemaal waarom ik het passender vond om in deze Schaduw te blijven zolang we hier op zoek waren en een poosje te leven zoals gewoon is op deze Schaduw. Nou ja, natuurlijk zijn we geen gewone mensen, maar dat feit is zo ingekapseld in ons bestaan dat we dat als ‘gewoon’ zien. Ik kan me voorstellen dat dit op anderen als zeer arrogant over kan komen.
We namen onze intrek in ‘De Gouden Beer’, een tamelijk nieuwe taveerne in het dorpje. Onmiddellijk toen we binnen kwamen, viel het geroezemoes weg en staarden de gasten ons aan. Aan Essilt zag ik dat ze haar eigen idee van terug gaan naar Gormenghast best goed vond en op dat moment was ik het in stilte met haar eens. Mijn dochter staarde alle gasten koeltjes één voor één aan op dezelfde manier als haar vader kan doen.
Een vriendelijke vrouw kwam naderbij, ondertussen haar handen afvegend aan een niet meer zo smetteloos schoon zijnd schort.
“Kan ik U helpen?” vroeg ze in het dialect van de streek. Het kostte me wat tijd om hier weer wat aan te wennen. Thuis spraken we zowel Engels als Thari, maar uiteraard nimmer in dialect.
“We willen hier graag overnachten en het avondeten gebruiken,” zei ik.
“Dat kan,” zei de dame en ze klonk verheugd. “We hebben mooie grote kamers, schoon en zindelijk. Wilt U samen een kamer delen of ieder een eigen kamer?”
“Delen?” zei Essilt en haar gezicht drukte afkeer uit. Als je een meisje van vijftien bent, deel je geen kamer meer met je moeder.
“Ieder een eigen kamer,” zei ik. “Voor één nacht en morgen willen we graag een ontbijt.”
“Heel goed,” knikte de waardin. “Verwacht u nog anderen?”
Essilt staarde de vrouw met afschuw aan en ik had moeite om mijn lachen te houden.
“Nee, wij zijn alleen,” zei ik.
“Goed. Dan moet ik U verzoeken om in het gastenboek uw gegevens in te vullen, dit vanwege de nieuwe wet.”
Even later vulden zowel Essilt als ik het boek in, beiden onder onze eigen naam. Essilt van Elysium en Morwenna van Elysium. Ik keek vluchtig naar de andere namen, geen kwam er mij bekend voor. De naam Ronald mc Donald viel me op, ik wist zeker deze ergens eerder gehoord te hebben, maar kon er zo niet op komen bij welke gelegenheid dat was geweest.
Vervolgens ging de waardin ons voor naar een tafeltje wat een beetje apart stond en vroeg ons te gaan zitten en wat we wilden eten.
“Mag ik de menukaart?” vroeg Essilt afgemeten.
“De gerechten staan op dat bord geschreven,” wees de waardin ons op een schoolbord aan de muur.
“Doe mij maar wildbraad,” vroeg ik nadat ik de drie gerechten had bekeken. Essilt koos voor het vismenu.
“Ik zal mijn dochter naar u toe sturen voor de drank,” zei de waardin en wandelde weg.
Vrijwel meteen kwam er een meisje van Essilt’s leeftijd naar onze tafel toe dat opgetogen reageerde op Essilt.
“Leuk je te ontmoeten!” riep ze enthousiast.
“Erg aardig,” zei Essilt lauw. “Ik neem aan dat jij de drank komt opnemen?”
Het kind liet zich niet uit het veld slaan door Essilt’s weinig toeschietelijke gedrag en knikte enthousiast.
“Wat is er allemaal?” vroeg Essilt.
Het meisje begon van alles op te noemen, van koffie tot en met whisky. Essilt koos, zoals ik al verwachtte, voor thee, ik nam hetzelfde.
Tijdens de maaltijd spraken we wat over het afgelopen onderzoek. Essilt had het wel interessant gevonden. Ik complimenteerde haar nogmaals over het denken aan alle spullen, iets wat ze met een schouderophaal afdeed, maar ik zag aan de glans in haar ogen dat het compliment haar goed deed.
Tot zover ging alles goed. Ik was erop uit met mijn oudste dochter en vond het geweldig om eens een poosje met haar alleen op te trekken. Met vijf kinderen komt het er niet echt van om langere tijd alleen met een kind op te trekken, de enige met wie ik dat tot nog toe wel eens had gedaan was Owen. Ik verheugde me op de komende paar dagen. Essilt is niet wat je bepaald aimabel gezelschap kunt noemen, maar toch… ze is mijn dochter en ze is zoals ze is. Dat is een uitroep die ik vaker slaak, bij al mijn kinderen, maar ik meen het echt. Ieder kind zie ik als een uniek wezen met haar of zijn eigen karaktertrekken en identiteit en voor mij is het belangrijk dat ze zoveel mogelijk zichzelf kunnen zijn.
Doch, zoals ik al eerder zei, niet iedereen kan zich vinden in Essilt’s karakter. Binnen mijn familie zijn er legio voorbeelden van. Corwin is er eentje van. Ik had hem al heel lang niet gezien, wat op zich geen wonder is, want ik heb het de afgelopen jaren bijzonder druk gehad met ons gezin, Elysium en ook gedeeltelijk met Arden. Corwin is iemand die altijd zijn eigen zaken achtera holt, er is niemand die precies weet waar hij mee bezig is. Dat hij zich op hetzelfde moment als dat ik met mijn dochter in de herberg zat, zich op dezelfde Schaduw bevond, was niet echt een schok. Wel dat hij dezelfde herberg binnen liep toen wij ongeveer halverwege de maaltijd waren.
Hij kwam bij ons aan tafel zitten. Uiteraard, het zou idioot zijn geweest als hij ergens anders was gaan zitten, maar ik kan niet zeggen dat ik blij was met zijn aanwezigheid.
Natuurlijk stelde ik Essilt en Corwin aan elkaar voor.
“Heb jij al een volwassen dochter?” vroeg Corwin terwijl hij Essilt nauwlettend bekeek. “Ze lijkt anders helemaal niet op jou. Geen greintje.”
Zowel Essilt als ik haalden tegelijkertijd onze schouders op. Ik wist dat het mogelijk was dat Corwin inderdaad geen gelijkenis zag - veel mensen vonden dat Essilt erg veel op Mandor leek - en ik vermoedde dat Essilt dacht dat Corwin wat zat te jennen.
“Dus jij bent Corwin?” vroeg ze stijfjes. “En wel 100.000 jaar oud?”
“Nee, zo oud niet,” zei Corwin beduusd. “Hooguit een paar honderd jaar, misschien duizend.”
“Ik had je beslist ouder geschat,” zei ze terwijl ze hem taxerend opnam.
Ik zag dat Corwin een tikje van zijn stuk gebracht was en niet goed wist wat hij hiervan moest denken.
“Ze is echt een dochter van jou?” vroeg hij toen nog maar eens. “Ik vraag me nog steeds af of je aan mij verwant bent. Zo niet, dan trouw ik met een dochter van jou.”
Dat schoot me in het verkeerde keelgat. Die ouwe viezerik, dat zou hij wel willen!
“In dat geval gebruiken wij als ouders ons veto recht,” zei ik tegen hem.
De waardin kwam het eten van Corwin brengen - een stuk zwijn - en een pul vol met schuimend bier.
“Dus jij heb vis besteld,” zei Corwin tegen Essilt terwijl hij in haar bord keek. “Als ik het niet dacht.”
“Dat moet ik zelf weten.” zei ze. “Ik ben vijftien.”
“Vijftien? Dat is een hele mooie leeftijd om te denken aan jongens en met wie je wil trouwen,” zei Corwin. “Ik heb gehoord over Jason Mason…”
“Dat is een engerd,” zei Essilt met een vies gezicht. “In ons Huis wordt er niet uitgehuwelijkt en ik wil niet trouwen.”
Corwin opende zijn mond om iets terug te zeggen, maar ik viel hem in de rede, me intussen ergerend aan de zoveelste volwassen man die het nodig vond om Essilt ‘uit haar tent te lokken.’
“Is het toeval dat je hier bent?”
“Ik heb hier een landhuis vlakbij,” zei hij, verbazing veinzend terwijl hij zijn vlees aan kleine stukjes begon te snijden.
“Waarom zit je dan hier?” vroeg ik.
“Datzelfde kan ik jou vragen,” zei hij slim. “Jij hebt hier toch ook een landhuis?”
“Niet het mijne, maar dat van mijn ouders en die zijn er niet,” gaf ik terug. “In dat huis heb ik zelfs nog nooit gewoond, dus ik heb er niet echt iets te zoeken.”
“Precies,” zei hij, me vangend op mijn woorden. “Dus wat doe je hier.”
“Wij zijn bezig om wat persoonlijke zaken uit te zoeken,” zei ik. “We zijn hier begonnen en gaan morgen op reis.”
“Waarheen?”
“Naar het zuiden,” hield ik het met opzet vaag. “Privé zaken, als je dat iets zegt.”
“Mooi,” zei hij tevreden. “Dan zal ik jullie helpen, daar waar jullie gaan ligt op mijn route.”
“Dat is helemaal niet nodig,” zei Essilt fel en keek me smekend aan. “Mam?”
“Je hoeft niet te helpen,” viel ik haar bij. “Dit zijn onze zaken en we zoeken dat alleen uit.”
“Het is niet veilig, ik sta niet toe dat jullie alleen reizen. Ik ga mee,” zei hij beslist.
“Nee,” zei ik net zo koppig. “Essilt en ik doen dit samen, we hebben geen derden nodig.”
Hij zuchtte.
“Je bent ongelooflijk eigenwijs, daarin lijkt je wel op een bepaalde broer van mij. Ik ben wat zaakjes op het spoor en deze Schaduw wordt bezocht door ongure lieden.”
“Corwin, het is nergens 100% veilig,” zei ik met klem. “Ik ben echt wel wat gewend. We hoeven niet door jou beschermd te worden.”
“Zeker niet,” vond Essilt ook.
“Jullie zijn niet geïnteresseerd hè!” riep Corwin geërgerd uit. Een aantal mensen keek onze richting uit. Corwin nam haastig een paar slokken bier en sprak daarna op zachtere toon verder.
“Er zijn insluipers geweest in mijn woning, mijn personeel is omgebracht omdat ze op zoek waren naar iets.”
Hier schrok ik wel van. Niet voor mezelf, maar voor het personeel in het huis van mijn ouders. Als ze op zoek waren in Corwin’s huis, waren ze mogelijk in de verkeerde woning geweest. Ik herinnerde me nog maar al te goed de mannen die Lenore bedreigden omdat ze iets had… De woning van mijn ouders zou ook niets opleveren, maar dat zouden die lui waarschijnlijk niet weten. Ook was het natuurlijk de vraag of ze, vijfenveertig jaar na de dood van Lenore, nog steeds op zoek waren naar hetzelfde ‘iets’. Ik liet echter niets van mijn schrik aan Corwin merken, maar nam me voor om als ik later alleen op mijn kamer zou zijn een paar mensen te troeven.
“Het spoor leidt naar de kust,” ging Corwin verder, “en het kan van alles wezen. Het lijkt iets te maken te hebben met de Gouden Cirkel. Hier is een poort en dat is nog niet zo lang het geval. Iemand moet die hier hebben gebouwd. In de Gouden Cirkellanden is er ook iemand bezig met poorten naar buiten die landen te bouwen, iemand is bezig de Gouden Cirkel te koppelen aan Schaduwen waar veel Amberieten komen. Er zijn verslagen van voertuigen bij poorten met spullen, zoals ketels en machines. Men ziet ze komen en niet gaan. En er ontbreekt iets aan de poorten, ze moeten aangezet worden met een soort magie.”
“Wel, dat alles lijkt niet op waar wij mee bezig zijn,” zei ik met een blik naar Essilt die instemmend met haar hoofd schudde. “Dus we kunnen rustig onze eigen weg gaan.”
Corwin dronk om zijn ergernis te verbergen haastig de rest van zijn bier op en wenkte het dienstmeisje om meer te bestellen.
Het was niet zo dat het gedoe rondom de poorten me niet interesseerde. Wij in Elysium hadden genoeg problemen doordat Amber afgesloten was van alle invoer. We moesten niet alleen onszelf voorzien, maar ook nog aan Amber leveren en dat was niet altijd even gemakkelijk omdat het tekort in Amber nogal nijpend was. Dat met die poorten diende opgelost te worden, zoveel was zeker. Maar als gerenommeerde mensen als Bleys en Fiona ze al niet eens aan de gang kregen, wat kon ik dan nog doen?
Opnieuw ging de deur open. Deze keer was het Random die zijn opwachting maakte. Ik had moeite om mijn ergernis te onderdrukken toen ik hem opgewekt naar onze tafel toe zag komen. Essilt humeur zakte zo ongeveer tot beneden nul terwijl Corwin verbaasd naar zijn broer keek.
“Jou had ik hier niet verwacht,” zei hij terwijl Random ons enthousiast de hand schudde.
“Echt niet?” vroeg deze verbaasd terwijl hij zich op een stoel liet zakken. “Ik ben hier anders al een tijdje bezig. En wat doen jullie hier?”
“Essilt en ik zijn hier bezig met wat persoonlijke zaken,” zei ik.
“Twee vrouwen alleen? Jullie durven. Er loopt hier allemaal gespuis rond.”
“Nee, niet alleen, ik bescherm hen,” bemoeide Corwin zich ermee.
“Dat doet hij niet, Essilt en ik kunnen ons heel goed zelf redden,” zei ik zuchtend terwijl mijn dochter instemmend knikte terwijl ze boos naar zowel Random als Corwin keek.
“We hebben anders net afgesproken dat we samen zouden gaan reizen,” dramde Corwin.
“Dat hebben we niet. Wij reizen alleen.”
“Natuurlijk wil Morwenna niet samen werken,” zei Random terwijl hij Corwin wat uitdagend aankeek. “Dat is een typische Julian reactie.”
“Tsss!” deed Essilt.
“Inderdaad kenmerkend voor Julian,” knikte Corwin. “Dat krijg je als je je teveel opsluit in Arden en ik heb gehoord dat Morwenna daar ook veel is geweest de afgelopen jaren.”
“Echt waar?” vroeg Random en keek me aan.
“Ja. Hoe is het verder met jou en Vialle?”
“Goed. Vialle is nog steeds niet zwanger.”
“Kwestie van vaker oefenen,” zei ik spottend. Die opmerking bracht een rood hoofd teweeg bij Essilt en ze keek me nijdig aan. Ze schaamde zich voor mij, iets dat ik me goed voor kon stellen. Normaal gesproken zou ik een dergelijke opmerking niet geplaatst hebben, maar het feit dat ik hier opgescheept zat met maar liefst twee ooms irriteerde me.
“Waar maak je je druk over,” bromde Corwin. “Hoe lang ken je Vialle nu helemaal?”
“Al van voordat ik koning werd,” zei Random vrolijk. “In die tijd heeft Morwenna bijvoorbeeld een hele sloot kinderen gekregen en bij ons is er nog steeds niets.”
“Het is maar goed dat je koning-af bent,” vond Corwin. “Je maakte er een puinhoop van.”
“Echt niet, ik was een hele goede koning. Die puinhoop is veroorzaakt door je zus.”
De waardin bracht Random zijn maaltijd - hij had van alles wat besteld - en ik vroeg om koffie en cake, wat niet veel later voor ons werd neergezet. Ik schonk Essilt en mezelf koffie in, de mannen hielden het bij bier. Waarom ze wel de cake aten was me een raadsel. Cake tijdens de hoofdmaaltijd voor Random en Corwin spoelde de stukken weg met bier.
“Hoe is het met jou?” vroeg Random toen aan mij.
“Goed.”
“En je kinderen?”
“Ook heel prima.”
“Hoe gaat het met je echtgenoot?”
“Ook al goed.”
“Je bent nog steeds getrouwd met die zuurpruim?”
“Mijn vader is géén zuurpruim,” zei Essilt fel voordat ik iets kon zeggen en ze keek Random vernietigend aan. Random verslikte zich even onder haar blik en had het vervolgens een poosje heel druk met vlees snijden. Ik keek goedkeurend naar Essilt en heel even was er een glimlach om haar mond te zien. Daarna richtte ze haar aandacht opnieuw op Random.
“Dus jij bent Random, de voormalige koning die afgezet werd en hier de boel komt verklooien?” vroeg ze scherp. “Waar ben je nu mee bezig bijvoorbeeld?”
“Eh… met van alles,” zei hij een beetje van zijn stuk gebracht. “We werken toch allemaal voor dezelfde goede zaak toch?”
“Oh ja? Ben je dan net als je broer bezig met die gates?”
“Ehm… ja, natuurlijk. Daar zijn allerlei lui mee bezig en die zijn niet pluis. Ik vind dat interessant.”
“Hoe dan?”
“Eh… de technologie,” zei Random verward. Net zoals de meeste andere volwassenen wist hij niet goed wat hij aanmoest met een Essilt die allemaal lastige vragen stelde. Iets waar ze heel goed in was. Essilt had de gewoonte om situaties en mensen in zich op te nemen, dit allemaal te leggen bij wat ze al wist en daar dan vragen over te stellen.
“Maarre, als jullie toch samen gaan reizen,” zei Random die op die manier trachtte de ongewenste aandacht van Essilt van zich af te wenden, “dan kan ik wel mee. Ik moet toch die kant op.”
“Welke kant?” vroeg ik vriendelijk.
“Eh… naar de kust,” zei hij en keek tevreden.
“Dit is een eiland,” bracht ik hem in herinnering. “Er is hier erg veel kust.”
“Ja.” Hij leek een poos na te denken. “Ik moet naar Eastbourne,” zei hij toen.
Het was iets te toevallig. En meer dan ergerlijk. Mijn tijd samen met mijn oudste dochter zou zo uitmonden in een soort van verplicht familie-uitje en dat wilde ik gewoon niet. Ik keek naar Essilt die zich overduidelijk stoorde aan het feit dat de twee ooms zich zo opdrongen.
“Dat is nu pech,” zei ik quasi teleurgesteld. “Wij hebben niets te zoeken in Eastbourne.”
“Oh. Misschien moeten we dan even uitzoeken wat we samen kunnen ondernemen,” bedacht Corwin.
“Wacht even,” zei Random, “ik had niet in de planning staan om met je samen te werken.”
“Dat is erg lastig,” zei Corwin, “want hoe kunnen we dan gezamenlijk vertrekken morgen?”
“Niet,” stelde ik voor. “Ieder gaat gewoon verder met waar zij of hij mee bezig was.”
Beide mannen vonden dit geen goed plan, ze namen het zelfs niet eens in overweging.
“Ik blijf hier overnachten,” deelde Corwin mee, “en dan reis ik morgen met jullie dames mee.”
Tegenover me zag ik op Essilt’s gezicht hoe schrik, verontwaardiging en woede elkaar afwisselden en ik voelde met haar mee. Vastbesloten familie die zich niet zou laten ompraten. Ik zou iets anders moeten gaan verzinnen. Het ging te ver om nu naar huis te gaan en op een later tijdstip terug te komen, maar ik wilde geen sleep van familie achter me aan hebben en zeker niet deze twee ooms.
“Overnachten zal lastig zijn,” zei Random, “want er zijn geen kamers meer vrij. Morwenna en Essilt hier hebben ieder hun eigen kamer en ik heb de derde net gehuurd.”
“Dat is belachelijk!” riep Corwin uit. Weer trok hij alle aandacht en hij liet zijn stemgeluid zakken. “Jullie kunnen best een kamer delen,” zei hij met klem terwijl hij van Essilt naar mij keek.”
“Geen sprake van,” zei ik. “Als je wilt blijven, ga je maar bij Random op de kamer.”
“Kan,” zei Random, “maar niet bij mij in bed. Op de bank ofzo.”
“Je denkt toch niet dat ik dat serieus overweeg?” zei Corwin fel.
Random grijnsde slechts en Corwin dacht met een gemelijke trek op zijn gezicht na.
“Je zou kunnen overnachten op je eigen landgoed,” stelde ik voor.
“Dat is te ver. Ik weet zeker dat jullie dan met opzet zo vroeg mogelijk vertrekken morgen.”
Ik zuchtte. Corwin zou zich niet laten tegenhouden. Ik zou Patroon kunnen gebruiken om ons een voorsprong te geven, helaas waren deze twee ooms ook fervent Patroongebruikers, dus het zou wel eens op niets uit kunnen draaien. Of ik kon er hulp bij halen. Even dacht ik aan Mandor, die een demoon op ze af zou kunnen sturen om ze bezig te houden, maar waarschijnlijk was dat teveel van het goede. Ik zou er ook een ander familielid bij kunnen halen. Bleys zou een hele goede zijn, hij zou zijn drie redheads kunnen inzetten. Ooit, lang geleden, had Bleys me tenslotte eens gezegd dat ik te allen tijde een beroep op de drie zou kunnen doen. Uiteraard moest het wel allemaal uitkomen.
Corwin mompelde intussen dat hij dan wel naar zijn landhuis zou gaan en dat hij het niet eerlijk vond. Ik had geen flauw idee wat hij dan niet eerlijk vond.
“Hebben er al een paar van jouw kinderen aanleg voor demonologie?” informeerde Random ineens.
“Kan,” hield ik me op de vlakte. Ook van Essilt’s gezicht was nu niets af te lezen, ze verblikte of verbloosde zelfs niet toen zowel Random als Corwin haar doordringend aankeken.
“Kom op,” zei Random, “je kunt het toch gewoon zeggen? Jullie hebben er vijf, er zal er toch wel eentje tussen zitten die er iets mee kan? Ik vermoed dat het erfelijk is, net zoiets als het hebben van Patroon.”
Ik haalde mijn schouders op en zei niets. Jaren geleden had Mandor eens gezegd dat hij het voor zijn vader zo lang mogelijk geheim wilde houden wie degene was die de aanleg had voor demonologie. Het leek me dan ook niet gepast om dat wel te vertellen aan deze ooms, ik zou ook niet weten wat ze met die informatie wilden doen. Net zomin zei ik dat maar twee van de kinderen de aanleg voor Patroon hadden, ook dat ging ze helemaal niets aan. Ik had bewondering voor Essilt die zich helemaal niet uit de tent liet lokken, ze had al haar aandacht bij het eten van de cake en zei helemaal niets.
“Ergerlijk dat je niets zegt,” vond Random. “We kunnen het toch gewoon over onze kinderen hebben? Ik heb een zoon die verstand heeft van Patroon, met bommen klooit en in Chaos rond hangt.”
“Leuk,” zei ik vriendelijk.
Random zuchtte.
“Jullie hebben vijf kinderen,” zei hij toen geërgerd, “en ik zie maar weinig van ze, alsof jullie je best doen om ze zoveel mogelijk thuis te houden.”
“Goed gezien,” zei ik. “Ze zijn nog erg jong tenslotte.”
“Zo jong toch niet meer? Randal moet al ruim zeventien zijn en ik zie hem nooit. Ik had gedacht dat hij wel eens bij mij zou komen aankloppen voor een training, maar dat doet hij niet.”
“Hij is er vrij in om te beslissen met wie hij een poos wil optrekken,” zei ik. “Misschien komt hij nog wel eens langs.”
“Hmm, met sint Juttemis zeker,” gromde hij. “Dat doet me eraan denken dat je me iets niet hebt verteld.”
“Ik heb je meer dingen niet verteld,” zei ik met een grijns. “Misschien moet je specifieker zijn.”
“Je weet heel goed wat ik bedoel,” zei hij. “Je hebt iets gevonden in Arden.”
“Oh, je zus!” begreep ik meteen. “Ik dacht dat ze nog niet bijgekomen was.”
“Helaas wel,” zei hij met een zucht. “Bleys heeft dat geregeld, ze is bijgekomen, loopt rond en we hebben al ruzie gehad.”
“Een zus?” zei Corwin, kwam voorover leunen en zijn ogen schitterden. “Waarom weet ik daar niets van?”
“Ze is jonger dan ik,” zei Random. “Ze kwam in Amber toen jij verdwaasd in Schaduw rond zwierf.”
Corwin was uitermate geïnteresseerd.
“Een zus van jou?” vroeg hij met een grijns van oor tot oor. “Is ze een beetje knap?”
“Blond haar, net als hij,” zei ik met een knik naar Random. “Een soort van Random maar dan in vrouwelijke vorm.” Dat was natuurlijk onzin, zo vreselijk veel leek Mirelle niet op Random, maar ik had zin om beide ooms een beetje te pesten.
“Is ze net als Flora?” informeerde Corwin.
“Denk aan een soldaat, een manwijf. Denk aan Deirdre,” adviseerde Random hem.
Corwin zat nu zowat te kwijlen, door te zeggen dat Mirelle op Deirdre leek had Random hem alleen maar lekkerder gemaakt.
“Waar heb je haar al de tijd verstopt gehad?” vroeg hij.
“Julian en ik hebben haar gevonden in een soort Azteekse piramide,” zei ik. “In Arden.”
“Wat!” riep Corwin en zijn ogen spuwden zowat vuur. “Julian weer! Random, Julian heeft jouw zus gevangen gezet! In Arden, geen wonder dat daar nooit iemand mag komen! Niet alleen zij is daar opgedoken, maar die dochter van Benedict ook. Julian houdt van alles achter!”
Ik zag dat Essilt stomverbaasd keek en wat wilde zeggen. Ik schudde mijn hoofd en gaf haar een knipoog. Ze haalde haar schouders op.
“Julian zit niet achter de verdwijning van Mirelle,” zei Random rustig. “En anders had hij haar mogen houden.”
“Ze wordt wel de ‘bitch van Amber’ genoemd,” vertelde ik wat van de informatie die ik een paar jaar geleden van Mandor had gekregen.
“Klopt,” zei Random opgewekt en zijn blauwe ogen twinkelden. “je zal haar wel mogen, Corwin.”
“Vast wel,” knikte Corwin. “Tenslotte is ze geen Chaosiet, tegenwoordig heb ik alleen met Chaos ruzie.”
“Hoe dat zo?” vroeg ik.
“Ik ben erachter gekomen dat Chaos legers vanuit de Hunting Grounds kan rekruteren,” zei Corwin trots. “Dat kan natuurlijk niet, dus ik besloten om me daarmee bezig te houden.”
“Je bedoelt oorlog?”
“Ach… schermutseling is beter. Mijn manschappen hebben al aardig wat grond veroverd.”
Ik besloot er verder niet op in te gaan. Later zou ik wel naar Mandor troeven om te vragen of hij meer wist. Als het waar was wat Corwin zei, kon dit wel degelijk als act of war kunnen opgepakt en dan hadden wij van Elysium een enorm probleem, dat soort zaken zou op ons worden afgewenteld.
“Wat doe je dan hier?” wilde ik alleen nog weten.
“Dat met die gates heeft ook met Chaos te maken,” zei hij zelfverzekerd.
Er werd nog wat gepraat over allerlei door Random en Corwin. Essilt kondigde na een poosje aan dat ze naar bed ging, wat de twee mannen meteen allerlei opmerkingen deed maken over kinderbedtijd en nachtzoenen. Vreselijk flauw vond ik het van mijn ooms, waarom waren ze niet in staat om wat meer respect voor Essilt te tonen?
Ik liep met Essilt mee om haar kamer te inspecteren die er netjes en schoon uitzag. Qenna nestelde zich op het voeteneinde van het grote bed.
“Ik laat Fenris in de gang slapen vannacht,” zei ik tegen Essilt. “Doe je deur op slot en je raam dicht, je weet tenslotte maar nooit. En meteen roepen of troeven als er iets is.”
Ze knikte en aarzelde wat. Ik liep naar haar toe, omhelsde haar kort en gaf haar een kus op de wang. Heel even, nauwelijks merkbaar, voelde ik dat ze haar armen om me heen geslagen had en me heel voorzichtig een kus terug gaf. Essilt was van jongs af aan niet erg gesteld op lichamelijkheid, iets wat ik heel goed begreep en ook respecteerde. Desondanks had ze er soms wel behoefte aan.
Ik liep haar kamer weer uit en hoorde dat de deur op slot gedraaid werd. Ik liet Fillipien die buiten was, weten waar Essilt was en vroeg haar en Loki om de boel in de gaten te houden. Fenris was inmiddels gaan liggen voor de deur en ik krauwde hem onder zijn kop. Van alle dieren waren de oude Barghest en de oude valk eigenlijk degenen die altijd het meest de kinderen in het oog hielden.
Toen ik beneden kwam, was alleen Random er nog, Corwin bleek naar zijn landhuis te zijn gegaan. Zo zonder Corwin was Random ineens een stuk serieuzer.
“Er is iets aan de hand met deze Schaduw,” zei hij. “Deze is te aantrekkelijk, zowat iedere Amberiet lijkt hier iets mee te hebben en er zijn volgens mij ook Chaosieten aangetrokken tot deze Schaduw. Dat ze in het huis van Corwin bezig zijn geweest, is niet zo best.”
“Waren dat Chaosieten dan?”
“Geen idee,” grinnikte Random. “Het zou wel te maken kunnen hebben met die gates, maar ik zie nog niet hoe en wat. Ik snap ook niet waarom ze zo definitief zijn afgesloten, anders had je nog aan een flauwe grap kunnen denken. Het zou kunnen dat Brand er mee te maken heeft, maar waarom?”
“Ik heb me nauwelijks verdiept in het probleem van de poorten,” bekende ik eerlijk. “We hebben het behoorlijk druk gehad met andere zaken.”
“Er zijn mensen zat mee bezig geweest die er niets mee konden,” zei hij. Maar eigenlijk heb ik iets anders, mijn zus zou graag willen studeren aan die school van jullie. Ze is aardig opgeknapt, maar lijkt een gedeelte van haar geheugen kwijt te zijn. Ze weet bijvoorbeeld niet waarom ze in stases was.”
“Ik wist niet eens dat ze was bijgekomen,” zei ik. “Jij zegt dat het dankzij Bleys is, maar eigenlijk hadden we haar naar Fiona gebracht.”
“Fiona is snel iets zat,” zei hij met een schouderophaal. “Vandaar Bleys.”
“Ik snap het. Wat betreft de school, ze kan gewoon komen.”
“Hoe kan dat dan worden geregeld?”
“Denk je dat ze zich zal gedragen?” wilde ik eerst weten.
“Ik hoop het, anders bel je maar.”
“Op het moment heb ik twee kinderen daar zitten,” zei ik. “Ik weet dat ze nogal tegen Chaos gekant was en ik wil niet dat ze onze kinderen daarop afrekent.”
“Ik begrijp het,” knikte hij. “Ik zal haar erover onderhouden. Kan ik haar een Troef van jou geven?”
“Dat is goed, laat haar maar troeven, dan breng ik haar er naar toe,” beloofde ik. “Dat kan elk moment, ik ben nu voor een poosje bereikbaar immers.”
“Fijn,” zei hij tevreden. “Ik moet toch zeggen dat ik het erg jammer vind dat Randal nooit bij mij is geweest voor een opleiding van het één of ander. Maar ik heb gehoord dat jullie allerlei andere oplossingen hebben bedacht rondom zijn scholing.”
“We hebben niet alleen Randal,” zei ik een beetje verbaasd. “En inderdaad hebben we zoveel mogelijk de opleiding van onze kinderen in eigen hand genomen.”
“Die jongen is nogal een stuntenmaker hè?” zei Random. “Een poos geleden was ik naar een ziekenhuis gegaan op een zekere Schaduw vanwege het feit dat ik mijn arm ernstig had gekneusd. Het zit daar helemaal vol met warrige artsen die beweerden dat ze me kenden en ik kreeg ze nauwelijks gewist. Het heeft me wel tijd gekost om uit te vinden dat jullie daar regelmatige bezoekers zijn vanwege Randal. Dat is intussen een heel stevig stukje Schaduw geworden.”
“Klopt. Ze helpen er echter altijd goed, dus vandaar dat we er steeds weer terug gaan.”
Hij bestelde nog een keer bier voor zichzelf en vroeg wat ik wilde drinken. Ik schudde mijn hoofd en zei dat ik zo zou gaan slapen.
“Nou al, je lijkt je dochter wel,” mopperde hij. “Die is trouwens behoorlijk stug, vind je niet?”
“Nee, dat vind ik niet. Ze is niet veel anders dan ik op die leeftijd.”
“Dat zal het zijn. Ze vormt een soort ellendige combinatie van jou en Julian en lijkt dan ook nog op Mandor. Verschrikkelijk! Dat is vast degene die straks alle powers heeft.”
“Denk je dat wij dat belangrijk vinden? Essilt is gewoon zoals ze is en wij vinden haar leuk.”
“Ik bedoel het niet kwaad,” zei hij lachend.
Mijn dochter is wat dat betreft anders. Ik zal maar niet beginnen over paard rijden en dergelijke - van de vijf kinderen is er maar eentje die dat doet, een triest resultaat - maar haar ontwikkeling is toch wel een tikje anders dan de mijne. Een overeenkomst is dat ze tot nog toe voornamelijk privé-onderwijs heeft gehad. Een andere overeenkomst is dat ze wat van mijn karaktertrekken heeft geërfd. Ja, toch wel, helaas zijn dat niet de meest positieve kanten. Niet voor andere mensen dan, maar ik heb geen kinderen gekregen omdat ze leuk moeten zijn voor andere mensen. De kinderen heb ik gekregen uit een bepaalde vorm van egoïsme, omdat ik dat zo leuk vond en met de vage hoop dat zij het zelf ook prettig zouden vinden om te bestaan.
Eén van deze kinderen is dus Essilt. Rustig, bezadigd, intelligent, nogal in zichzelf gekeerd en tamelijk duidelijk in haar afkeuren. Ze is van een bepaalde koele schoonheid die ik al vaker heb gezien bij de familie Sawall, dus van die kant heeft ze ook wel iets. Wel meer als ik er zo over nadenk. Uiteraard de aanleg voor magie, maar ze is ook al tamelijk ver met Troef.
De meeste mensen mogen haar niet. Ik krijg de indruk dat dit alles Essilt maar weinig kan schelen, dat deze mensen precies datgene bevestigen wat ze al van hen dacht. Oh, ik herken zoveel van mezelf in dit meisje en weet daarom ook dat ze wel degelijk mensen nodig heeft die haar steunen en haar nemen zoals ze is. Ook weet ik dat ze het nog heel moeilijk kan krijgen als ze ouder wordt en wat meer buiten het gezin zal zijn.
Het liefst was ze naar huis gegaan om daar te eten en te overnachten. Ze begreep niet helemaal waarom ik het passender vond om in deze Schaduw te blijven zolang we hier op zoek waren en een poosje te leven zoals gewoon is op deze Schaduw. Nou ja, natuurlijk zijn we geen gewone mensen, maar dat feit is zo ingekapseld in ons bestaan dat we dat als ‘gewoon’ zien. Ik kan me voorstellen dat dit op anderen als zeer arrogant over kan komen.
We namen onze intrek in ‘De Gouden Beer’, een tamelijk nieuwe taveerne in het dorpje. Onmiddellijk toen we binnen kwamen, viel het geroezemoes weg en staarden de gasten ons aan. Aan Essilt zag ik dat ze haar eigen idee van terug gaan naar Gormenghast best goed vond en op dat moment was ik het in stilte met haar eens. Mijn dochter staarde alle gasten koeltjes één voor één aan op dezelfde manier als haar vader kan doen.
Een vriendelijke vrouw kwam naderbij, ondertussen haar handen afvegend aan een niet meer zo smetteloos schoon zijnd schort.
“Kan ik U helpen?” vroeg ze in het dialect van de streek. Het kostte me wat tijd om hier weer wat aan te wennen. Thuis spraken we zowel Engels als Thari, maar uiteraard nimmer in dialect.
“We willen hier graag overnachten en het avondeten gebruiken,” zei ik.
“Dat kan,” zei de dame en ze klonk verheugd. “We hebben mooie grote kamers, schoon en zindelijk. Wilt U samen een kamer delen of ieder een eigen kamer?”
“Delen?” zei Essilt en haar gezicht drukte afkeer uit. Als je een meisje van vijftien bent, deel je geen kamer meer met je moeder.
“Ieder een eigen kamer,” zei ik. “Voor één nacht en morgen willen we graag een ontbijt.”
“Heel goed,” knikte de waardin. “Verwacht u nog anderen?”
Essilt staarde de vrouw met afschuw aan en ik had moeite om mijn lachen te houden.
“Nee, wij zijn alleen,” zei ik.
“Goed. Dan moet ik U verzoeken om in het gastenboek uw gegevens in te vullen, dit vanwege de nieuwe wet.”
Even later vulden zowel Essilt als ik het boek in, beiden onder onze eigen naam. Essilt van Elysium en Morwenna van Elysium. Ik keek vluchtig naar de andere namen, geen kwam er mij bekend voor. De naam Ronald mc Donald viel me op, ik wist zeker deze ergens eerder gehoord te hebben, maar kon er zo niet op komen bij welke gelegenheid dat was geweest.
Vervolgens ging de waardin ons voor naar een tafeltje wat een beetje apart stond en vroeg ons te gaan zitten en wat we wilden eten.
“Mag ik de menukaart?” vroeg Essilt afgemeten.
“De gerechten staan op dat bord geschreven,” wees de waardin ons op een schoolbord aan de muur.
“Doe mij maar wildbraad,” vroeg ik nadat ik de drie gerechten had bekeken. Essilt koos voor het vismenu.
“Ik zal mijn dochter naar u toe sturen voor de drank,” zei de waardin en wandelde weg.
Vrijwel meteen kwam er een meisje van Essilt’s leeftijd naar onze tafel toe dat opgetogen reageerde op Essilt.
“Leuk je te ontmoeten!” riep ze enthousiast.
“Erg aardig,” zei Essilt lauw. “Ik neem aan dat jij de drank komt opnemen?”
Het kind liet zich niet uit het veld slaan door Essilt’s weinig toeschietelijke gedrag en knikte enthousiast.
“Wat is er allemaal?” vroeg Essilt.
Het meisje begon van alles op te noemen, van koffie tot en met whisky. Essilt koos, zoals ik al verwachtte, voor thee, ik nam hetzelfde.
Tijdens de maaltijd spraken we wat over het afgelopen onderzoek. Essilt had het wel interessant gevonden. Ik complimenteerde haar nogmaals over het denken aan alle spullen, iets wat ze met een schouderophaal afdeed, maar ik zag aan de glans in haar ogen dat het compliment haar goed deed.
Tot zover ging alles goed. Ik was erop uit met mijn oudste dochter en vond het geweldig om eens een poosje met haar alleen op te trekken. Met vijf kinderen komt het er niet echt van om langere tijd alleen met een kind op te trekken, de enige met wie ik dat tot nog toe wel eens had gedaan was Owen. Ik verheugde me op de komende paar dagen. Essilt is niet wat je bepaald aimabel gezelschap kunt noemen, maar toch… ze is mijn dochter en ze is zoals ze is. Dat is een uitroep die ik vaker slaak, bij al mijn kinderen, maar ik meen het echt. Ieder kind zie ik als een uniek wezen met haar of zijn eigen karaktertrekken en identiteit en voor mij is het belangrijk dat ze zoveel mogelijk zichzelf kunnen zijn.
Doch, zoals ik al eerder zei, niet iedereen kan zich vinden in Essilt’s karakter. Binnen mijn familie zijn er legio voorbeelden van. Corwin is er eentje van. Ik had hem al heel lang niet gezien, wat op zich geen wonder is, want ik heb het de afgelopen jaren bijzonder druk gehad met ons gezin, Elysium en ook gedeeltelijk met Arden. Corwin is iemand die altijd zijn eigen zaken achtera holt, er is niemand die precies weet waar hij mee bezig is. Dat hij zich op hetzelfde moment als dat ik met mijn dochter in de herberg zat, zich op dezelfde Schaduw bevond, was niet echt een schok. Wel dat hij dezelfde herberg binnen liep toen wij ongeveer halverwege de maaltijd waren.
Hij kwam bij ons aan tafel zitten. Uiteraard, het zou idioot zijn geweest als hij ergens anders was gaan zitten, maar ik kan niet zeggen dat ik blij was met zijn aanwezigheid.
Natuurlijk stelde ik Essilt en Corwin aan elkaar voor.
“Heb jij al een volwassen dochter?” vroeg Corwin terwijl hij Essilt nauwlettend bekeek. “Ze lijkt anders helemaal niet op jou. Geen greintje.”
Zowel Essilt als ik haalden tegelijkertijd onze schouders op. Ik wist dat het mogelijk was dat Corwin inderdaad geen gelijkenis zag - veel mensen vonden dat Essilt erg veel op Mandor leek - en ik vermoedde dat Essilt dacht dat Corwin wat zat te jennen.
“Dus jij bent Corwin?” vroeg ze stijfjes. “En wel 100.000 jaar oud?”
“Nee, zo oud niet,” zei Corwin beduusd. “Hooguit een paar honderd jaar, misschien duizend.”
“Ik had je beslist ouder geschat,” zei ze terwijl ze hem taxerend opnam.
Ik zag dat Corwin een tikje van zijn stuk gebracht was en niet goed wist wat hij hiervan moest denken.
“Ze is echt een dochter van jou?” vroeg hij toen nog maar eens. “Ik vraag me nog steeds af of je aan mij verwant bent. Zo niet, dan trouw ik met een dochter van jou.”
Dat schoot me in het verkeerde keelgat. Die ouwe viezerik, dat zou hij wel willen!
“In dat geval gebruiken wij als ouders ons veto recht,” zei ik tegen hem.
De waardin kwam het eten van Corwin brengen - een stuk zwijn - en een pul vol met schuimend bier.
“Dus jij heb vis besteld,” zei Corwin tegen Essilt terwijl hij in haar bord keek. “Als ik het niet dacht.”
“Dat moet ik zelf weten.” zei ze. “Ik ben vijftien.”
“Vijftien? Dat is een hele mooie leeftijd om te denken aan jongens en met wie je wil trouwen,” zei Corwin. “Ik heb gehoord over Jason Mason…”
“Dat is een engerd,” zei Essilt met een vies gezicht. “In ons Huis wordt er niet uitgehuwelijkt en ik wil niet trouwen.”
Corwin opende zijn mond om iets terug te zeggen, maar ik viel hem in de rede, me intussen ergerend aan de zoveelste volwassen man die het nodig vond om Essilt ‘uit haar tent te lokken.’
“Is het toeval dat je hier bent?”
“Ik heb hier een landhuis vlakbij,” zei hij, verbazing veinzend terwijl hij zijn vlees aan kleine stukjes begon te snijden.
“Waarom zit je dan hier?” vroeg ik.
“Datzelfde kan ik jou vragen,” zei hij slim. “Jij hebt hier toch ook een landhuis?”
“Niet het mijne, maar dat van mijn ouders en die zijn er niet,” gaf ik terug. “In dat huis heb ik zelfs nog nooit gewoond, dus ik heb er niet echt iets te zoeken.”
“Precies,” zei hij, me vangend op mijn woorden. “Dus wat doe je hier.”
“Wij zijn bezig om wat persoonlijke zaken uit te zoeken,” zei ik. “We zijn hier begonnen en gaan morgen op reis.”
“Waarheen?”
“Naar het zuiden,” hield ik het met opzet vaag. “Privé zaken, als je dat iets zegt.”
“Mooi,” zei hij tevreden. “Dan zal ik jullie helpen, daar waar jullie gaan ligt op mijn route.”
“Dat is helemaal niet nodig,” zei Essilt fel en keek me smekend aan. “Mam?”
“Je hoeft niet te helpen,” viel ik haar bij. “Dit zijn onze zaken en we zoeken dat alleen uit.”
“Het is niet veilig, ik sta niet toe dat jullie alleen reizen. Ik ga mee,” zei hij beslist.
“Nee,” zei ik net zo koppig. “Essilt en ik doen dit samen, we hebben geen derden nodig.”
Hij zuchtte.
“Je bent ongelooflijk eigenwijs, daarin lijkt je wel op een bepaalde broer van mij. Ik ben wat zaakjes op het spoor en deze Schaduw wordt bezocht door ongure lieden.”
“Corwin, het is nergens 100% veilig,” zei ik met klem. “Ik ben echt wel wat gewend. We hoeven niet door jou beschermd te worden.”
“Zeker niet,” vond Essilt ook.
“Jullie zijn niet geïnteresseerd hè!” riep Corwin geërgerd uit. Een aantal mensen keek onze richting uit. Corwin nam haastig een paar slokken bier en sprak daarna op zachtere toon verder.
“Er zijn insluipers geweest in mijn woning, mijn personeel is omgebracht omdat ze op zoek waren naar iets.”
Hier schrok ik wel van. Niet voor mezelf, maar voor het personeel in het huis van mijn ouders. Als ze op zoek waren in Corwin’s huis, waren ze mogelijk in de verkeerde woning geweest. Ik herinnerde me nog maar al te goed de mannen die Lenore bedreigden omdat ze iets had… De woning van mijn ouders zou ook niets opleveren, maar dat zouden die lui waarschijnlijk niet weten. Ook was het natuurlijk de vraag of ze, vijfenveertig jaar na de dood van Lenore, nog steeds op zoek waren naar hetzelfde ‘iets’. Ik liet echter niets van mijn schrik aan Corwin merken, maar nam me voor om als ik later alleen op mijn kamer zou zijn een paar mensen te troeven.
“Het spoor leidt naar de kust,” ging Corwin verder, “en het kan van alles wezen. Het lijkt iets te maken te hebben met de Gouden Cirkel. Hier is een poort en dat is nog niet zo lang het geval. Iemand moet die hier hebben gebouwd. In de Gouden Cirkellanden is er ook iemand bezig met poorten naar buiten die landen te bouwen, iemand is bezig de Gouden Cirkel te koppelen aan Schaduwen waar veel Amberieten komen. Er zijn verslagen van voertuigen bij poorten met spullen, zoals ketels en machines. Men ziet ze komen en niet gaan. En er ontbreekt iets aan de poorten, ze moeten aangezet worden met een soort magie.”
“Wel, dat alles lijkt niet op waar wij mee bezig zijn,” zei ik met een blik naar Essilt die instemmend met haar hoofd schudde. “Dus we kunnen rustig onze eigen weg gaan.”
Corwin dronk om zijn ergernis te verbergen haastig de rest van zijn bier op en wenkte het dienstmeisje om meer te bestellen.
Het was niet zo dat het gedoe rondom de poorten me niet interesseerde. Wij in Elysium hadden genoeg problemen doordat Amber afgesloten was van alle invoer. We moesten niet alleen onszelf voorzien, maar ook nog aan Amber leveren en dat was niet altijd even gemakkelijk omdat het tekort in Amber nogal nijpend was. Dat met die poorten diende opgelost te worden, zoveel was zeker. Maar als gerenommeerde mensen als Bleys en Fiona ze al niet eens aan de gang kregen, wat kon ik dan nog doen?
Opnieuw ging de deur open. Deze keer was het Random die zijn opwachting maakte. Ik had moeite om mijn ergernis te onderdrukken toen ik hem opgewekt naar onze tafel toe zag komen. Essilt humeur zakte zo ongeveer tot beneden nul terwijl Corwin verbaasd naar zijn broer keek.
“Jou had ik hier niet verwacht,” zei hij terwijl Random ons enthousiast de hand schudde.
“Echt niet?” vroeg deze verbaasd terwijl hij zich op een stoel liet zakken. “Ik ben hier anders al een tijdje bezig. En wat doen jullie hier?”
“Essilt en ik zijn hier bezig met wat persoonlijke zaken,” zei ik.
“Twee vrouwen alleen? Jullie durven. Er loopt hier allemaal gespuis rond.”
“Nee, niet alleen, ik bescherm hen,” bemoeide Corwin zich ermee.
“Dat doet hij niet, Essilt en ik kunnen ons heel goed zelf redden,” zei ik zuchtend terwijl mijn dochter instemmend knikte terwijl ze boos naar zowel Random als Corwin keek.
“We hebben anders net afgesproken dat we samen zouden gaan reizen,” dramde Corwin.
“Dat hebben we niet. Wij reizen alleen.”
“Natuurlijk wil Morwenna niet samen werken,” zei Random terwijl hij Corwin wat uitdagend aankeek. “Dat is een typische Julian reactie.”
“Tsss!” deed Essilt.
“Inderdaad kenmerkend voor Julian,” knikte Corwin. “Dat krijg je als je je teveel opsluit in Arden en ik heb gehoord dat Morwenna daar ook veel is geweest de afgelopen jaren.”
“Echt waar?” vroeg Random en keek me aan.
“Ja. Hoe is het verder met jou en Vialle?”
“Goed. Vialle is nog steeds niet zwanger.”
“Kwestie van vaker oefenen,” zei ik spottend. Die opmerking bracht een rood hoofd teweeg bij Essilt en ze keek me nijdig aan. Ze schaamde zich voor mij, iets dat ik me goed voor kon stellen. Normaal gesproken zou ik een dergelijke opmerking niet geplaatst hebben, maar het feit dat ik hier opgescheept zat met maar liefst twee ooms irriteerde me.
“Waar maak je je druk over,” bromde Corwin. “Hoe lang ken je Vialle nu helemaal?”
“Al van voordat ik koning werd,” zei Random vrolijk. “In die tijd heeft Morwenna bijvoorbeeld een hele sloot kinderen gekregen en bij ons is er nog steeds niets.”
“Het is maar goed dat je koning-af bent,” vond Corwin. “Je maakte er een puinhoop van.”
“Echt niet, ik was een hele goede koning. Die puinhoop is veroorzaakt door je zus.”
De waardin bracht Random zijn maaltijd - hij had van alles wat besteld - en ik vroeg om koffie en cake, wat niet veel later voor ons werd neergezet. Ik schonk Essilt en mezelf koffie in, de mannen hielden het bij bier. Waarom ze wel de cake aten was me een raadsel. Cake tijdens de hoofdmaaltijd voor Random en Corwin spoelde de stukken weg met bier.
“Hoe is het met jou?” vroeg Random toen aan mij.
“Goed.”
“En je kinderen?”
“Ook heel prima.”
“Hoe gaat het met je echtgenoot?”
“Ook al goed.”
“Je bent nog steeds getrouwd met die zuurpruim?”
“Mijn vader is géén zuurpruim,” zei Essilt fel voordat ik iets kon zeggen en ze keek Random vernietigend aan. Random verslikte zich even onder haar blik en had het vervolgens een poosje heel druk met vlees snijden. Ik keek goedkeurend naar Essilt en heel even was er een glimlach om haar mond te zien. Daarna richtte ze haar aandacht opnieuw op Random.
“Dus jij bent Random, de voormalige koning die afgezet werd en hier de boel komt verklooien?” vroeg ze scherp. “Waar ben je nu mee bezig bijvoorbeeld?”
“Eh… met van alles,” zei hij een beetje van zijn stuk gebracht. “We werken toch allemaal voor dezelfde goede zaak toch?”
“Oh ja? Ben je dan net als je broer bezig met die gates?”
“Ehm… ja, natuurlijk. Daar zijn allerlei lui mee bezig en die zijn niet pluis. Ik vind dat interessant.”
“Hoe dan?”
“Eh… de technologie,” zei Random verward. Net zoals de meeste andere volwassenen wist hij niet goed wat hij aanmoest met een Essilt die allemaal lastige vragen stelde. Iets waar ze heel goed in was. Essilt had de gewoonte om situaties en mensen in zich op te nemen, dit allemaal te leggen bij wat ze al wist en daar dan vragen over te stellen.
“Maarre, als jullie toch samen gaan reizen,” zei Random die op die manier trachtte de ongewenste aandacht van Essilt van zich af te wenden, “dan kan ik wel mee. Ik moet toch die kant op.”
“Welke kant?” vroeg ik vriendelijk.
“Eh… naar de kust,” zei hij en keek tevreden.
“Dit is een eiland,” bracht ik hem in herinnering. “Er is hier erg veel kust.”
“Ja.” Hij leek een poos na te denken. “Ik moet naar Eastbourne,” zei hij toen.
Het was iets te toevallig. En meer dan ergerlijk. Mijn tijd samen met mijn oudste dochter zou zo uitmonden in een soort van verplicht familie-uitje en dat wilde ik gewoon niet. Ik keek naar Essilt die zich overduidelijk stoorde aan het feit dat de twee ooms zich zo opdrongen.
“Dat is nu pech,” zei ik quasi teleurgesteld. “Wij hebben niets te zoeken in Eastbourne.”
“Oh. Misschien moeten we dan even uitzoeken wat we samen kunnen ondernemen,” bedacht Corwin.
“Wacht even,” zei Random, “ik had niet in de planning staan om met je samen te werken.”
“Dat is erg lastig,” zei Corwin, “want hoe kunnen we dan gezamenlijk vertrekken morgen?”
“Niet,” stelde ik voor. “Ieder gaat gewoon verder met waar zij of hij mee bezig was.”
Beide mannen vonden dit geen goed plan, ze namen het zelfs niet eens in overweging.
“Ik blijf hier overnachten,” deelde Corwin mee, “en dan reis ik morgen met jullie dames mee.”
Tegenover me zag ik op Essilt’s gezicht hoe schrik, verontwaardiging en woede elkaar afwisselden en ik voelde met haar mee. Vastbesloten familie die zich niet zou laten ompraten. Ik zou iets anders moeten gaan verzinnen. Het ging te ver om nu naar huis te gaan en op een later tijdstip terug te komen, maar ik wilde geen sleep van familie achter me aan hebben en zeker niet deze twee ooms.
“Overnachten zal lastig zijn,” zei Random, “want er zijn geen kamers meer vrij. Morwenna en Essilt hier hebben ieder hun eigen kamer en ik heb de derde net gehuurd.”
“Dat is belachelijk!” riep Corwin uit. Weer trok hij alle aandacht en hij liet zijn stemgeluid zakken. “Jullie kunnen best een kamer delen,” zei hij met klem terwijl hij van Essilt naar mij keek.”
“Geen sprake van,” zei ik. “Als je wilt blijven, ga je maar bij Random op de kamer.”
“Kan,” zei Random, “maar niet bij mij in bed. Op de bank ofzo.”
“Je denkt toch niet dat ik dat serieus overweeg?” zei Corwin fel.
Random grijnsde slechts en Corwin dacht met een gemelijke trek op zijn gezicht na.
“Je zou kunnen overnachten op je eigen landgoed,” stelde ik voor.
“Dat is te ver. Ik weet zeker dat jullie dan met opzet zo vroeg mogelijk vertrekken morgen.”
Ik zuchtte. Corwin zou zich niet laten tegenhouden. Ik zou Patroon kunnen gebruiken om ons een voorsprong te geven, helaas waren deze twee ooms ook fervent Patroongebruikers, dus het zou wel eens op niets uit kunnen draaien. Of ik kon er hulp bij halen. Even dacht ik aan Mandor, die een demoon op ze af zou kunnen sturen om ze bezig te houden, maar waarschijnlijk was dat teveel van het goede. Ik zou er ook een ander familielid bij kunnen halen. Bleys zou een hele goede zijn, hij zou zijn drie redheads kunnen inzetten. Ooit, lang geleden, had Bleys me tenslotte eens gezegd dat ik te allen tijde een beroep op de drie zou kunnen doen. Uiteraard moest het wel allemaal uitkomen.
Corwin mompelde intussen dat hij dan wel naar zijn landhuis zou gaan en dat hij het niet eerlijk vond. Ik had geen flauw idee wat hij dan niet eerlijk vond.
“Hebben er al een paar van jouw kinderen aanleg voor demonologie?” informeerde Random ineens.
“Kan,” hield ik me op de vlakte. Ook van Essilt’s gezicht was nu niets af te lezen, ze verblikte of verbloosde zelfs niet toen zowel Random als Corwin haar doordringend aankeken.
“Kom op,” zei Random, “je kunt het toch gewoon zeggen? Jullie hebben er vijf, er zal er toch wel eentje tussen zitten die er iets mee kan? Ik vermoed dat het erfelijk is, net zoiets als het hebben van Patroon.”
Ik haalde mijn schouders op en zei niets. Jaren geleden had Mandor eens gezegd dat hij het voor zijn vader zo lang mogelijk geheim wilde houden wie degene was die de aanleg had voor demonologie. Het leek me dan ook niet gepast om dat wel te vertellen aan deze ooms, ik zou ook niet weten wat ze met die informatie wilden doen. Net zomin zei ik dat maar twee van de kinderen de aanleg voor Patroon hadden, ook dat ging ze helemaal niets aan. Ik had bewondering voor Essilt die zich helemaal niet uit de tent liet lokken, ze had al haar aandacht bij het eten van de cake en zei helemaal niets.
“Ergerlijk dat je niets zegt,” vond Random. “We kunnen het toch gewoon over onze kinderen hebben? Ik heb een zoon die verstand heeft van Patroon, met bommen klooit en in Chaos rond hangt.”
“Leuk,” zei ik vriendelijk.
Random zuchtte.
“Jullie hebben vijf kinderen,” zei hij toen geërgerd, “en ik zie maar weinig van ze, alsof jullie je best doen om ze zoveel mogelijk thuis te houden.”
“Goed gezien,” zei ik. “Ze zijn nog erg jong tenslotte.”
“Zo jong toch niet meer? Randal moet al ruim zeventien zijn en ik zie hem nooit. Ik had gedacht dat hij wel eens bij mij zou komen aankloppen voor een training, maar dat doet hij niet.”
“Hij is er vrij in om te beslissen met wie hij een poos wil optrekken,” zei ik. “Misschien komt hij nog wel eens langs.”
“Hmm, met sint Juttemis zeker,” gromde hij. “Dat doet me eraan denken dat je me iets niet hebt verteld.”
“Ik heb je meer dingen niet verteld,” zei ik met een grijns. “Misschien moet je specifieker zijn.”
“Je weet heel goed wat ik bedoel,” zei hij. “Je hebt iets gevonden in Arden.”
“Oh, je zus!” begreep ik meteen. “Ik dacht dat ze nog niet bijgekomen was.”
“Helaas wel,” zei hij met een zucht. “Bleys heeft dat geregeld, ze is bijgekomen, loopt rond en we hebben al ruzie gehad.”
“Een zus?” zei Corwin, kwam voorover leunen en zijn ogen schitterden. “Waarom weet ik daar niets van?”
“Ze is jonger dan ik,” zei Random. “Ze kwam in Amber toen jij verdwaasd in Schaduw rond zwierf.”
Corwin was uitermate geïnteresseerd.
“Een zus van jou?” vroeg hij met een grijns van oor tot oor. “Is ze een beetje knap?”
“Blond haar, net als hij,” zei ik met een knik naar Random. “Een soort van Random maar dan in vrouwelijke vorm.” Dat was natuurlijk onzin, zo vreselijk veel leek Mirelle niet op Random, maar ik had zin om beide ooms een beetje te pesten.
“Is ze net als Flora?” informeerde Corwin.
“Denk aan een soldaat, een manwijf. Denk aan Deirdre,” adviseerde Random hem.
Corwin zat nu zowat te kwijlen, door te zeggen dat Mirelle op Deirdre leek had Random hem alleen maar lekkerder gemaakt.
“Waar heb je haar al de tijd verstopt gehad?” vroeg hij.
“Julian en ik hebben haar gevonden in een soort Azteekse piramide,” zei ik. “In Arden.”
“Wat!” riep Corwin en zijn ogen spuwden zowat vuur. “Julian weer! Random, Julian heeft jouw zus gevangen gezet! In Arden, geen wonder dat daar nooit iemand mag komen! Niet alleen zij is daar opgedoken, maar die dochter van Benedict ook. Julian houdt van alles achter!”
Ik zag dat Essilt stomverbaasd keek en wat wilde zeggen. Ik schudde mijn hoofd en gaf haar een knipoog. Ze haalde haar schouders op.
“Julian zit niet achter de verdwijning van Mirelle,” zei Random rustig. “En anders had hij haar mogen houden.”
“Ze wordt wel de ‘bitch van Amber’ genoemd,” vertelde ik wat van de informatie die ik een paar jaar geleden van Mandor had gekregen.
“Klopt,” zei Random opgewekt en zijn blauwe ogen twinkelden. “je zal haar wel mogen, Corwin.”
“Vast wel,” knikte Corwin. “Tenslotte is ze geen Chaosiet, tegenwoordig heb ik alleen met Chaos ruzie.”
“Hoe dat zo?” vroeg ik.
“Ik ben erachter gekomen dat Chaos legers vanuit de Hunting Grounds kan rekruteren,” zei Corwin trots. “Dat kan natuurlijk niet, dus ik besloten om me daarmee bezig te houden.”
“Je bedoelt oorlog?”
“Ach… schermutseling is beter. Mijn manschappen hebben al aardig wat grond veroverd.”
Ik besloot er verder niet op in te gaan. Later zou ik wel naar Mandor troeven om te vragen of hij meer wist. Als het waar was wat Corwin zei, kon dit wel degelijk als act of war kunnen opgepakt en dan hadden wij van Elysium een enorm probleem, dat soort zaken zou op ons worden afgewenteld.
“Wat doe je dan hier?” wilde ik alleen nog weten.
“Dat met die gates heeft ook met Chaos te maken,” zei hij zelfverzekerd.
Er werd nog wat gepraat over allerlei door Random en Corwin. Essilt kondigde na een poosje aan dat ze naar bed ging, wat de twee mannen meteen allerlei opmerkingen deed maken over kinderbedtijd en nachtzoenen. Vreselijk flauw vond ik het van mijn ooms, waarom waren ze niet in staat om wat meer respect voor Essilt te tonen?
Ik liep met Essilt mee om haar kamer te inspecteren die er netjes en schoon uitzag. Qenna nestelde zich op het voeteneinde van het grote bed.
“Ik laat Fenris in de gang slapen vannacht,” zei ik tegen Essilt. “Doe je deur op slot en je raam dicht, je weet tenslotte maar nooit. En meteen roepen of troeven als er iets is.”
Ze knikte en aarzelde wat. Ik liep naar haar toe, omhelsde haar kort en gaf haar een kus op de wang. Heel even, nauwelijks merkbaar, voelde ik dat ze haar armen om me heen geslagen had en me heel voorzichtig een kus terug gaf. Essilt was van jongs af aan niet erg gesteld op lichamelijkheid, iets wat ik heel goed begreep en ook respecteerde. Desondanks had ze er soms wel behoefte aan.
Ik liep haar kamer weer uit en hoorde dat de deur op slot gedraaid werd. Ik liet Fillipien die buiten was, weten waar Essilt was en vroeg haar en Loki om de boel in de gaten te houden. Fenris was inmiddels gaan liggen voor de deur en ik krauwde hem onder zijn kop. Van alle dieren waren de oude Barghest en de oude valk eigenlijk degenen die altijd het meest de kinderen in het oog hielden.
Toen ik beneden kwam, was alleen Random er nog, Corwin bleek naar zijn landhuis te zijn gegaan. Zo zonder Corwin was Random ineens een stuk serieuzer.
“Er is iets aan de hand met deze Schaduw,” zei hij. “Deze is te aantrekkelijk, zowat iedere Amberiet lijkt hier iets mee te hebben en er zijn volgens mij ook Chaosieten aangetrokken tot deze Schaduw. Dat ze in het huis van Corwin bezig zijn geweest, is niet zo best.”
“Waren dat Chaosieten dan?”
“Geen idee,” grinnikte Random. “Het zou wel te maken kunnen hebben met die gates, maar ik zie nog niet hoe en wat. Ik snap ook niet waarom ze zo definitief zijn afgesloten, anders had je nog aan een flauwe grap kunnen denken. Het zou kunnen dat Brand er mee te maken heeft, maar waarom?”
“Ik heb me nauwelijks verdiept in het probleem van de poorten,” bekende ik eerlijk. “We hebben het behoorlijk druk gehad met andere zaken.”
“Er zijn mensen zat mee bezig geweest die er niets mee konden,” zei hij. Maar eigenlijk heb ik iets anders, mijn zus zou graag willen studeren aan die school van jullie. Ze is aardig opgeknapt, maar lijkt een gedeelte van haar geheugen kwijt te zijn. Ze weet bijvoorbeeld niet waarom ze in stases was.”
“Ik wist niet eens dat ze was bijgekomen,” zei ik. “Jij zegt dat het dankzij Bleys is, maar eigenlijk hadden we haar naar Fiona gebracht.”
“Fiona is snel iets zat,” zei hij met een schouderophaal. “Vandaar Bleys.”
“Ik snap het. Wat betreft de school, ze kan gewoon komen.”
“Hoe kan dat dan worden geregeld?”
“Denk je dat ze zich zal gedragen?” wilde ik eerst weten.
“Ik hoop het, anders bel je maar.”
“Op het moment heb ik twee kinderen daar zitten,” zei ik. “Ik weet dat ze nogal tegen Chaos gekant was en ik wil niet dat ze onze kinderen daarop afrekent.”
“Ik begrijp het,” knikte hij. “Ik zal haar erover onderhouden. Kan ik haar een Troef van jou geven?”
“Dat is goed, laat haar maar troeven, dan breng ik haar er naar toe,” beloofde ik. “Dat kan elk moment, ik ben nu voor een poosje bereikbaar immers.”
“Fijn,” zei hij tevreden. “Ik moet toch zeggen dat ik het erg jammer vind dat Randal nooit bij mij is geweest voor een opleiding van het één of ander. Maar ik heb gehoord dat jullie allerlei andere oplossingen hebben bedacht rondom zijn scholing.”
“We hebben niet alleen Randal,” zei ik een beetje verbaasd. “En inderdaad hebben we zoveel mogelijk de opleiding van onze kinderen in eigen hand genomen.”
“Die jongen is nogal een stuntenmaker hè?” zei Random. “Een poos geleden was ik naar een ziekenhuis gegaan op een zekere Schaduw vanwege het feit dat ik mijn arm ernstig had gekneusd. Het zit daar helemaal vol met warrige artsen die beweerden dat ze me kenden en ik kreeg ze nauwelijks gewist. Het heeft me wel tijd gekost om uit te vinden dat jullie daar regelmatige bezoekers zijn vanwege Randal. Dat is intussen een heel stevig stukje Schaduw geworden.”
“Klopt. Ze helpen er echter altijd goed, dus vandaar dat we er steeds weer terug gaan.”
Hij bestelde nog een keer bier voor zichzelf en vroeg wat ik wilde drinken. Ik schudde mijn hoofd en zei dat ik zo zou gaan slapen.
“Nou al, je lijkt je dochter wel,” mopperde hij. “Die is trouwens behoorlijk stug, vind je niet?”
“Nee, dat vind ik niet. Ze is niet veel anders dan ik op die leeftijd.”
“Dat zal het zijn. Ze vormt een soort ellendige combinatie van jou en Julian en lijkt dan ook nog op Mandor. Verschrikkelijk! Dat is vast degene die straks alle powers heeft.”
“Denk je dat wij dat belangrijk vinden? Essilt is gewoon zoals ze is en wij vinden haar leuk.”
“Ik bedoel het niet kwaad,” zei hij lachend.
Verzamelen van Familie
Vrijwel iedereen was inmiddels aan de koffie of thee, behalve Rhexenor die maar bezig bleef met eten. Het zou me niets verwonderd hebben als hij de neiging moest onderdrukken om de schalen echt leeg te likken. Aan het hele gesprek had hij dan ook weinig toe te voegen, behalve dat hij nog eens benadrukte mee te willen helpen.
Voor alle duidelijkheid legde ik het plan nog eens uit.
“Er moet dus samengewerkt gaan worden tussen Chaosieten en Amberieten,” zei ik nogmaals met klem.
“De eerlijkheid gebied me te zeggen dat dit plan weinig kans van slagen heeft,” zei Bances. “Vooral omdat Amberieten niet te vertrouwen zijn.”
Ik ergerde me, dat was nogal een reden. Als iedereen er nu van tevoren van uit zou gaan dat het niet zou gaan werken vanwege dit soort wantrouwen, konden we beter ophouden voordat we maar zouden beginnen.
“Er zijn meer mensen die niet te vertrouwen zijn,” hoorde ik Mandor naast me zeggen en ik zag hoe hij de Amblerashes met een scherpe blik opnam. “Die zitten hier aan tafel bijvoorbeeld.”
Ik zag hoe Bances wit weg trok en ook zijn dochter en neef moesten even wat wegslikken. Mijn aanstaande had bepaald een reputatie opgebouwd, dankzij wat ik had gezien in die poel in Tir-na Nog’th wist ik nu dat dit niet onterecht was. Ik legde heel even een hand op zijn been, hij legde meteen zijn hand daarbovenop en gaf mijn hand een zacht kneepje. Dit gaf me de moed om verder te gaan, om door te zetten wat we begonnen waren.
“Ik weet dat er onderling nogal wat wantrouwen is,” zei ik. “Toch moet er zo snel mogelijk actie worden ondernomen die tegelijkertijd doeltreffend zal zijn. We vragen jullie medewerking om een groot overleg te kunnen organiseren op neutraal terrein, Elysium. Hierbij zal besproken wat de mogelijkheden zijn en hoe we zo optimaal mogelijk iets aan de situatie kunnen doen.”
“Ik zit anders niet te wachten op een heleboel Chaosieten in Elysium,” protesteerde Deirdre.
Ik onderdrukte de neiging om heel hard te gillen. Als dit gesprek al zo moeizaam verliep en als alle toezeggingen zo lang op zich zouden laten wachten, dan zou er straks helemaal niets ondernomen worden. Afgezien daarvan vond ik haar opmerking over Elysium niet erg gepast, het was net of zij er de baas van was. Waarom hadden wij het toegewezen gekregen als zij het eigenlijk onder controle wilde houden? Intussen voelde ik een aantal ritmische tikken in mijn onderbuik en begon ik me af te vragen of dit gewoon de beweginkjes van de tweeling zouden kunnen zijn. Het was niet voor het eerst dat ik het voelde, maar had het tot nog toe een beetje genegeerd. Met twee maanden leven voelen was immers erg vroeg, ook al ging het deze keer om twee kinderen en had ik de aanwezigheid van hun broers toch ook wel in een vroeg stadium gevoeld. Mandor keek me tersluiks aan en glimlachte.
“Het is genoeg als alleen de Hoofden en wat belangrijke leden van de Huizen aanwezig zijn,” zei Bances. “Er is niemand die zijn hele familie mee zal nemen. Ik weet alleen niet hoe het moet met het koningshuis, Gramble Sawall is immers gevangen genomen en er is nu niemand die Huis Sawall kan vertegenwoordigen.”
“Ik kan ons Huis in mijn vaders afwezigheid vertegenwoordigen,” zei Mandor afgemeten. Zowel Deirdre als Bances keken of ze het niet gepast vonden, maar ze durfden geen van beiden tegen Mandor in te gaan.
“Dus jullie zeggen je hulp toe?” vroeg ik nog maar eens.
Eindelijk, eindelijk knikten zowel Bances als Deirde, zij het nog steeds heel terughoudend.
“Vind je het wat als ik Iolanthe erbij haal?” vroeg Rhexenor plotseling. Het eten was nu echt op en voor even liet Anastasia hem met rust.
“Dat zou je kunnen doen,” zei ik nadenkend en negeerde de afkeurende blikken van de anderen. Iolanthe had ik nog maar enkele malen gezien en pas één keer echt gesproken. Een dame met een zekere reputatie. Iolanthe was volgens mij niet politiek geïnteresseerd en zou alleen daarom wel eens een heel waardevolle toevoeging kunnen zijn.
“Mooi,” zei mijn neef, opgewekt als immer. “Dan zal ik eerst dat leger van me in Elysium nog wat extra trainen.”
“Daar zou wel eens niet veel tijd voor kunnen zijn,” remde Deirdre zijn enthousiasme wat af.
“Oh, maar dat kan Morwenna regelen,” zei hij en keek me aan. “Jij bent immers goed met Patroon, als je nu even een snelle wereld voor me vindt waar ik ze kan trainen…”
“Ik zou een dergelijke Schaduw wel kunnen vinden,” legde ik hem rustig uit, “maar dat kost ook tijd. Ik weet namelijk zo geen Schaduw die echt veel sneller gaat.”
Hij keek een beetje beteuterd.
“Het zijn oorspronkelijk Benedicts legers,” zei Deirdre. “Ik denk niet dat ze extra training nodig hebben.”
Ik keek naar haar hoe ze erbij zat. Een beetje stijfjes, zo te zien voelde ze zich niet erg op haar gemak. Haar felblauwe ogen hielden iedereen in de gaten en intussen merkte ze niet eens dat ze in feite haar zoon een beetje het gras voor de voeten wegmaaide. Ik kon me voorstellen dat hij de manschappen van Benedict iets meer zijn eigen manschappen wilde maken.
“Je zou het eens aan een oom kunnen vragen,” adviseerde ik Rhexenor. “Die houden zich regelmatig bezig met legers, allicht dat ze ook dergelijke Schaduwen weten.”
“Ja, vraag het aan Corwin,” zei Deirdre een beetje afwezig.
Eindelijk was het tafelen klaar. Rhexenor zei dat hij wat dingen te doen had eerst, de rest van ons troefde naar de ingang van Elysium. Bances begon meteen in zijn Troevendeck te bladeren, Deirdre liep met Anastasia en Johnny door de mistingang naar binnen, waardoor ze het heel duidelijk maakte dat ze het oproepen van familieleden aan mij overliet. Ik liep met Mandor een eindje van Bances weg, tot we buiten gehoorsafstand waren.
“Ik heb daarstraks leven gevoeld,” vertelde ik hem. “Ik heb het eigenlijk al eerder gevoeld, ik voel de aanwezigheid van de baby’s altijd wel, maar ik weet nu zeker dat ik ze echt voel bewegen.”
Hij lachte en keek naar mijn buik.
“Dit is ook een moment om dat te zeggen, ik kan moeilijk hier gaan staan voelen,” zei hij zacht en wierp even een blik naar Bances die duidelijk in troefcontact was met iemand.
“Wat ik bedoel is dat het wat vroeg is om al beweging te voelen,” zei ik.
“Vast een actief stel,” was hij van mening. “Als we straks alleen zijn, zal ik dat zelf even onderzoeken.” Hij bekeek me van top tot teen. “In ieder geval is er aan jou met deze jurk aan echt niets te zien, ook niet voor degenen die het weten of vermoeden.”
Ik glimlachte naar hem, wat spijt voelend over het feit dat ik hem niet openlijk kon omhelzen. Hij glimlachte terug, een warme blik in zijn ijsblauwe ogen. Hij liep daarna een eindje verder om de rest van de benodigde voorraden overal vandaan te gaan halen. Ik zocht een goede plaats onder een tweetal bomen, niet te dicht bij Bances die nu iemand had doorgehaald die ik herkende als Belissa Minobee. Ik knikte vriendelijk tegen haar en haalde mijn deck tevoorschijn.
Met een aarzeling troefde ik eerst Ronardo. Hoewel ik niet wist wat er met hem aan de hand was en ook niet of hij te vertrouwen was, was hij wel één van degenen die erg goed met Dalt overweg kon en ik had bedacht dat het helemaal niet zo gek zou zijn als iemand met deze oom zou gaan praten om erachter te komen wat diens opzet was. Ik had al snel contact en Ronardo keek me vriendelijk aan. Ik merkte zo niets vreemd aan hem, alleen lachte hij net iets te onschuldig en vond ik ook de compleet zwarte achtergrond niet echt prettig aandoen.
“Ronardo, heb je tijd om door te komen?” vroeg ik. “We hebben hier een probleem en ik zou je iets willen vragen, maar niet over Troef.”
“Helaas,” zei hij, nog vriendelijker glimlachend. Ik huiverde onwillekeurig, het deed me een heel klein beetje denken aan hoe Brand zich altijd opstelde. Maar Ronardo is een volle neef van Brand, dus zo gek was het niet dat ze wat gelijkenissen vertoonden hield ik mezelf voor.
“Ik heb geen tijd om door te komen,” zei hij.
Ik voelde de neiging om meteen op te geven, bang als ik altijd ben om anderen tot last te zijn. Maar ik zette mezelf eroverheen en probeerde het nog eens.
“Het is erg dringend,” zei ik met klem.
Zij lach verdween, hij keek me alleen maar aan en veegde me toen letterlijk het contact uit. Het was iets dat ik nog nooit had meegemaakt en me zware hoofdpijn opleverde. Ik haalde een paar keer diep adem en liep wat heen en weer. Het hielp, de pijn zakte al snel weer weg. Ondertussen vroeg ik me af waarom Ronardo zich zo gedroeg. Hij mocht dan goed zijn met Troef, maar dat waren er meer. Mandor, Gramble, Deirdre, Eric… maar nog nooit hadden zij me op een dergelijk lompe manier behandeld.
Pas toen ik me weer helemaal goed voelde, troefde ik naar Corwin. Hij keek me lichtelijk verbaasd aan en grijnsde toen.
“Morwenna, jou had ik niet helemaal verwacht. Wat leuk! Alles goed?”
“Met mij wel,” zei ik. “Zou ik je door kunnen halen?”
“Jij altijd,” zei hij en stak een hand uit. Ik haalde hem door, in de hoop dat hij niet op de vaderdochter toer wilde gaan. Het viel alleszins mee, hij maakte een respectvolle buiging en gaf me een handkus.
“Mijn excuses, ik had niet zoveel tijd eerder, ik werd getroefd door een broer,” zei hij.
Ik keek hem verbaasd aan. Eerder? Ik kon me niet herinneren hem na de verloving nog gezien te hebben en daar leek hij niet erg gehaast te zijn.
“Op die Defiant,” legde hij uit. “Je weet wel, die ruimteslag.”
“Oh, heb je het daarover! Ik kan me niet herinneren dat ik jou daar gezien heb.”
“Nou ja, het was ook erg druk,” zei hij terwijl er een licht teleurgestelde trek op zijn gezicht verscheen.
Ik haastte me om het onderwerp te veranderen en vertelde hem wat er aan de hand was en dat er overleg zou komen.
“Ga je nu iedereen troeven?” Hij keek naar Bances die in gesprek was met Rolovians Jesby.
“Degenen aan de Amberkant alleen,” zei ik. “Het overleg vindt uiteraard plaats in Elysium, wegens de neutraliteit.”
“Heb je de gastenkamers geregeld?”
“Nee,” zei ik verward. “Het personeel weet dat er een flink aantal gasten komt en dat ze voor genoeg eten moeten zorgen, maar kamers?”
“Dat is heel gebruikelijk,” zei hij. “Je heb een algemeen overleg, maar ondertussen worden er ook een heleboel afspraken gemaakt onderling, willen mensen elkaar spreken in de wandelgangen of op een eigen kamer… het is belangrijk dat daar gelegenheid voor is.”
“Oh,” ik voelde me opnieuw het kleine kind dat nergens van wist. “Goed dat je het zegt, dan zal ik dat eerst maar in orde gaan maken.”
“Jij moet troeven,” zei hij vriendelijk. “Ik zou dat met die kamers kunnen gaan regelen.”
“Graag,” zei ik.
Hij knikte even, ook naar Bances en liep tegelijkertijd met Rolovians de mist in.
Rinaldo’s Troef lag onder die van Corwin en deze was de volgende die ik activeerde. Rinaldo, een grote knappe man met het rode haar en de groene ogen van Brand, maar met verder weinig uiterlijke gelijkenis, leek wat ongelukkig te zijn, al was zijn begroeting uiterst voorkomend en hij liet zich meteen doorhalen toen ik het vroeg. Hij omhelsde me, gaf me een paar zoenen op de wangen. Wat terughoudend gaf ik hem een zoen terug, na zoveel jaar had ik nog steeds moeite met het familiaire gedrag van een aantal familieleden.
“Hoe is het met jou?” vroeg ik.
“Ik heb problemen,” zei hij terwijl hij om zich heen keek. Bances had verderop een tweetal mensen doorgehaald die zo te oordelen naar de uniformen van Huis Helgram waren.
“En jij hebt die zo te zien ook,” concludeerde hij en keek me weer aan. “Dit is toch de ingang naar Elysium? Er moet iets aan de hand zijn als er zowel Chaosieten als Amberieten bij de toegang worden doorgehaald.”
“Er speelt inderdaad iets,” zei ik en vertelde hem over de coup in Chaos. “Ik weet dat Dalt een goede vriend van je is en zou het op prijs stellen als je met hem zou willen praten, misschien dat je erachter komt wat er aan de hand is.”
“Hmm, ik weet niet of ik dat wil doen,” aarzelde hij. “Dalt is een goede vriend van mij.”
“Dat weet ik. Ik vraag niet of je hem wilt gaan verraden of bespioneren, maar alleen of je met hem wilt praten.”
“Goed,” knikte hij. “Ik doe dat dan wel.” Hij liep een aantal meter van me vandaan terwijl hij zijn troevendeck pakte en er een kaart tussenuit haalde. Even later was hij verdwenen. Ik realiseerde me dat ik niet naar zijn problemen had gevraagd, vervuld als ik was van de mijne. Dat was een slechte zaak.
Mijn vader zei even later dat ze nog bezig waren met het onderzoek.
“Maar we lijken iets te hebben nu,” zei hij. “We kunnen hier nog niet weg, als je me later nog eens wilt troeven?”
“Dat is goed,” zei ik en verbrak het contact.
Naar de kaart van Benedict moest ik even zoeken, toen ik deze had gelokaliseerd troefde ik hem. Hij liet zich meteen doorhalen, ik lichtte hem in het kort over de huidige situatie in. Een prettige eigenschap van Benedict is dat hij altijd to the point is in dit soort zaken. Hij knikte slechts en zei dat hij wilde meedoen aan het overleg. Ik voelde een troefcontact, Rinaldo die vroeg om doorgehaald te worden. Hij begroette Benedict netjes en respectvol.
“Het is geen moeilijk verhaal,” zei hij. “Dalt is ingehuurd door die familie en wordt goed betaald. Dalt zegt dat deze lui erg meevallen voor Chaosieten, er zitten een paar hele aardige tussen, hij schijnt daar een vriendin opgedoken te hebben.”
“Ah, het gaat dus om een vrouw,” zei ik met een grijns. Rinaldo grinnikte ook. Benedict had als immer zijn serieuze gezicht.
“Verder moest ik zeggen,” zei Rinaldo met nog steeds een lach op zijn gezicht, “ dat Dalt het niet erg vond dat jullie dit wisten, dat als jullie zouden gaan aanvallen jullie dat zouden verliezen en dat het ernstige gevolgen zou hebben.”
“Ik dacht al zoiets,” knikte Benedict. “Het klinkt niet anders dan anders.”
“Dacht je dat van die vrouw ook?” vroeg ik verbaasd. Dalt kende ik nauwelijks, maar ik kon niet zeggen dat hij een vrouwenversierder was.
“Oh dat. Dat is natuurlijk flauwekul,” veegde hij het hele onderwerp weg.
Rinaldo grijnsde.
“Zeg, waar is die jaloerse minna… eh … echtgenoot… ik bedoel die verloofde van je eigenlijk?”
Benedict trok een wenkbrauw op, ik keek naar het groepje Chaosieten wat verderop. Waarschijnlijk hadden ze niets gehoord. Ik wees de richting uit waar Mandor nog steeds bezig was om voorraden te regelen. Rinaldo aarzelde wat.
“Ik denk dat ik hem later maar eens spreek,” zei hij toen beslist.
“Is Corwin er al?” vroeg Benedict.
“Corwin is al naar binnen, gastenkamers regelen enzo.”
“Dat is mooi. Ik moet hem even spreken over die geweren die hij ooit naar Amber bracht.”
Hij draaide zich om en beende weg. Rinaldo rende achter hem aan: “Ik ga wel even mee. Dat lijkt mij ook erg interessant.”
Bleys was de volgende van de familie die ik troefde. Hij was netjes, voorkomend, ik kreeg van hem een handkus. Hij was zelfs enthousiast dat ik hem voor deze bijeenkomst had getroefd.
“Geweldig, ik wil graag weer eens met Chaosieten praten,” zei hij en ging ook Elysium binnen.
Fiona kreeg ik niet te pakken, ik had het gevoel dat ze troefcontact met iemand anders had. Eric liet zich tot mijn verbazing doorhalen en wilde komen praten. Zijn eerste optreden in het openbaar zou in Elysium zijn. Vreemd idee.
Gérard was ook geïnteresseerd en even later gingen hij en Eric samen de mistpoort door. Ook Caine zelf kreeg ik niet bereikt, ik zag het gezicht van een dame die me vroeg iets in te spreken. Ik hield het bij het simpele: ‘kun je me even terugtroeven?’
Random verscheen naast me. Ik heb er een hekel aan wanneer mensen dat doen. Eric, Brand, Random… allemaal idioot goed met Troef op een disrespectvolle manier voor anderen.
“Er is een nieuw probleem,” kondigde hij aan nadat hij zich ervan verzekerd had dat er niemand meeluisterde.
“Wat dan?” vroeg ik zuchtend. Nog een probleem konden we eigenlijk niet gebruiken.
“Dyenne heeft me getroefd omdat de route van Antioch naar Amber afgesloten blijkt te zijn. Ik ben dat gaan onderzoeken en het komt erop neer dat Amber totaal geïsoleerd is nu van de Gouden Cirkellanden, alle poorten zijn afgesloten, op die van Kashfa na.”
“Random, dat is ontzettend vervelend!” zei ik. “Niet alleen voor stad Amber, maar we kunnen dat er even niet bij hebben nu.”
Hij knikte.
“Mijn idee. Het is het beste hier geen ruchtbaarheid even aan te geven tot dat met Chaos is opgelost. Zodra Deirdre of een paar anderen hiervan horen wordt dat als prioriteit gesteld.”
“Hoe weet je van het probleem in Chaos?” vroeg ik argwanend.
Hij grinnikte en ik had zo mijn vermoedens. Wie was dat ook alweer die zei dat hij Troeven afluisterde? Hoewel, ik had niets over Troef verteld. Of waren het zijn spionnen geweest die hem hadden ingelicht? Natuurlijk, dat moest het zijn.
“Rinaldo weet misschien meer van het probleem met die poorten is.” zei ik nadenkend. “Hij zei problemen te hebben, allicht dat hij je meer kan vertellen. Hij is in Elysium.”
“Prima, dan zoek ik hem op,” zei Random en liep naar binnen.
Merlijn was de volgende die ik troefde. Een contact dat razendsnel tot stand kwam.
“Haal me asjeblieft door!” riep hij en ik greep zijn uitgestoken hand. Hij zag er vreselijk verfomfaaid uit, zijn haar zat door de war, het leek of er op hem geschoten was, zijn kleding was gescheurd en hij plofte hijgend op het gras zodra hij er was.
“Wat ben ik blij dat je met troefde!” zei hij en stond meteen weer op.
“Problemen?” vroeg ik.
“En of! Wat is dit hier? Het stikt van de Chaosieten!”
“Overleg,” zei ik. “Je weet vast waarom.”
“Ik heb mijn vermoedens,” knikte hij. “Het lijkt heel lastig te zijn om bij de Logrus te komen, alsof dat extra afgeschermd is.”
“Ik begrijp dat je in het paleis was?”
“Klopt. Die ouwe gek kon ik er echter niet vinden.”
“Je bent de enige niet,” zei ik troostend. “Je zou naar Elysium kunnen gaan om je daar te fatsoeneren en even wat uit te rusten.”
“Ik denk dat ik dat maar doe,” zei hij en liep op een groepje mensen af dat bij Bances stond. Ze gingen even later allemaal de mistpoort door, inclusief Bances die blijkbaar iedereen van zijn kant al gehad had.
Ik dacht even na. Mandor die Gramble niet kon vinden, Merlijn die hem niet kon vinden… meer en meer begon ik me af te vragen of Gramble zich wel gevangen had laten nemen. Ik pakte zijn Troef en activeerde deze. Meteen keek hij me aan, zijn jonge zelf. Hij was dichtbij wist ik.
“Morwenna, wat leuk dat je me troeft,” zei hij met een brede lach.
“Je bent dus niet gevangen genomen en gemarteld,” concludeerde ik. “Dus we kunnen stoppen met ons zorgen te maken?”
“Deed je dat dan?” vroeg hij.
“Natuurlijk,” zei ik. “We hadden geen idee wat er met je gebeurd kon zijn. Mandor heeft naar je gezocht, Merlijn later ook. Er werd gezegd dat je gevangen was genomen.”
Hij grinnikte.
“Dat doet me echt goed,” zei hij. “Ontzettend lief van je dat je je zorgen maakt. Leuk, zo’n bezorgde schoondochter.”
“Heel gewoon,” zei ik lichtelijk opgelaten. “Ik begrijp dat je niet ver uit de buurt bent?”
“Mwah…” zei hij en keek om zich heen. De ruimte waar hij stond kwam me bekend voor, het leek een spreekkamer in Elysium te zijn. “Wat doen al die mensen eigenlijk hier?”
“Je bent dus in Elysium,” zei ik, half geamuseerd, half geërgerd. “Dat was toch afgesloten?”
“Ach,” grijnsde hij. “Tenslotte heb ik hier en daar wat geholpen dit op te bouwen. Niet erg moeilijk om binnen te komen en het is veilig.”
Ik zuchtte. Hoeveel meer mensen hadden gemakkelijk toegang tot Elysium omdat ze mee hadden geholpen op een bepaalde manier om het op te bouwen? Van Gramble vond ik het niet echt erg, al vroeg ik me af hoe Mandor dit zou vinden.
Ik vertelde mijn aanstaande schoonvader over het overleg. Hij keek nadenkend.
“Wat ga jij doen?” vroeg ik.
“Wat moet ik?” vroeg hij zich af. “Ik kan me schuilhouden en meekijken, het lijkt me sowieso erg interessant. Ik kan meedoen, maar men zal zich afvragen hoe de oude seniele koning wist te ontsnappen.”
“Je zou je rolstoel act kunnen opgeven,” zei ik. “Voor mijn part omdat je eindelijk een werkende verjongingskuur hebt weten te vinden.”
“Hmm,” zei hij peinzend. “Ik praat erover met jou, maar eigenlijk moet ik hier met Dara over praten.”
Ik begreep het. Blijkbaar had hij dit toneelstuk samen met Dara opgezet en kon hij nu niet eenzijdig een beslissing nemen in deze zaak.
“Dara is nog bezig met die opdracht,” zei ik.
“Hoever zijn ze daarmee?”
“Zo goed als klaar, ze waren nog wat aan het uitzoeken. De dame in kwestie hebben ze te pakken, maar haar computer moest nog gehackt worden en daar is een neef van mij mee bezig. Ik zal mijn vader zo weer troeven, ik kan dan aan Dara vragen of ze je opzoekt.”
Hij grinnikte weer, zijn grijze ogen twinkelden.
“Lijkt me een heel goed idee,” zei hij. “Het zal haar vast deugd doen als ze ziet dat ik zo ben opgeknapt.”
Ik glimlachte ook terwijl ik de verbinding verbrak. Gramble moest wel goed zijn met Troef als ik hem in Elysium zelfs kon bereiken. Waarom had hij dan zelf niet naar Dara getroefd?
Ik troefde mijn vader weer, die zei dat ze klaar waren. Ik haalde ze allemaal door, inclusief de honden die me begroetten alsof ze me al in lange tijd niet hadden gezien.
Mandor kwam naderbij met een kar die hij op de weg zette naar Elysium, William ging meteen naar hem toe om te helpen.
“Ik moet heel even met Mandor praten,” zei Julian en liep diens kant uit. Ik gaf de honden wat aandacht en beval ze toen afstand te nemen en de gebonden en geknevelde Xiah te blijven bewaken, iets wat me een boze blik van haar opleverde. Ik had daar geen vriendin gemaakt. De honden deden onmiddellijk wat ik zei, toch wel tot mijn verbazing. Martin stond er intussen een beetje bedremmeld bij, maar ik besteedde niet al te veel aandacht aan hem. Ik nam Dara bij de arm en liep met haar tot buiten gehoorsafstand van iedereen.
“Ik heb Gramble net gesproken,” zei ik.
“Wat! Die ouwe is gewoon bereikbaar?!” riep ze verontwaardigd.
“En ongedeerd,” grinnikte ik. “Hij is in Elysium.”
Haar mond viel open van verbazing.
“Hij wil je graag even spreken,” zei ik.
“Dan ga ik dat maar gauw doen, voordat hij weer allerlei gekke dingen gaat uithalen,” zei ze alsof ze het over een klein ondeugend kind had. Ik liep met haar mee naar de mistpoort en keek haar na. Julian kwam weer naar me toe en nam me bij de arm.
“We hebben in ieder geval wat gevonden,” zei hij terwijl we naar Martin toe liepen. Deze keek Julian met een chagrijnig gezicht aan.
“Dat was echt gore troep,” zei hij boos. “Echt smerig!”
“Je had iets nodig om te ontnuchteren,” zei mijn vader kort. “Anders zou je nooit achter dat password gekomen zijn.”
“Wat ben jij ontzettend saai,” voer Martin uit. “Jij en Mandor gunnen een ander niets. Ik mag toch wel eens feest vieren!”
“Sommige dingen zijn belangrijker dan feest vieren,” vond mijn vader.
“Ik ga wel even met Mandor praten,” zei Martin. “Eens kijken of hij al fatsoenlijk bier gevonden heeft.” Hij liep naar mijn verloofde toe.
“Bier heb je helemaal niet nodig!” riep mijn vader hem na en keerde zich naar mij.
“We hebben iets gevonden,” zei hij nog eens. “Een anti-gif, Martin heeft het bij zich.” Hij zuchtte. “Hij is alleen nu boos op mij vanwege dat ontnuchterende drankje.”
“Martin trekt wel bij,” wist ik en troefde naar Flora die enthousiast reageerde.
“Ik troef je zo, ik moet me eerst fatsoenlijk omkleden!” riep ze uit. Slechts enkele minuten later was het al zover en kon ik haar doorhalen. Zoals altijd stal ze de show, ze zag er perfect uit, mooi als altijd. William en Martin staarden haar ongegeneerd aan, zelfs mijn vader en Mandor keken heel even op. Dat laatste was niet best. Ook niet dat ik mijn lievelingstante dus als concurrente moest gaan beschouwen, dat zou een negatieve invloed gaan hebben op mijn relatie met haar. Ik wist dat ze dit gewoon expres deed en voelde mezelf verkillen.
Ik legde haar haastig uit wat er aan de hand was, ze werd steeds minder vrolijk, vooral toen ze erachter kwam dat ze als één van de laatsten getroefd was. Normaal zou ik me daarover schuldig hebben gevoeld, nu voelde ik iets van triomf. Ze had met haar gemanicuurde handjes van mijn verloofde af te blijven!
Ze verdween snel de mist in en ik troefde nogmaals naar Fiona. Ook al zo’n tante waar ik een wat vreemde relatie mee heb.
“Dat werd tijd,” zei ze scherp zodra ik haar in beeld had.
“We hebben een probleem…” begon ik, maar ze kapte me af.
“Ja, ik weet er alles van. En denk maar niet dat ik het waardeer dat jullie me helemaal niets hebben laten weten!”
“Ik heb je eerder getroefd,” verdedigde ik mezelf terwijl alweer die aloude verontwaardiging kwam opzetten. Dat effect had ze steeds op mij.
“Ja dat weet ik. Maar het kan wel eens voorkomen dat ik op dat moment een ander troefcontact heb,” zei ze fel. “Dat is ook niet wat ik bedoel: je had me moeten troeven toen het mis ging!”
Ik zuchtte, daar had je er weer zo eentje. Verder leek ze verschrikkelijk achter te lopen.
“Ik zou je door willen halen om even te praten over de situatie,” zei ik toch maar.
“Nu even niet Morwenna! Ik heb nog een zoon ergens die ik dringend moet spreken.”
Ze verbrak de verbinding abrupt, gelukkig liet het deze keer geen hoofdpijn na.
“Geen succes?” vroeg Julian.
Ik haalde mijn schouders op.
“Als vanouds. Ik werk op Fiona als een rode lap op een stier.”
Hij grinnikte even en ik haalde de troef van Coral tevoorschijn. Deze keek verheugd toen ik haar in beeld had.
“Je kunt me doorhalen,” zei ze zonder dat ik haar iets vertelde. Ik deed dat. Zodra ze er was, omhelsde ze me, pakte me bij de schouders en bekeek me van top tot teen. Ze had deze keer geen ooglapje en het juweel pulseerde rood in haar oogkas. Ik huiverde onwillekeurig, het kon nooit goed zijn om zo lang met dat ding rond te lopen.
“Neem me niet kwalijk dat ik je niet getroefd heb al die tijd, terwijl er zoveel gebeurd is. Wat ontzettend leuk voor jullie, ik ben wel zo blij voor jou en Mandor!”
Ik was verrast en zag hoe Julian zijn ogen ten hemel hief. Iets verderop stond Mandor met een frons tussen zijn wenkbrauwen toe te kijken terwijl William verbaasd van de één naar de ander keek. Martin keek ook op en trok toen Mandor opzij om iets te bespreken. Zo te zien had Mandor hem geen bier gegeven.
“Heb ik iets teveel gezegd?” zei Coral bedremmeld.
“Valt mee, er is nu toch bijna niemand en ongeveer de helft van de aanwezigen wist het al,” zei ik troostend.
“Ik zal maar eens een kijkje gaan nemen op jullie nieuwe landgoed,” zei ze haastig en liep naar de mistpoort. William haastte zich achter haar aan.
“Ik ga ook maar naar binnen,” zei Julian. Samen liepen we naar Mandor en Martin.
“Ik neem Xiah vast mee, de honden kunnen haar nog wel even bewaken,” zei mijn vader tegen Mandor die knikte. “En zal meteen wat mensen sturen om die karren op te halen.”
Hij liep naar Xiah toe, trok haar achter zich aan met zich mee de mist in, terwijl de honden hem op de voet volgden.
“Heb jij nog wat mensen getroefd?” vroeg ik aan Mandor. “Zoals bijvoorbeeld Jurt en Despil?”
“Ik heb bijna niemand getroefd,” zei hij. “Ik heb me bezig gehouden met de voorraden, nu is er genoeg voor Elysium. Het was erg moeilijk om voedsel binnen Amber te vinden overigens, dus ik heb verder moeten zoeken. Dit is toch al niet de beste plaats voor mijn Logrusgebruik, ik heb gedeeltelijk gebruik gemaakt van Troef. Maar Despil en Jurt heb ik wel gezien, ze zullen door Bances zijn getroefd.”
“Mooi,” zei ik. “Dan zijn we bijna klaar. Ik zou nog wachten op Rhexenor en Fiona zal misschien nog terug troeven.”
“Ik heb iets voor je,” zei Martin, opgewekter nu Julian door de mistpoort was verdwenen. Hij overhandigde me een reageerbuisje met daarin een oranjegekleurde vloeistof. Ik keek er bedenkelijk naar.
“Dat moet het zijn,” zei Martin. “Je vader en je aanstaande schoonmoeder zeggen dat dit het is.”
“Wat is het precies?” vroeg ik.
“Je hebt een eerste component van een gif in je,” legde hij uit. “Dat wordt hiermee geneutraliseerd. Het tweede component gif zal dan niets meer kunnen uitrichten.”
Ik aarzelde. Moest ik dit nu zomaar opdrinken?
“Heeft het geen bijwerkingen?”
“Je hoeft het niet op te drinken,” zei Martin die meteen weer humeurig werd. “Je kunt het ook aan de honden van je vader straks geven.”
Ik keek weifelend naar Mandor die ietwat bezorgd terugkeek. Ik moest een beslissing nemen en kon alleen maar hopen dat het de goede was. Ik dronk de inhoud in één keer op. Het smaakte een beetje naar sinaasappel en ik voelde niets, behalve dat het kind links, het jochie, een soort buiteling maakte.
Ik gaf Martin het buisje weer terug terwijl ik hem bedankte voor de moeite.
“Graag gedaan,” zei hij.
Er kwamen een aantal wachters naar buiten die de karren mee namen. Martin volgde. Ronardo verscheen voor me. Niet echt, niet door middel van Troef, maar het was iets anders.
Er was verder niets bijzonders aan hem te zien, behalve die vreemde lach dan…
“Je kunt me nu doorhalen,” zei hij. Ik trok hem naar ons toe, hij keek om zich heen voordat hij Mandor begroette, die hem nadenkend aankeek.
“Alles goed?” vroeg hij.
“Natuurlijk, het kan niet beter,” zei Ronardo en lachte weer uiterst vriendelijk. Te vriendelijk.
Ik legde hem uit waarom ik hem had getroefd, maar dat er inmiddels al met Dalt gesproken was.
“Maar als je mee wilt doen aan het overleg en wilt helpen om deze zaak op te lossen, dan graag,” zei ik.
“Dat is goed, het lijkt me heel interessant,” zei hij.
“Heb je je moeder nog gesproken?” vroeg ik. “Ze was naar je op zoek.”
Op dat moment zag ik aan zijn houding dat hij troefcontact had en was even later verdwenen.
“Dat was vast zijn moeder,” zei Mandor met een glimlach. Ik had geen tijd om hem te antwoorden, er was ternauwernood een getintel in mij hoofd waarneembaar, ik wist dat het Rhexenor moest zijn.
“Morwenna!” riep mijn neef enthousiast. “Je weet dat er een probleem is met de voedselaanvoer naar Amber?”
“Ja, dat weet ik. Ik zou het op prijs stellen als je daarover nog even niets tegen de familie zegt.”
“Waarom niet? Het is echt een groot probleem!”
“Dat weet ik. Als je even doorkomt, dan kunnen we erover praten.”
“Dat gaat niet, want ik kom niet direct op deze plaats terug. Ik sta in een pakhuis vol voedsel, genoeg om Amber te voorzien van eten voor een poosje, maar jij moet het even aanpakken.”
“Door Troef?” vroeg ik ontzet. “Dat zal niet gaan. Je hebt óf een hele goede troefartiest nodig óf een Logrusgebruiker. Ik zal met Mandor overleggen.”
Ik verbrak de verbinding en vertelde Mandor wat er aan de hand was.
“Een heel pakhuis? Naar hier?” Ik zag ineens dat hij er wat vermoeid uitzag, het regelen van de voorraden voor Elysium had hem al heel veel kracht gekost.
“Ik kan proberen of iemand anders kan helpen,” stelde ik voor.
Hij glimlachte en gaf me een snelle kus.
“Niet nodig, ik zal kijken wat ik kan doen.” Hij bladerde door zijn troevendeck en haalde er een Troef van Rhexenor uit, een andere dan die in het standaard deck van Amber zat. Hij concentreerde zich even en verdween.
Niet veel later kon ik hem opnieuw doorhalen.
“Het is nogal veel,” legde hij uit. “Alles wordt daar nu op karren geladen en Rhexenor is gaan regelen dat alles straks hier wordt opgehaald. Ik krijg die hoeveelheid niet voor elkaar met Troef, dus ik zal het echt met Logrus moeten gaan doorhalen. Dat doe ik niet hier, maar in Elysium.”
“Daar was gebruik van Logrus en Patroon toch niet mogelijk?” zei ik verbaasd.
“Voor anderen inderdaad niet,” grijnsde hij. “Maar wel voor jou en mij. Wij zijn ook de enigen die daar fatsoenlijk naartoe en vandaan kunnen troeven.”
“Oh, vandaar dat ik gewoon met je vader kon praten.”
“Mijn vader?” vroeg hij verbaasd.
“Ik heb hem gesproken, hij is in Elysium.”
“Die ouwe gluiperd. Ik maar naar hem zoeken en hij duikt doodleuk onder op ons landgoed.”
Ik voelde dat Rhexenor opnieuw contact zocht en haalde hem door. Ik vertelde hem waarom ik liever had dat hij het poorten probleem nog even voor zich hield.
“Ik denk dat ik kan beginnen om die voorraden hierheen te gaan halen,” zei Mandor en wandelde Elysium in.
“Heb je Iolanthe al getroefd?” vroeg ik aan Rhexenor. Op dat moment voelde ik een sterk troefcontact doorkomen. Dat bleek Fiona te zijn.
“Haal ons maar even door. We komen helpen,” zei ze en ik haalde haar en Ronardo door. De laatste had een triomfantelijke grijns op zijn gezicht, alweer was de gelijkenis met Brand treffend. Ik wees ze de poort en zei ze naar het kasteel te wandelen, waar voor ze gezorgd zou worden. Ook zij gingen door de poort van mist.
Rhexenor had inmiddels Iolanthe doorgehaald en ik hoorde dat hij haar bijpraatte. Ze knikte, kwam naar me toe en begroette me vriendelijk.
“Hoe is het eigenlijk met Dyenne en de baby?” vroeg ze aan Rhexenor.
“Heel goed. Over vier maanden wordt ze al één jaar,” zei hij trots.
“Ja, dat gaat heel hard, die kindertijd is zo voorbij.”
“Ach, zo snel zijn ze niet volwassen,” dacht Rhexenor.
“Nee, mannen inderdaad niet,” zei Iolanthe. “Maar snel gaat het wel degelijk. Moet jij niet naar je legers, Rhexenor?”
“Huh?”
“Je legers,” zei ik, begrijpend dat Iolanthe me even alleen wilde spreken. “Die in Elysium, je wilde daar toch nog iets mee doen?”
“Oh ja,” herinnerde hij zich en liep ook de mistpoort door.
Iolanthe nam me scherp op met haar katachtige ogen en glimlachte toen.
“Gefeliciteerd,” zei ze. “Leuk, ik neem aan dat het jullie bedoeling was tenminste?”
“Als je bedoeld of de zwangerschap gewenst is, dat is zo,” antwoordde ik.
Ze bekeek me weer nauwkeurig.
“Voel je je goed?”
“Uitstekend zelfs.”
Ze knikte en keek nog eens aandachtig.
“Er is iets mee…” zei ze toen.
“Het zijn er twee,” zei ik trots. “Ik ben nu een maand of twee zwanger.”
Ze schudde haar hoofd.
“Je bent veel verder. Eerder een maand of drieëneenhalf of vier.”
Ik staarde haar ontzet aan.
“Dat kan helemaal niet,” protesteerde ik. “Ik heb een dag of tien geleden een scan laten doen, toen was het zeven weken.”
“Ik weet het zeker,” zei ze. “Maar is er zo niets aan je te zien hoor.”
“Het verklaart wel waarom ik al zo snel mijn kleding niet goed meer dicht kreeg. En dat ik ze voel bewegen. Maar in tien dagen tijd kunnen die kinderen toch niet zo explosief groeien?”
“Het is een bijzondere zwangerschap,” zei ze. “Waar zijn ze verwekt?”
“In Tir-na Nog’th.”
“Dat zou de verklaring wel eens kunnen zijn,” dacht ze. “Het zullen bijzondere kinderen zijn en dan nog een tweeling ook. In jouw familie zijn er een paar ooms en tantes die een ongezonde interesse zullen hebben in hen.”
Ik schrok niet echt van deze opmerking, het was iets dat ik eigenlijk al wist. Sand had me ooit gezegd dat Oberon gebiologeerd was door het feit dat zij en Delwin een tweeling waren, dat hij zelfs probeerde dat ze met elkaar seks zouden hebben. En ik wist dat er meer zo waren.
“We zullen ze moeten beschermen tegen hen,” zei ik en legde onwillekeurig even een hand op mijn buik. Beide kinderen bewogen zich onmiddellijk naar die hand toe.
“Hoe is het met jullie andere kinderen?” vroeg Iolanthe. “Hoe oud zijn ze inmiddels?”
“Het gaat goed, ze zijn nu twee,” antwoordde ik.
“Mooi zo. Heb je al eens gedacht over de Feniks?”
Wat was dit nu weer. Was het een retorische vraag of was ze serieus?
“Wel eens over gedacht. Maar niet om als Macht te hebben ofzo.”
“Jammer. Je zou uiterst geschikt zijn.”
“Helemaal niet. Ik heb niets met leven. Ik bedoel, ik zou daar niet voor ten strijde trekken.”
“Dat zou ik zo niet zeggen. Jij met al je dieren. Je vader zou misschien ook geschikt zijn.”
“Ik denk niet dat het iets voor mij is, waarschijnlijk ook niet voor hem. Ik hou me liever bij Patroon.”
“Nou ja, misschien één van je kinderen later,” zei ze hoopvol. “Wanneer gaan jullie trouwen?”
“Het is weer uitgesteld.”
“Niet handig in jullie geval. Waarom trouwen jullie niet stiekem in een Schaduw ergens?”
“Vanwege de veiligheid voor onze kinderen is het waarschijnlijk het beste om dat openlijk te doen, zodat het huwelijk ook door iedereen erkend wordt als zijnde geldig.”
Ze schudde haar hoofd.
“Dat is gewoon Mandor,” zei ze. “Hij is vreselijk formeel. Een huwelijk in het openbaar en jullie maar wachten tot het iedereen eens uitkomt. Je weet dat er mensen zijn die hem een droogkloot noemen?”
“Is bekend,” zei ik kortaf. “Hij is dat niet.” En wat dat huwelijk in het openbaar betrof was ik het met hem eens, maar dat zei ik niet.
Iolanthe lachte alleen even.
“Is Benedict er eigenlijk ook?” vroeg ze toen.
“Daarbinnen.”
“Mooi, ik ga eens even kijken of hij iets van zijn stoïcijnse houding kan loslaten. Ik zou ook wel een kind van hem willen, maar hij wil niet.”
“Lastige situatie,” zei ik.
“Ik ben wel eens met hem naar bed geweest, maar hij is nogal teleurgesteld in zijn kinderen. Ik dacht eerst dat hij een grapje maakte toen hij zei dat zijn dochter een tank was. Maar hij bleek bloedserieus.”
“Dat verhaal klopt inderdaad,” vertelde ik. “Ik ben het ook een poosje geweest uit noodzaak, maar zij vond het geweldig en is gebleven. Rhexenor is trouwens ook vrij lang tank geweest.”
“Idioot,” was haar mening.
Ondertussen liepen we naar binnen Elysium in. Op de weg stonden een groot aantal wagens klaar, Mandor zag er heel moe uit. Rhexenor had hem geholpen om de karren op een rij te zetten en deze liep samen met Iolanthe naar het kasteel, terwijl ik me naast Mandor in het gras liet zakken terwijl we de komst van de wachters afwachtten die de karren zouden komen ophalen.
Ik merkte de aanwezigheid van Fillipien op, ze zat op de tak van een boom naar me te kijken.
‘Leuk je hier te zien,’ vertelde ik haar in gedachten.
‘Ik merkte dat je hier was. Boudicca en de anderen zijn nog in Arden. Het is hier ontzettend druk.’
‘Problemen en een bijeenkomst. Kun jij nagaan of we hier kunnen worden afgeluisterd of bekeken?’Ze fladderde op en vloog even rond. Toen landde ze op mijn uitgestoken arm, Mandor ging een eind opzij zitten.
‘Iedereen is in het kasteel. Jullie zijn niet zichtbaar of hoorbaar voor anderen. Aan de andere kant naderen er een aantal personen, wachters zo te zien.’
‘Dank je. Kun je me waarschuwen als ze bij de poort zijn of als er iemand anders onze richting opkomt?’
Ze wreef met haar kopje tegen mijn wang, vloog weer op en ging op een boomstronk zitten die aan weerskanten van de weg stonden.
Ik keek Mandor aan.
“Op dit moment is er niemand die op ons let. Dus als je je zoon en dochter wilt voelen bewegen?”
Hij keek me lichtelijk geschokt aan en ik begon te lachen.
“Kom op Mandor, we zijn hier alleen en ik vraag je niet of je de liefde met me wilt bedrijven.”
“Dat zou helemaal ongepast zijn,” zei hij met toch een twinkeling in zijn ogen. “Het voelt een beetje aan alsof we hier in de openbaarheid zitten, het kan zijn dat men zich nu al afvraagt waarom wij tweeën er nog niet zijn.”
“Dat is dan maar zo,” was ik het met hem eens. “We hebben echter niet heel veel tijd. Het is of nu of nog minstens een aantal uren wachten tot na die bijeenkomst.”
Hij glimlachte, ik ging bij hem op schoot zitten, hij schoof een hand onder mijn rok en legde deze op mijn buik. De tweeling reageerde onmiddellijk enthousiast op de aanraking.
“Het is één en al armen en benen,” zei Mandor lachend en verschoof zijn hand iets, de kinderen volgden. Ik vertelde hem over wat Iolanthe had gezegd over deze zwangerschap.
“Als het net zo gaat als met Randal, zal ook deze zwangerschap als het ware schoksgewijs gaan wat groei betreft. Het is nu niet zichtbaar, maar dat kan over enkele dagen misschien wel het geval zijn omdat die kinderen zo snel groeien. Het kan ook zijn dat het dan juist even rustig aan gaat. Het komt er in ieder geval op neer dat ik geen idee heb wanneer ze geboren zullen worden, maar deze zwangerschap zal geen negen maanden duren.”
“Tweelingzwangerschappen zijn meestal al wat korter,” zei hij. “En deze dus nog wat meer. Ik vind het geen probleem, al zal het betekenen dat jij je al heel snel niet meer in de openbaarheid kan begeven, zeker niet zolang we niet getrouwd zijn.”
Fillipien liet me weten dat de wachters bijna bij de poort waren en ik zei dat tegen Mandor. Hij trok zijn hand weer terug, ik stond op en fatsoeneerde mezelf, hij deed hetzelfde. Intussen vertelde ik hem snel dat dit bijzondere kinderen zouden zijn en dat er in mijn familie mensen zouden zijn die een ongezonde belangstelling voor hen zouden hebben. Hij keek grimmig.
“Al onze kinderen zijn bijzonder,” zei hij. “Ik ben bang dat die ongezonde belangstelling ook Owen en Randal betreft, daar hebben we al iets van gemerkt zelfs.”
Er kwamen aan aantal wachters door de poort. Mandor gaf hen aanwijzingen en ik wilde weer naar buiten lopen. Mandor hield me tegen.
“Wat ga je doen?” vroeg hij.
“Ik ben vergeten om Julia te troeven.”
“Dat kun je gewoon hier doen,” zei hij grijnzend. “Ik zei je toch dat we van hieruit kunnen troeven.”
“Ik stond daar even niet bij stil,” zei ik en haalde de kaart van Julia tevoorschijn.
Voor alle duidelijkheid legde ik het plan nog eens uit.
“Er moet dus samengewerkt gaan worden tussen Chaosieten en Amberieten,” zei ik nogmaals met klem.
“De eerlijkheid gebied me te zeggen dat dit plan weinig kans van slagen heeft,” zei Bances. “Vooral omdat Amberieten niet te vertrouwen zijn.”
Ik ergerde me, dat was nogal een reden. Als iedereen er nu van tevoren van uit zou gaan dat het niet zou gaan werken vanwege dit soort wantrouwen, konden we beter ophouden voordat we maar zouden beginnen.
“Er zijn meer mensen die niet te vertrouwen zijn,” hoorde ik Mandor naast me zeggen en ik zag hoe hij de Amblerashes met een scherpe blik opnam. “Die zitten hier aan tafel bijvoorbeeld.”
Ik zag hoe Bances wit weg trok en ook zijn dochter en neef moesten even wat wegslikken. Mijn aanstaande had bepaald een reputatie opgebouwd, dankzij wat ik had gezien in die poel in Tir-na Nog’th wist ik nu dat dit niet onterecht was. Ik legde heel even een hand op zijn been, hij legde meteen zijn hand daarbovenop en gaf mijn hand een zacht kneepje. Dit gaf me de moed om verder te gaan, om door te zetten wat we begonnen waren.
“Ik weet dat er onderling nogal wat wantrouwen is,” zei ik. “Toch moet er zo snel mogelijk actie worden ondernomen die tegelijkertijd doeltreffend zal zijn. We vragen jullie medewerking om een groot overleg te kunnen organiseren op neutraal terrein, Elysium. Hierbij zal besproken wat de mogelijkheden zijn en hoe we zo optimaal mogelijk iets aan de situatie kunnen doen.”
“Ik zit anders niet te wachten op een heleboel Chaosieten in Elysium,” protesteerde Deirdre.
Ik onderdrukte de neiging om heel hard te gillen. Als dit gesprek al zo moeizaam verliep en als alle toezeggingen zo lang op zich zouden laten wachten, dan zou er straks helemaal niets ondernomen worden. Afgezien daarvan vond ik haar opmerking over Elysium niet erg gepast, het was net of zij er de baas van was. Waarom hadden wij het toegewezen gekregen als zij het eigenlijk onder controle wilde houden? Intussen voelde ik een aantal ritmische tikken in mijn onderbuik en begon ik me af te vragen of dit gewoon de beweginkjes van de tweeling zouden kunnen zijn. Het was niet voor het eerst dat ik het voelde, maar had het tot nog toe een beetje genegeerd. Met twee maanden leven voelen was immers erg vroeg, ook al ging het deze keer om twee kinderen en had ik de aanwezigheid van hun broers toch ook wel in een vroeg stadium gevoeld. Mandor keek me tersluiks aan en glimlachte.
“Het is genoeg als alleen de Hoofden en wat belangrijke leden van de Huizen aanwezig zijn,” zei Bances. “Er is niemand die zijn hele familie mee zal nemen. Ik weet alleen niet hoe het moet met het koningshuis, Gramble Sawall is immers gevangen genomen en er is nu niemand die Huis Sawall kan vertegenwoordigen.”
“Ik kan ons Huis in mijn vaders afwezigheid vertegenwoordigen,” zei Mandor afgemeten. Zowel Deirdre als Bances keken of ze het niet gepast vonden, maar ze durfden geen van beiden tegen Mandor in te gaan.
“Dus jullie zeggen je hulp toe?” vroeg ik nog maar eens.
Eindelijk, eindelijk knikten zowel Bances als Deirde, zij het nog steeds heel terughoudend.
“Vind je het wat als ik Iolanthe erbij haal?” vroeg Rhexenor plotseling. Het eten was nu echt op en voor even liet Anastasia hem met rust.
“Dat zou je kunnen doen,” zei ik nadenkend en negeerde de afkeurende blikken van de anderen. Iolanthe had ik nog maar enkele malen gezien en pas één keer echt gesproken. Een dame met een zekere reputatie. Iolanthe was volgens mij niet politiek geïnteresseerd en zou alleen daarom wel eens een heel waardevolle toevoeging kunnen zijn.
“Mooi,” zei mijn neef, opgewekt als immer. “Dan zal ik eerst dat leger van me in Elysium nog wat extra trainen.”
“Daar zou wel eens niet veel tijd voor kunnen zijn,” remde Deirdre zijn enthousiasme wat af.
“Oh, maar dat kan Morwenna regelen,” zei hij en keek me aan. “Jij bent immers goed met Patroon, als je nu even een snelle wereld voor me vindt waar ik ze kan trainen…”
“Ik zou een dergelijke Schaduw wel kunnen vinden,” legde ik hem rustig uit, “maar dat kost ook tijd. Ik weet namelijk zo geen Schaduw die echt veel sneller gaat.”
Hij keek een beetje beteuterd.
“Het zijn oorspronkelijk Benedicts legers,” zei Deirdre. “Ik denk niet dat ze extra training nodig hebben.”
Ik keek naar haar hoe ze erbij zat. Een beetje stijfjes, zo te zien voelde ze zich niet erg op haar gemak. Haar felblauwe ogen hielden iedereen in de gaten en intussen merkte ze niet eens dat ze in feite haar zoon een beetje het gras voor de voeten wegmaaide. Ik kon me voorstellen dat hij de manschappen van Benedict iets meer zijn eigen manschappen wilde maken.
“Je zou het eens aan een oom kunnen vragen,” adviseerde ik Rhexenor. “Die houden zich regelmatig bezig met legers, allicht dat ze ook dergelijke Schaduwen weten.”
“Ja, vraag het aan Corwin,” zei Deirdre een beetje afwezig.
Eindelijk was het tafelen klaar. Rhexenor zei dat hij wat dingen te doen had eerst, de rest van ons troefde naar de ingang van Elysium. Bances begon meteen in zijn Troevendeck te bladeren, Deirdre liep met Anastasia en Johnny door de mistingang naar binnen, waardoor ze het heel duidelijk maakte dat ze het oproepen van familieleden aan mij overliet. Ik liep met Mandor een eindje van Bances weg, tot we buiten gehoorsafstand waren.
“Ik heb daarstraks leven gevoeld,” vertelde ik hem. “Ik heb het eigenlijk al eerder gevoeld, ik voel de aanwezigheid van de baby’s altijd wel, maar ik weet nu zeker dat ik ze echt voel bewegen.”
Hij lachte en keek naar mijn buik.
“Dit is ook een moment om dat te zeggen, ik kan moeilijk hier gaan staan voelen,” zei hij zacht en wierp even een blik naar Bances die duidelijk in troefcontact was met iemand.
“Wat ik bedoel is dat het wat vroeg is om al beweging te voelen,” zei ik.
“Vast een actief stel,” was hij van mening. “Als we straks alleen zijn, zal ik dat zelf even onderzoeken.” Hij bekeek me van top tot teen. “In ieder geval is er aan jou met deze jurk aan echt niets te zien, ook niet voor degenen die het weten of vermoeden.”
Ik glimlachte naar hem, wat spijt voelend over het feit dat ik hem niet openlijk kon omhelzen. Hij glimlachte terug, een warme blik in zijn ijsblauwe ogen. Hij liep daarna een eindje verder om de rest van de benodigde voorraden overal vandaan te gaan halen. Ik zocht een goede plaats onder een tweetal bomen, niet te dicht bij Bances die nu iemand had doorgehaald die ik herkende als Belissa Minobee. Ik knikte vriendelijk tegen haar en haalde mijn deck tevoorschijn.
Met een aarzeling troefde ik eerst Ronardo. Hoewel ik niet wist wat er met hem aan de hand was en ook niet of hij te vertrouwen was, was hij wel één van degenen die erg goed met Dalt overweg kon en ik had bedacht dat het helemaal niet zo gek zou zijn als iemand met deze oom zou gaan praten om erachter te komen wat diens opzet was. Ik had al snel contact en Ronardo keek me vriendelijk aan. Ik merkte zo niets vreemd aan hem, alleen lachte hij net iets te onschuldig en vond ik ook de compleet zwarte achtergrond niet echt prettig aandoen.
“Ronardo, heb je tijd om door te komen?” vroeg ik. “We hebben hier een probleem en ik zou je iets willen vragen, maar niet over Troef.”
“Helaas,” zei hij, nog vriendelijker glimlachend. Ik huiverde onwillekeurig, het deed me een heel klein beetje denken aan hoe Brand zich altijd opstelde. Maar Ronardo is een volle neef van Brand, dus zo gek was het niet dat ze wat gelijkenissen vertoonden hield ik mezelf voor.
“Ik heb geen tijd om door te komen,” zei hij.
Ik voelde de neiging om meteen op te geven, bang als ik altijd ben om anderen tot last te zijn. Maar ik zette mezelf eroverheen en probeerde het nog eens.
“Het is erg dringend,” zei ik met klem.
Zij lach verdween, hij keek me alleen maar aan en veegde me toen letterlijk het contact uit. Het was iets dat ik nog nooit had meegemaakt en me zware hoofdpijn opleverde. Ik haalde een paar keer diep adem en liep wat heen en weer. Het hielp, de pijn zakte al snel weer weg. Ondertussen vroeg ik me af waarom Ronardo zich zo gedroeg. Hij mocht dan goed zijn met Troef, maar dat waren er meer. Mandor, Gramble, Deirdre, Eric… maar nog nooit hadden zij me op een dergelijk lompe manier behandeld.
Pas toen ik me weer helemaal goed voelde, troefde ik naar Corwin. Hij keek me lichtelijk verbaasd aan en grijnsde toen.
“Morwenna, jou had ik niet helemaal verwacht. Wat leuk! Alles goed?”
“Met mij wel,” zei ik. “Zou ik je door kunnen halen?”
“Jij altijd,” zei hij en stak een hand uit. Ik haalde hem door, in de hoop dat hij niet op de vaderdochter toer wilde gaan. Het viel alleszins mee, hij maakte een respectvolle buiging en gaf me een handkus.
“Mijn excuses, ik had niet zoveel tijd eerder, ik werd getroefd door een broer,” zei hij.
Ik keek hem verbaasd aan. Eerder? Ik kon me niet herinneren hem na de verloving nog gezien te hebben en daar leek hij niet erg gehaast te zijn.
“Op die Defiant,” legde hij uit. “Je weet wel, die ruimteslag.”
“Oh, heb je het daarover! Ik kan me niet herinneren dat ik jou daar gezien heb.”
“Nou ja, het was ook erg druk,” zei hij terwijl er een licht teleurgestelde trek op zijn gezicht verscheen.
Ik haastte me om het onderwerp te veranderen en vertelde hem wat er aan de hand was en dat er overleg zou komen.
“Ga je nu iedereen troeven?” Hij keek naar Bances die in gesprek was met Rolovians Jesby.
“Degenen aan de Amberkant alleen,” zei ik. “Het overleg vindt uiteraard plaats in Elysium, wegens de neutraliteit.”
“Heb je de gastenkamers geregeld?”
“Nee,” zei ik verward. “Het personeel weet dat er een flink aantal gasten komt en dat ze voor genoeg eten moeten zorgen, maar kamers?”
“Dat is heel gebruikelijk,” zei hij. “Je heb een algemeen overleg, maar ondertussen worden er ook een heleboel afspraken gemaakt onderling, willen mensen elkaar spreken in de wandelgangen of op een eigen kamer… het is belangrijk dat daar gelegenheid voor is.”
“Oh,” ik voelde me opnieuw het kleine kind dat nergens van wist. “Goed dat je het zegt, dan zal ik dat eerst maar in orde gaan maken.”
“Jij moet troeven,” zei hij vriendelijk. “Ik zou dat met die kamers kunnen gaan regelen.”
“Graag,” zei ik.
Hij knikte even, ook naar Bances en liep tegelijkertijd met Rolovians de mist in.
Rinaldo’s Troef lag onder die van Corwin en deze was de volgende die ik activeerde. Rinaldo, een grote knappe man met het rode haar en de groene ogen van Brand, maar met verder weinig uiterlijke gelijkenis, leek wat ongelukkig te zijn, al was zijn begroeting uiterst voorkomend en hij liet zich meteen doorhalen toen ik het vroeg. Hij omhelsde me, gaf me een paar zoenen op de wangen. Wat terughoudend gaf ik hem een zoen terug, na zoveel jaar had ik nog steeds moeite met het familiaire gedrag van een aantal familieleden.
“Hoe is het met jou?” vroeg ik.
“Ik heb problemen,” zei hij terwijl hij om zich heen keek. Bances had verderop een tweetal mensen doorgehaald die zo te oordelen naar de uniformen van Huis Helgram waren.
“En jij hebt die zo te zien ook,” concludeerde hij en keek me weer aan. “Dit is toch de ingang naar Elysium? Er moet iets aan de hand zijn als er zowel Chaosieten als Amberieten bij de toegang worden doorgehaald.”
“Er speelt inderdaad iets,” zei ik en vertelde hem over de coup in Chaos. “Ik weet dat Dalt een goede vriend van je is en zou het op prijs stellen als je met hem zou willen praten, misschien dat je erachter komt wat er aan de hand is.”
“Hmm, ik weet niet of ik dat wil doen,” aarzelde hij. “Dalt is een goede vriend van mij.”
“Dat weet ik. Ik vraag niet of je hem wilt gaan verraden of bespioneren, maar alleen of je met hem wilt praten.”
“Goed,” knikte hij. “Ik doe dat dan wel.” Hij liep een aantal meter van me vandaan terwijl hij zijn troevendeck pakte en er een kaart tussenuit haalde. Even later was hij verdwenen. Ik realiseerde me dat ik niet naar zijn problemen had gevraagd, vervuld als ik was van de mijne. Dat was een slechte zaak.
Mijn vader zei even later dat ze nog bezig waren met het onderzoek.
“Maar we lijken iets te hebben nu,” zei hij. “We kunnen hier nog niet weg, als je me later nog eens wilt troeven?”
“Dat is goed,” zei ik en verbrak het contact.
Naar de kaart van Benedict moest ik even zoeken, toen ik deze had gelokaliseerd troefde ik hem. Hij liet zich meteen doorhalen, ik lichtte hem in het kort over de huidige situatie in. Een prettige eigenschap van Benedict is dat hij altijd to the point is in dit soort zaken. Hij knikte slechts en zei dat hij wilde meedoen aan het overleg. Ik voelde een troefcontact, Rinaldo die vroeg om doorgehaald te worden. Hij begroette Benedict netjes en respectvol.
“Het is geen moeilijk verhaal,” zei hij. “Dalt is ingehuurd door die familie en wordt goed betaald. Dalt zegt dat deze lui erg meevallen voor Chaosieten, er zitten een paar hele aardige tussen, hij schijnt daar een vriendin opgedoken te hebben.”
“Ah, het gaat dus om een vrouw,” zei ik met een grijns. Rinaldo grinnikte ook. Benedict had als immer zijn serieuze gezicht.
“Verder moest ik zeggen,” zei Rinaldo met nog steeds een lach op zijn gezicht, “ dat Dalt het niet erg vond dat jullie dit wisten, dat als jullie zouden gaan aanvallen jullie dat zouden verliezen en dat het ernstige gevolgen zou hebben.”
“Ik dacht al zoiets,” knikte Benedict. “Het klinkt niet anders dan anders.”
“Dacht je dat van die vrouw ook?” vroeg ik verbaasd. Dalt kende ik nauwelijks, maar ik kon niet zeggen dat hij een vrouwenversierder was.
“Oh dat. Dat is natuurlijk flauwekul,” veegde hij het hele onderwerp weg.
Rinaldo grijnsde.
“Zeg, waar is die jaloerse minna… eh … echtgenoot… ik bedoel die verloofde van je eigenlijk?”
Benedict trok een wenkbrauw op, ik keek naar het groepje Chaosieten wat verderop. Waarschijnlijk hadden ze niets gehoord. Ik wees de richting uit waar Mandor nog steeds bezig was om voorraden te regelen. Rinaldo aarzelde wat.
“Ik denk dat ik hem later maar eens spreek,” zei hij toen beslist.
“Is Corwin er al?” vroeg Benedict.
“Corwin is al naar binnen, gastenkamers regelen enzo.”
“Dat is mooi. Ik moet hem even spreken over die geweren die hij ooit naar Amber bracht.”
Hij draaide zich om en beende weg. Rinaldo rende achter hem aan: “Ik ga wel even mee. Dat lijkt mij ook erg interessant.”
Bleys was de volgende van de familie die ik troefde. Hij was netjes, voorkomend, ik kreeg van hem een handkus. Hij was zelfs enthousiast dat ik hem voor deze bijeenkomst had getroefd.
“Geweldig, ik wil graag weer eens met Chaosieten praten,” zei hij en ging ook Elysium binnen.
Fiona kreeg ik niet te pakken, ik had het gevoel dat ze troefcontact met iemand anders had. Eric liet zich tot mijn verbazing doorhalen en wilde komen praten. Zijn eerste optreden in het openbaar zou in Elysium zijn. Vreemd idee.
Gérard was ook geïnteresseerd en even later gingen hij en Eric samen de mistpoort door. Ook Caine zelf kreeg ik niet bereikt, ik zag het gezicht van een dame die me vroeg iets in te spreken. Ik hield het bij het simpele: ‘kun je me even terugtroeven?’
Random verscheen naast me. Ik heb er een hekel aan wanneer mensen dat doen. Eric, Brand, Random… allemaal idioot goed met Troef op een disrespectvolle manier voor anderen.
“Er is een nieuw probleem,” kondigde hij aan nadat hij zich ervan verzekerd had dat er niemand meeluisterde.
“Wat dan?” vroeg ik zuchtend. Nog een probleem konden we eigenlijk niet gebruiken.
“Dyenne heeft me getroefd omdat de route van Antioch naar Amber afgesloten blijkt te zijn. Ik ben dat gaan onderzoeken en het komt erop neer dat Amber totaal geïsoleerd is nu van de Gouden Cirkellanden, alle poorten zijn afgesloten, op die van Kashfa na.”
“Random, dat is ontzettend vervelend!” zei ik. “Niet alleen voor stad Amber, maar we kunnen dat er even niet bij hebben nu.”
Hij knikte.
“Mijn idee. Het is het beste hier geen ruchtbaarheid even aan te geven tot dat met Chaos is opgelost. Zodra Deirdre of een paar anderen hiervan horen wordt dat als prioriteit gesteld.”
“Hoe weet je van het probleem in Chaos?” vroeg ik argwanend.
Hij grinnikte en ik had zo mijn vermoedens. Wie was dat ook alweer die zei dat hij Troeven afluisterde? Hoewel, ik had niets over Troef verteld. Of waren het zijn spionnen geweest die hem hadden ingelicht? Natuurlijk, dat moest het zijn.
“Rinaldo weet misschien meer van het probleem met die poorten is.” zei ik nadenkend. “Hij zei problemen te hebben, allicht dat hij je meer kan vertellen. Hij is in Elysium.”
“Prima, dan zoek ik hem op,” zei Random en liep naar binnen.
Merlijn was de volgende die ik troefde. Een contact dat razendsnel tot stand kwam.
“Haal me asjeblieft door!” riep hij en ik greep zijn uitgestoken hand. Hij zag er vreselijk verfomfaaid uit, zijn haar zat door de war, het leek of er op hem geschoten was, zijn kleding was gescheurd en hij plofte hijgend op het gras zodra hij er was.
“Wat ben ik blij dat je met troefde!” zei hij en stond meteen weer op.
“Problemen?” vroeg ik.
“En of! Wat is dit hier? Het stikt van de Chaosieten!”
“Overleg,” zei ik. “Je weet vast waarom.”
“Ik heb mijn vermoedens,” knikte hij. “Het lijkt heel lastig te zijn om bij de Logrus te komen, alsof dat extra afgeschermd is.”
“Ik begrijp dat je in het paleis was?”
“Klopt. Die ouwe gek kon ik er echter niet vinden.”
“Je bent de enige niet,” zei ik troostend. “Je zou naar Elysium kunnen gaan om je daar te fatsoeneren en even wat uit te rusten.”
“Ik denk dat ik dat maar doe,” zei hij en liep op een groepje mensen af dat bij Bances stond. Ze gingen even later allemaal de mistpoort door, inclusief Bances die blijkbaar iedereen van zijn kant al gehad had.
Ik dacht even na. Mandor die Gramble niet kon vinden, Merlijn die hem niet kon vinden… meer en meer begon ik me af te vragen of Gramble zich wel gevangen had laten nemen. Ik pakte zijn Troef en activeerde deze. Meteen keek hij me aan, zijn jonge zelf. Hij was dichtbij wist ik.
“Morwenna, wat leuk dat je me troeft,” zei hij met een brede lach.
“Je bent dus niet gevangen genomen en gemarteld,” concludeerde ik. “Dus we kunnen stoppen met ons zorgen te maken?”
“Deed je dat dan?” vroeg hij.
“Natuurlijk,” zei ik. “We hadden geen idee wat er met je gebeurd kon zijn. Mandor heeft naar je gezocht, Merlijn later ook. Er werd gezegd dat je gevangen was genomen.”
Hij grinnikte.
“Dat doet me echt goed,” zei hij. “Ontzettend lief van je dat je je zorgen maakt. Leuk, zo’n bezorgde schoondochter.”
“Heel gewoon,” zei ik lichtelijk opgelaten. “Ik begrijp dat je niet ver uit de buurt bent?”
“Mwah…” zei hij en keek om zich heen. De ruimte waar hij stond kwam me bekend voor, het leek een spreekkamer in Elysium te zijn. “Wat doen al die mensen eigenlijk hier?”
“Je bent dus in Elysium,” zei ik, half geamuseerd, half geërgerd. “Dat was toch afgesloten?”
“Ach,” grijnsde hij. “Tenslotte heb ik hier en daar wat geholpen dit op te bouwen. Niet erg moeilijk om binnen te komen en het is veilig.”
Ik zuchtte. Hoeveel meer mensen hadden gemakkelijk toegang tot Elysium omdat ze mee hadden geholpen op een bepaalde manier om het op te bouwen? Van Gramble vond ik het niet echt erg, al vroeg ik me af hoe Mandor dit zou vinden.
Ik vertelde mijn aanstaande schoonvader over het overleg. Hij keek nadenkend.
“Wat ga jij doen?” vroeg ik.
“Wat moet ik?” vroeg hij zich af. “Ik kan me schuilhouden en meekijken, het lijkt me sowieso erg interessant. Ik kan meedoen, maar men zal zich afvragen hoe de oude seniele koning wist te ontsnappen.”
“Je zou je rolstoel act kunnen opgeven,” zei ik. “Voor mijn part omdat je eindelijk een werkende verjongingskuur hebt weten te vinden.”
“Hmm,” zei hij peinzend. “Ik praat erover met jou, maar eigenlijk moet ik hier met Dara over praten.”
Ik begreep het. Blijkbaar had hij dit toneelstuk samen met Dara opgezet en kon hij nu niet eenzijdig een beslissing nemen in deze zaak.
“Dara is nog bezig met die opdracht,” zei ik.
“Hoever zijn ze daarmee?”
“Zo goed als klaar, ze waren nog wat aan het uitzoeken. De dame in kwestie hebben ze te pakken, maar haar computer moest nog gehackt worden en daar is een neef van mij mee bezig. Ik zal mijn vader zo weer troeven, ik kan dan aan Dara vragen of ze je opzoekt.”
Hij grinnikte weer, zijn grijze ogen twinkelden.
“Lijkt me een heel goed idee,” zei hij. “Het zal haar vast deugd doen als ze ziet dat ik zo ben opgeknapt.”
Ik glimlachte ook terwijl ik de verbinding verbrak. Gramble moest wel goed zijn met Troef als ik hem in Elysium zelfs kon bereiken. Waarom had hij dan zelf niet naar Dara getroefd?
Ik troefde mijn vader weer, die zei dat ze klaar waren. Ik haalde ze allemaal door, inclusief de honden die me begroetten alsof ze me al in lange tijd niet hadden gezien.
Mandor kwam naderbij met een kar die hij op de weg zette naar Elysium, William ging meteen naar hem toe om te helpen.
“Ik moet heel even met Mandor praten,” zei Julian en liep diens kant uit. Ik gaf de honden wat aandacht en beval ze toen afstand te nemen en de gebonden en geknevelde Xiah te blijven bewaken, iets wat me een boze blik van haar opleverde. Ik had daar geen vriendin gemaakt. De honden deden onmiddellijk wat ik zei, toch wel tot mijn verbazing. Martin stond er intussen een beetje bedremmeld bij, maar ik besteedde niet al te veel aandacht aan hem. Ik nam Dara bij de arm en liep met haar tot buiten gehoorsafstand van iedereen.
“Ik heb Gramble net gesproken,” zei ik.
“Wat! Die ouwe is gewoon bereikbaar?!” riep ze verontwaardigd.
“En ongedeerd,” grinnikte ik. “Hij is in Elysium.”
Haar mond viel open van verbazing.
“Hij wil je graag even spreken,” zei ik.
“Dan ga ik dat maar gauw doen, voordat hij weer allerlei gekke dingen gaat uithalen,” zei ze alsof ze het over een klein ondeugend kind had. Ik liep met haar mee naar de mistpoort en keek haar na. Julian kwam weer naar me toe en nam me bij de arm.
“We hebben in ieder geval wat gevonden,” zei hij terwijl we naar Martin toe liepen. Deze keek Julian met een chagrijnig gezicht aan.
“Dat was echt gore troep,” zei hij boos. “Echt smerig!”
“Je had iets nodig om te ontnuchteren,” zei mijn vader kort. “Anders zou je nooit achter dat password gekomen zijn.”
“Wat ben jij ontzettend saai,” voer Martin uit. “Jij en Mandor gunnen een ander niets. Ik mag toch wel eens feest vieren!”
“Sommige dingen zijn belangrijker dan feest vieren,” vond mijn vader.
“Ik ga wel even met Mandor praten,” zei Martin. “Eens kijken of hij al fatsoenlijk bier gevonden heeft.” Hij liep naar mijn verloofde toe.
“Bier heb je helemaal niet nodig!” riep mijn vader hem na en keerde zich naar mij.
“We hebben iets gevonden,” zei hij nog eens. “Een anti-gif, Martin heeft het bij zich.” Hij zuchtte. “Hij is alleen nu boos op mij vanwege dat ontnuchterende drankje.”
“Martin trekt wel bij,” wist ik en troefde naar Flora die enthousiast reageerde.
“Ik troef je zo, ik moet me eerst fatsoenlijk omkleden!” riep ze uit. Slechts enkele minuten later was het al zover en kon ik haar doorhalen. Zoals altijd stal ze de show, ze zag er perfect uit, mooi als altijd. William en Martin staarden haar ongegeneerd aan, zelfs mijn vader en Mandor keken heel even op. Dat laatste was niet best. Ook niet dat ik mijn lievelingstante dus als concurrente moest gaan beschouwen, dat zou een negatieve invloed gaan hebben op mijn relatie met haar. Ik wist dat ze dit gewoon expres deed en voelde mezelf verkillen.
Ik legde haar haastig uit wat er aan de hand was, ze werd steeds minder vrolijk, vooral toen ze erachter kwam dat ze als één van de laatsten getroefd was. Normaal zou ik me daarover schuldig hebben gevoeld, nu voelde ik iets van triomf. Ze had met haar gemanicuurde handjes van mijn verloofde af te blijven!
Ze verdween snel de mist in en ik troefde nogmaals naar Fiona. Ook al zo’n tante waar ik een wat vreemde relatie mee heb.
“Dat werd tijd,” zei ze scherp zodra ik haar in beeld had.
“We hebben een probleem…” begon ik, maar ze kapte me af.
“Ja, ik weet er alles van. En denk maar niet dat ik het waardeer dat jullie me helemaal niets hebben laten weten!”
“Ik heb je eerder getroefd,” verdedigde ik mezelf terwijl alweer die aloude verontwaardiging kwam opzetten. Dat effect had ze steeds op mij.
“Ja dat weet ik. Maar het kan wel eens voorkomen dat ik op dat moment een ander troefcontact heb,” zei ze fel. “Dat is ook niet wat ik bedoel: je had me moeten troeven toen het mis ging!”
Ik zuchtte, daar had je er weer zo eentje. Verder leek ze verschrikkelijk achter te lopen.
“Ik zou je door willen halen om even te praten over de situatie,” zei ik toch maar.
“Nu even niet Morwenna! Ik heb nog een zoon ergens die ik dringend moet spreken.”
Ze verbrak de verbinding abrupt, gelukkig liet het deze keer geen hoofdpijn na.
“Geen succes?” vroeg Julian.
Ik haalde mijn schouders op.
“Als vanouds. Ik werk op Fiona als een rode lap op een stier.”
Hij grinnikte even en ik haalde de troef van Coral tevoorschijn. Deze keek verheugd toen ik haar in beeld had.
“Je kunt me doorhalen,” zei ze zonder dat ik haar iets vertelde. Ik deed dat. Zodra ze er was, omhelsde ze me, pakte me bij de schouders en bekeek me van top tot teen. Ze had deze keer geen ooglapje en het juweel pulseerde rood in haar oogkas. Ik huiverde onwillekeurig, het kon nooit goed zijn om zo lang met dat ding rond te lopen.
“Neem me niet kwalijk dat ik je niet getroefd heb al die tijd, terwijl er zoveel gebeurd is. Wat ontzettend leuk voor jullie, ik ben wel zo blij voor jou en Mandor!”
Ik was verrast en zag hoe Julian zijn ogen ten hemel hief. Iets verderop stond Mandor met een frons tussen zijn wenkbrauwen toe te kijken terwijl William verbaasd van de één naar de ander keek. Martin keek ook op en trok toen Mandor opzij om iets te bespreken. Zo te zien had Mandor hem geen bier gegeven.
“Heb ik iets teveel gezegd?” zei Coral bedremmeld.
“Valt mee, er is nu toch bijna niemand en ongeveer de helft van de aanwezigen wist het al,” zei ik troostend.
“Ik zal maar eens een kijkje gaan nemen op jullie nieuwe landgoed,” zei ze haastig en liep naar de mistpoort. William haastte zich achter haar aan.
“Ik ga ook maar naar binnen,” zei Julian. Samen liepen we naar Mandor en Martin.
“Ik neem Xiah vast mee, de honden kunnen haar nog wel even bewaken,” zei mijn vader tegen Mandor die knikte. “En zal meteen wat mensen sturen om die karren op te halen.”
Hij liep naar Xiah toe, trok haar achter zich aan met zich mee de mist in, terwijl de honden hem op de voet volgden.
“Heb jij nog wat mensen getroefd?” vroeg ik aan Mandor. “Zoals bijvoorbeeld Jurt en Despil?”
“Ik heb bijna niemand getroefd,” zei hij. “Ik heb me bezig gehouden met de voorraden, nu is er genoeg voor Elysium. Het was erg moeilijk om voedsel binnen Amber te vinden overigens, dus ik heb verder moeten zoeken. Dit is toch al niet de beste plaats voor mijn Logrusgebruik, ik heb gedeeltelijk gebruik gemaakt van Troef. Maar Despil en Jurt heb ik wel gezien, ze zullen door Bances zijn getroefd.”
“Mooi,” zei ik. “Dan zijn we bijna klaar. Ik zou nog wachten op Rhexenor en Fiona zal misschien nog terug troeven.”
“Ik heb iets voor je,” zei Martin, opgewekter nu Julian door de mistpoort was verdwenen. Hij overhandigde me een reageerbuisje met daarin een oranjegekleurde vloeistof. Ik keek er bedenkelijk naar.
“Dat moet het zijn,” zei Martin. “Je vader en je aanstaande schoonmoeder zeggen dat dit het is.”
“Wat is het precies?” vroeg ik.
“Je hebt een eerste component van een gif in je,” legde hij uit. “Dat wordt hiermee geneutraliseerd. Het tweede component gif zal dan niets meer kunnen uitrichten.”
Ik aarzelde. Moest ik dit nu zomaar opdrinken?
“Heeft het geen bijwerkingen?”
“Je hoeft het niet op te drinken,” zei Martin die meteen weer humeurig werd. “Je kunt het ook aan de honden van je vader straks geven.”
Ik keek weifelend naar Mandor die ietwat bezorgd terugkeek. Ik moest een beslissing nemen en kon alleen maar hopen dat het de goede was. Ik dronk de inhoud in één keer op. Het smaakte een beetje naar sinaasappel en ik voelde niets, behalve dat het kind links, het jochie, een soort buiteling maakte.
Ik gaf Martin het buisje weer terug terwijl ik hem bedankte voor de moeite.
“Graag gedaan,” zei hij.
Er kwamen een aantal wachters naar buiten die de karren mee namen. Martin volgde. Ronardo verscheen voor me. Niet echt, niet door middel van Troef, maar het was iets anders.
Er was verder niets bijzonders aan hem te zien, behalve die vreemde lach dan…
“Je kunt me nu doorhalen,” zei hij. Ik trok hem naar ons toe, hij keek om zich heen voordat hij Mandor begroette, die hem nadenkend aankeek.
“Alles goed?” vroeg hij.
“Natuurlijk, het kan niet beter,” zei Ronardo en lachte weer uiterst vriendelijk. Te vriendelijk.
Ik legde hem uit waarom ik hem had getroefd, maar dat er inmiddels al met Dalt gesproken was.
“Maar als je mee wilt doen aan het overleg en wilt helpen om deze zaak op te lossen, dan graag,” zei ik.
“Dat is goed, het lijkt me heel interessant,” zei hij.
“Heb je je moeder nog gesproken?” vroeg ik. “Ze was naar je op zoek.”
Op dat moment zag ik aan zijn houding dat hij troefcontact had en was even later verdwenen.
“Dat was vast zijn moeder,” zei Mandor met een glimlach. Ik had geen tijd om hem te antwoorden, er was ternauwernood een getintel in mij hoofd waarneembaar, ik wist dat het Rhexenor moest zijn.
“Morwenna!” riep mijn neef enthousiast. “Je weet dat er een probleem is met de voedselaanvoer naar Amber?”
“Ja, dat weet ik. Ik zou het op prijs stellen als je daarover nog even niets tegen de familie zegt.”
“Waarom niet? Het is echt een groot probleem!”
“Dat weet ik. Als je even doorkomt, dan kunnen we erover praten.”
“Dat gaat niet, want ik kom niet direct op deze plaats terug. Ik sta in een pakhuis vol voedsel, genoeg om Amber te voorzien van eten voor een poosje, maar jij moet het even aanpakken.”
“Door Troef?” vroeg ik ontzet. “Dat zal niet gaan. Je hebt óf een hele goede troefartiest nodig óf een Logrusgebruiker. Ik zal met Mandor overleggen.”
Ik verbrak de verbinding en vertelde Mandor wat er aan de hand was.
“Een heel pakhuis? Naar hier?” Ik zag ineens dat hij er wat vermoeid uitzag, het regelen van de voorraden voor Elysium had hem al heel veel kracht gekost.
“Ik kan proberen of iemand anders kan helpen,” stelde ik voor.
Hij glimlachte en gaf me een snelle kus.
“Niet nodig, ik zal kijken wat ik kan doen.” Hij bladerde door zijn troevendeck en haalde er een Troef van Rhexenor uit, een andere dan die in het standaard deck van Amber zat. Hij concentreerde zich even en verdween.
Niet veel later kon ik hem opnieuw doorhalen.
“Het is nogal veel,” legde hij uit. “Alles wordt daar nu op karren geladen en Rhexenor is gaan regelen dat alles straks hier wordt opgehaald. Ik krijg die hoeveelheid niet voor elkaar met Troef, dus ik zal het echt met Logrus moeten gaan doorhalen. Dat doe ik niet hier, maar in Elysium.”
“Daar was gebruik van Logrus en Patroon toch niet mogelijk?” zei ik verbaasd.
“Voor anderen inderdaad niet,” grijnsde hij. “Maar wel voor jou en mij. Wij zijn ook de enigen die daar fatsoenlijk naartoe en vandaan kunnen troeven.”
“Oh, vandaar dat ik gewoon met je vader kon praten.”
“Mijn vader?” vroeg hij verbaasd.
“Ik heb hem gesproken, hij is in Elysium.”
“Die ouwe gluiperd. Ik maar naar hem zoeken en hij duikt doodleuk onder op ons landgoed.”
Ik voelde dat Rhexenor opnieuw contact zocht en haalde hem door. Ik vertelde hem waarom ik liever had dat hij het poorten probleem nog even voor zich hield.
“Ik denk dat ik kan beginnen om die voorraden hierheen te gaan halen,” zei Mandor en wandelde Elysium in.
“Heb je Iolanthe al getroefd?” vroeg ik aan Rhexenor. Op dat moment voelde ik een sterk troefcontact doorkomen. Dat bleek Fiona te zijn.
“Haal ons maar even door. We komen helpen,” zei ze en ik haalde haar en Ronardo door. De laatste had een triomfantelijke grijns op zijn gezicht, alweer was de gelijkenis met Brand treffend. Ik wees ze de poort en zei ze naar het kasteel te wandelen, waar voor ze gezorgd zou worden. Ook zij gingen door de poort van mist.
Rhexenor had inmiddels Iolanthe doorgehaald en ik hoorde dat hij haar bijpraatte. Ze knikte, kwam naar me toe en begroette me vriendelijk.
“Hoe is het eigenlijk met Dyenne en de baby?” vroeg ze aan Rhexenor.
“Heel goed. Over vier maanden wordt ze al één jaar,” zei hij trots.
“Ja, dat gaat heel hard, die kindertijd is zo voorbij.”
“Ach, zo snel zijn ze niet volwassen,” dacht Rhexenor.
“Nee, mannen inderdaad niet,” zei Iolanthe. “Maar snel gaat het wel degelijk. Moet jij niet naar je legers, Rhexenor?”
“Huh?”
“Je legers,” zei ik, begrijpend dat Iolanthe me even alleen wilde spreken. “Die in Elysium, je wilde daar toch nog iets mee doen?”
“Oh ja,” herinnerde hij zich en liep ook de mistpoort door.
Iolanthe nam me scherp op met haar katachtige ogen en glimlachte toen.
“Gefeliciteerd,” zei ze. “Leuk, ik neem aan dat het jullie bedoeling was tenminste?”
“Als je bedoeld of de zwangerschap gewenst is, dat is zo,” antwoordde ik.
Ze bekeek me weer nauwkeurig.
“Voel je je goed?”
“Uitstekend zelfs.”
Ze knikte en keek nog eens aandachtig.
“Er is iets mee…” zei ze toen.
“Het zijn er twee,” zei ik trots. “Ik ben nu een maand of twee zwanger.”
Ze schudde haar hoofd.
“Je bent veel verder. Eerder een maand of drieëneenhalf of vier.”
Ik staarde haar ontzet aan.
“Dat kan helemaal niet,” protesteerde ik. “Ik heb een dag of tien geleden een scan laten doen, toen was het zeven weken.”
“Ik weet het zeker,” zei ze. “Maar is er zo niets aan je te zien hoor.”
“Het verklaart wel waarom ik al zo snel mijn kleding niet goed meer dicht kreeg. En dat ik ze voel bewegen. Maar in tien dagen tijd kunnen die kinderen toch niet zo explosief groeien?”
“Het is een bijzondere zwangerschap,” zei ze. “Waar zijn ze verwekt?”
“In Tir-na Nog’th.”
“Dat zou de verklaring wel eens kunnen zijn,” dacht ze. “Het zullen bijzondere kinderen zijn en dan nog een tweeling ook. In jouw familie zijn er een paar ooms en tantes die een ongezonde interesse zullen hebben in hen.”
Ik schrok niet echt van deze opmerking, het was iets dat ik eigenlijk al wist. Sand had me ooit gezegd dat Oberon gebiologeerd was door het feit dat zij en Delwin een tweeling waren, dat hij zelfs probeerde dat ze met elkaar seks zouden hebben. En ik wist dat er meer zo waren.
“We zullen ze moeten beschermen tegen hen,” zei ik en legde onwillekeurig even een hand op mijn buik. Beide kinderen bewogen zich onmiddellijk naar die hand toe.
“Hoe is het met jullie andere kinderen?” vroeg Iolanthe. “Hoe oud zijn ze inmiddels?”
“Het gaat goed, ze zijn nu twee,” antwoordde ik.
“Mooi zo. Heb je al eens gedacht over de Feniks?”
Wat was dit nu weer. Was het een retorische vraag of was ze serieus?
“Wel eens over gedacht. Maar niet om als Macht te hebben ofzo.”
“Jammer. Je zou uiterst geschikt zijn.”
“Helemaal niet. Ik heb niets met leven. Ik bedoel, ik zou daar niet voor ten strijde trekken.”
“Dat zou ik zo niet zeggen. Jij met al je dieren. Je vader zou misschien ook geschikt zijn.”
“Ik denk niet dat het iets voor mij is, waarschijnlijk ook niet voor hem. Ik hou me liever bij Patroon.”
“Nou ja, misschien één van je kinderen later,” zei ze hoopvol. “Wanneer gaan jullie trouwen?”
“Het is weer uitgesteld.”
“Niet handig in jullie geval. Waarom trouwen jullie niet stiekem in een Schaduw ergens?”
“Vanwege de veiligheid voor onze kinderen is het waarschijnlijk het beste om dat openlijk te doen, zodat het huwelijk ook door iedereen erkend wordt als zijnde geldig.”
Ze schudde haar hoofd.
“Dat is gewoon Mandor,” zei ze. “Hij is vreselijk formeel. Een huwelijk in het openbaar en jullie maar wachten tot het iedereen eens uitkomt. Je weet dat er mensen zijn die hem een droogkloot noemen?”
“Is bekend,” zei ik kortaf. “Hij is dat niet.” En wat dat huwelijk in het openbaar betrof was ik het met hem eens, maar dat zei ik niet.
Iolanthe lachte alleen even.
“Is Benedict er eigenlijk ook?” vroeg ze toen.
“Daarbinnen.”
“Mooi, ik ga eens even kijken of hij iets van zijn stoïcijnse houding kan loslaten. Ik zou ook wel een kind van hem willen, maar hij wil niet.”
“Lastige situatie,” zei ik.
“Ik ben wel eens met hem naar bed geweest, maar hij is nogal teleurgesteld in zijn kinderen. Ik dacht eerst dat hij een grapje maakte toen hij zei dat zijn dochter een tank was. Maar hij bleek bloedserieus.”
“Dat verhaal klopt inderdaad,” vertelde ik. “Ik ben het ook een poosje geweest uit noodzaak, maar zij vond het geweldig en is gebleven. Rhexenor is trouwens ook vrij lang tank geweest.”
“Idioot,” was haar mening.
Ondertussen liepen we naar binnen Elysium in. Op de weg stonden een groot aantal wagens klaar, Mandor zag er heel moe uit. Rhexenor had hem geholpen om de karren op een rij te zetten en deze liep samen met Iolanthe naar het kasteel, terwijl ik me naast Mandor in het gras liet zakken terwijl we de komst van de wachters afwachtten die de karren zouden komen ophalen.
Ik merkte de aanwezigheid van Fillipien op, ze zat op de tak van een boom naar me te kijken.
‘Leuk je hier te zien,’ vertelde ik haar in gedachten.
‘Ik merkte dat je hier was. Boudicca en de anderen zijn nog in Arden. Het is hier ontzettend druk.’
‘Problemen en een bijeenkomst. Kun jij nagaan of we hier kunnen worden afgeluisterd of bekeken?’Ze fladderde op en vloog even rond. Toen landde ze op mijn uitgestoken arm, Mandor ging een eind opzij zitten.
‘Iedereen is in het kasteel. Jullie zijn niet zichtbaar of hoorbaar voor anderen. Aan de andere kant naderen er een aantal personen, wachters zo te zien.’
‘Dank je. Kun je me waarschuwen als ze bij de poort zijn of als er iemand anders onze richting opkomt?’
Ze wreef met haar kopje tegen mijn wang, vloog weer op en ging op een boomstronk zitten die aan weerskanten van de weg stonden.
Ik keek Mandor aan.
“Op dit moment is er niemand die op ons let. Dus als je je zoon en dochter wilt voelen bewegen?”
Hij keek me lichtelijk geschokt aan en ik begon te lachen.
“Kom op Mandor, we zijn hier alleen en ik vraag je niet of je de liefde met me wilt bedrijven.”
“Dat zou helemaal ongepast zijn,” zei hij met toch een twinkeling in zijn ogen. “Het voelt een beetje aan alsof we hier in de openbaarheid zitten, het kan zijn dat men zich nu al afvraagt waarom wij tweeën er nog niet zijn.”
“Dat is dan maar zo,” was ik het met hem eens. “We hebben echter niet heel veel tijd. Het is of nu of nog minstens een aantal uren wachten tot na die bijeenkomst.”
Hij glimlachte, ik ging bij hem op schoot zitten, hij schoof een hand onder mijn rok en legde deze op mijn buik. De tweeling reageerde onmiddellijk enthousiast op de aanraking.
“Het is één en al armen en benen,” zei Mandor lachend en verschoof zijn hand iets, de kinderen volgden. Ik vertelde hem over wat Iolanthe had gezegd over deze zwangerschap.
“Als het net zo gaat als met Randal, zal ook deze zwangerschap als het ware schoksgewijs gaan wat groei betreft. Het is nu niet zichtbaar, maar dat kan over enkele dagen misschien wel het geval zijn omdat die kinderen zo snel groeien. Het kan ook zijn dat het dan juist even rustig aan gaat. Het komt er in ieder geval op neer dat ik geen idee heb wanneer ze geboren zullen worden, maar deze zwangerschap zal geen negen maanden duren.”
“Tweelingzwangerschappen zijn meestal al wat korter,” zei hij. “En deze dus nog wat meer. Ik vind het geen probleem, al zal het betekenen dat jij je al heel snel niet meer in de openbaarheid kan begeven, zeker niet zolang we niet getrouwd zijn.”
Fillipien liet me weten dat de wachters bijna bij de poort waren en ik zei dat tegen Mandor. Hij trok zijn hand weer terug, ik stond op en fatsoeneerde mezelf, hij deed hetzelfde. Intussen vertelde ik hem snel dat dit bijzondere kinderen zouden zijn en dat er in mijn familie mensen zouden zijn die een ongezonde belangstelling voor hen zouden hebben. Hij keek grimmig.
“Al onze kinderen zijn bijzonder,” zei hij. “Ik ben bang dat die ongezonde belangstelling ook Owen en Randal betreft, daar hebben we al iets van gemerkt zelfs.”
Er kwamen aan aantal wachters door de poort. Mandor gaf hen aanwijzingen en ik wilde weer naar buiten lopen. Mandor hield me tegen.
“Wat ga je doen?” vroeg hij.
“Ik ben vergeten om Julia te troeven.”
“Dat kun je gewoon hier doen,” zei hij grijnzend. “Ik zei je toch dat we van hieruit kunnen troeven.”
“Ik stond daar even niet bij stil,” zei ik en haalde de kaart van Julia tevoorschijn.
Subscribe to:
Posts (Atom)