Showing posts with label Flora. Show all posts
Showing posts with label Flora. Show all posts

Mandor's zus

Dag twee.
De tweede dag van jouw bewusteloosheid is zojuist voorbij gegleden. Net nog heb ik naast je gelegen in het bed, je gestreeld en tegen je gepraat. Ik heb geleerd dat het goed is om te praten tegen mensen die buiten bewustzijn zijn, dat ze het onbewust toch allemaal horen. Is dat zo? Is alles wat ik tegen je gezegd heb niet voor niets geweest? Ik weet niet eens precies waar ik het over gehad heb. Over gewone dingen, zoals het verloop van de dag. Maar ook over belangrijke dingen, over ons, over ons gezin. Maar praten tegen iemand die niets terug zegt is voor iemand als ik moeilijk vol te houden, zelfs als jij het bent. Misschien daarom dat ik aan tafel ben gaan zitten en mijn schrijfspullen tevoorschijn hebt gehaald. Op papier kan ik soms beter mijn gedachten verwoorden, omschrijven wat er bij mij leeft.
Ik weet dat je het niet gemakkelijk hebt met iemand zoals ik, met iemand die terughoudend en gesloten is en het moeilijk vindt om bepaalde gevoelens uit te spreken. Nu lig je hier, het is stil, de nachtzuster is net geweest om je te controleren en te vragen of alles naar wens was. Ik heb geantwoord dat alles in orde was. Natuurlijk heb ik dat, ze verwacht niet anders. Maar het is niet naar wens. Ik bedoel, je zult dit overleven, je zult bijkomen en je wonden zullen genezen. We horen hier echter niet te zijn. Niet jij in een ziekenhuisbed en ik ernaast, continu over je wakend. Ik weet wat men van me denkt. Ze zeggen het niet recht in mijn gezicht, maar ik zie het aan hun blikken. Men vindt dat ik overdrijf, dat ik je overheers, dat ik overbezorgd ben. Ze begrijpen er helemaal niets van. Niets van mijn angst wat er kan gebeuren als ik je alleen laat terwijl jij niet bij bewustzijn bent. Ze begrijpen helemaal niet dat, als jij geen controle hebt over jezelf, ik degene ben die dat dan over wil nemen. Ik wil gewoon niet dat er dingen gebeuren waarvan ik zeker weet dat jij die niet wilt. Wie anders kan er dan voor jouw belangen opkomen dan ik? Daarbij… Ik voel me zo machteloos als je daar ligt, als je afhankelijk bent van de hulp en zorg van anderen. Wat kan ik dan anders doen dan in ieder geval bij je te blijven, tot zelfs in de operatiekamer toe en over jou te waken? Wie is er anders die een beetje voor jou zorgt en op je let?
Ik weet het, mijn lief, dat het heel moeilijk voor je is om dit te accepteren. Andersom lijkt het voor jou vanzelf te spreken, je bent er altijd voor mij, en dat is al van onze eerste ontmoeting af aan het geval. Misschien laat ik het me te veel aanleunen, maar de waarheid is dat ik je nodig heb, dat ik jouw liefde nodig heb. Zonder jou voel ik me niet compleet.
Ooit heb je me gevraagd wat het is om van iemand te houden, of je dat zou kunnen leren. Je zei zelfs dat er nooit iemand was geweest die van jou had gehouden. Hoe is dat nu? Op papier kan ik dat rustig vragen, waarschijnlijk laat ik je dit toch niet lezen, ben ik bang dat je me raar zult vinden. Dus ik vraag het je gewoon nog eens: in hoeverre is het van invloed dat ik nu al zo’n 17 jaar - of is het langer? Het is me nog steeds niet duidelijk hoe lang het verblijf in Tir-na Nog’th heeft geduurd - van je hou? Ik zeg het niet iedere dag, niet iedere week en volgens mij zelfs niet eens elke maand. Ik heb het je daarnet nog verteld, terwijl ik naast je lag en je gezicht streelde. Maar wat heb je eraan? Het zijn maar woorden en je bent buiten bewustzijn, dus naar alle waarschijnlijkheid heb je dit niet eens gehoord.
Om terug te komen op je vraag van lang geleden: ik kan niet goed uitleggen wat het is. Er zijn zoveel schrijvers en dichters geweest die getracht hebben om dit onder woorden te brengen en er is er niet eentje die precies dat omschrijft wat ik voor je voel.
Iets ervan heb ik eerder beschreven, jij bent degene die me compleet maakt. Voor jou heb ik gevoelens die ik voor niemand anders koester op deze manier. Jij gaat me voor alles, voor jou zou ik ook alles op kunnen geven. Maar juist omdat je me dit niet vraagt, maakt mijn liefde voor jou alleen maar dieper. Houden van laat zich niet omschrijven, het is een allesoverheersend gevoel, een zeker weten dat verder gaat dan heel veel om je geven. Dat is iets wat ik je niet kan leren, dat is iets wat niemand aan een ander kan leren. Je zult dat helemaal van jezelf moeten leren. En als je dat niet kan, dan kan ik dat begrijpen, want wat zijn 17 jaren nu in jouw leven van vele eeuwen?
Ik weet zeker dat onze kinderen van je houden, ieder op zijn of haar eigen manier. Vandaag zijn ze hier allemaal geweest. Het begon met Bryana - uiteraard - die in tranen was en ervan overtuigd was dat ik iets achterhield, dat je dood aan het gaan was en we daarom niet naar huis kwamen. Ik heb haar moeten doorhalen om haar te kunnen troosten en zodat ze je met eigen ogen kon zien. Ze heeft lang aan je bed gezeten, je hand vastgehouden en je van alles verteld. Ik vraag me soms af hoe ze steeds weer onderwerpen weet te verzinnen om over te praten, maar het gaat zo natuurlijk bij haar, ze hoeft nooit te zoeken naar gesprekstof. Raar om te weten dat dat uit de familie van mijn moeder komt, toch ook een Amber - Sawall combinatie
Na Bryana was het Essilt die troefde. Ze is zo anders dan haar zus… Essilt vroeg of er bepaalde bezoektijden waren, zij en Iestyn wilden je komen bezoeken, maar niet als dat heel lastig zou zijn. Julian schijnt tegen de kinderen gezegd te hebben dat ze beter thuis konden blijven, dat jij niets zou hebben aan een bezoekje van hen. Ik denk dat hij het goed bedoelde, maar zo’n opmerking keert al onze kinderen dwars.
Ik heb Essilt gezegd dat ze allemaal meer dan welkom zouden zijn, dat jij hun belangstelling naar waarde zou weten te schatten. Nu hoop ik dat jij dit ook werkelijk kan doen, liefste. Ik weet namelijk heel goed dat jij het niet echt geweldig zal vinden dat de kinderen je bewusteloos hebben gezien. Maar je bent hun vader, zij hadden er juist heel veel behoefte aan om je te zien.
Essilt nam al haar broers mee. Randal was een tikje verontwaardigd dat Bryana er al was, ik geloof dat hij stiekem vond dat hij de eerste had moeten zijn.

Ze worden zo groot, onze kinderen. Bryana is al dertien en een half. Ik denk dat zij de kleinste zal blijven van het hele stel. Dan Iestyn… ik zag vandaag dat hij net zo lang als Randal is inmiddels en hij is net pas vijftien geworden. Randal en Owen zullen niet meer zo veel groeien, maar Iestyn is nog niet uitgegroeid en de oudste twee zullen niet zoveel langer worden meer. Het zou kunnen dat Iestyn zelfs langer wordt dan jij. Het is niet voor te stellen dat hij en Essilt zulke kleine ukken waren bij hun geboorte. Essilt, die inmiddels langer is dan ik. Ik ben boven het hoofd gegroeid door vier van onze kinderen. Onvoorstelbaar. Ik weet dat we zo’n beetje hebben afgesproken om eerst deze vijf groot te brengen, maar de laatste jaren verlang ik er soms naar om opnieuw een baby te mogen krijgen. Om eens de mogelijkheid te hebben om helemaal te kunnen genieten van zo’n kleintje, om het in alle rust te kunnen zien opgroeien… ach, het zijn maar dromen, ondertussen ben ik maar wat trots op onze vijf kinderen en zou ik het, ondanks alle drukte die dat me zich meebrengt, zo weer op precies dezelfde manier doen. Nou nee, één ding zou ik anders doen. En dat is jou betrekken bij de zwangerschap van Owen. Als ik iets over kon doen, zou het dat zijn.

Ja, het was druk, ook al gedroegen ze zich vrij rustig. Ach, je weet hoe dat gaat. Essilt zegt nagenoeg niets, Iestyn en Owen ook maar weinig. Het meeste werd er gepraat door Randal en Bryana. Zoals gewoonlijk. De verpleging die jou kwam checken vond het te druk voor jou, comateuze patiënten mogen niet meer dan 2 bezoekers ontvangen. Ik heb gezegd dat dit bezoek voor jou niet te druk was, dat het voor jou goed was om je eigen kinderen te kunnen horen.
De verpleging was geschokt. Ik denk dat ze niet konden geloven dat dat stel bijna-volwassenen jouw kinderen zijn. Ze zouden eens moeten weten hoe oud je werkelijk bent…
Toch heb ik na een bepaalde tijd de kinderen maar weer naar huis gestuurd en nog heel even met mijn vader gepraat. Zoals vaker heeft hij nu ook de zorg op zich genomen voor de kinderen. Je moet in ieder geval de groeten van hem hebben (en dat meende hij).
De lynx… je weet wel, die lynx… ze zit hier en houdt me gezelschap. Ze wilde zelfs niet mee met Owen, ze blijft gewoon constant bij me. Zo’n eigengereid dier heb ik nog nooit gehad, ook Fillipien is ietsje gezeglijker. Je zult er geen last van hebben, ze blijft ver uit je buurt.
Ik vind het wel prettig, dat kattengezelschap. Ik hoef namelijk niet veel meer te doen dan er te zijn en haar af en toe onder de kop te krauwen. Dat is toch anders dan de andere dieren, die verwachten dat ik dingen met ze onderneem. Katten zijn echt anders. Dat heb ik al gemerkt aan de kat van Essilt, maar dat is echt haar kat.
Ik heb alleen nog geen naam voor de lynx. Misschien moet ik er jou één laten kiezen? Wat dacht je van Tanner, Flo of Mika? Hmm, is het niet belachelijk dat ik in gedachten met jou de naam voor een DIER aan het bespreken ben?

Terug naar serieuze dingen. Waarom ik deze brief aan jou aan het schrijven ben bijvoorbeeld. Het geeft me iets te doen. Ik heb net koffie gehaald uit de automaat in de gang hier tegenover. Van jouw kamerdeur af is dat zes stappen lopen. De leeskamer, waar een stapel tijdschriften ligt met weinig interessante onderwerpen - en volgens mij zijn dat zo’n beetje dezelfde magazines die ze jaren geleden hier ook hadden - ligt hier zo’n vijftig meter vandaan. Jouw kamer is erg rustig gelegen, ruim, heeft een eigen badkamer en wc, een internet verbinding en een televisie. Regelmatig komt er iemand van de keuken langs om te vragen wat ze me te eten kunnen brengen en ik heb ze ook rauw vlees voor de lynx laten brengen. Het heeft zijn voordelen om een VIP kaart te hebben. Ze accepteren zelf de aanwezigheid van de lynx, al vermoed ik dat we deze keer gevarentoeslag zullen moeten gaan betalen.
Daarstraks heb ik via internet een aantal boeken, kleding en wat verzorgingspullen voor ons beiden besteld en het per express laten bezorgen. Zo nu en dan tracht ik een stuk te lezen in de nieuwste reisverhalen van Lady Hester Lucy Stanhope, maar ik kan mijn hoofd er niet helemaal bij houden. Dan moet ik weer je hand vast houden of even naast je komen liggen. En jij… je blijft maar buiten bewustzijn. De doktoren zeggen dat dit nog wel een week zou kunnen duren. Ik denk, ik hoop, dat ze ongelijk hebben.

Misschien zou ik moeten gaan slapen. Het is weer diep in de nacht. Daarnet heb ik nog bij je gelegen en je allerlei dingen in je oor gefluisterd. Je hoort me niet, je merkt niets van mijn aanwezigheid. Misschien overdrijf ik inderdaad en het advies van de verpleging moeten opvolgen om thuis te gaan slapen. Ze zullen me bellen zodra er verandering is. Het deed me even grijnzen. ‘Even een telefoontje naar Gormenghast’. Maar ik had natuurlijk een hotel in de buurt kunnen boeken. En dan? Het zal daar niet anders zijn dan hier rond te hangen en hier ben ik tenminste bij jou. Stel dat je wakker wordt en ik ben er niet eens bij? Ik moet er niet aan denken. Ik durf al nauwelijks te gaan slapen in het bed dat ze hier zo netjes voor me neer hebben gezet. Ik heb het bed daarnet tegen het jouwe aangezet. Ik wil zo dicht mogelijk bij je zijn.


“Wat is de bedoeling van dat beest?” Mijn echtgenoot keek lichtelijk bezorgd. “Hij hangt nogal bij je rond, je gaat die toch niet ook nog mee naar huis nemen?”
“Het is een zij,” antwoordde ik. “Aangezien ze bij me hoort, zal ze dus inderdaad mee naar huis komen straks. Ik denk dat het een lynx is.”
“Het is een lynx,” mengde mijn vader zich in het gesprek. “En junglelynx om precies te zijn. Die hebben een aantal kenmerken, onder andere toefjes aan de oren.”
Ik knikte enthousiast.
“Dat was precies waaraan ik de kat herkende.”
Mandor zuchtte, Julian ook. Beiden om een andere reden wist ik.
“Nou ja, Owen zal er wel weer mee in zijn sas zijn,” legde Mandor zich er al bij neer. “Neem een beest mee naar huis en die jongen is oneindig gelukkig.”
“Ik vind toch dat jouw kennis over jungledieren te wensen overlaat, Morwenna,” zei mijn vader. “Ik durf te wedden dat je de andere kenmerken van en junglelynx niet weet.”
“Katachtig?” probeerde ik.
Mijn vader keek geërgerd.
“Daarstraks beweerde je een hert te hebben gezien. Die komen niet in de jungle voor. Ik vermoed dat je een antiloop hebt gezien en dat is echt iets heel anders. Ik denk dat het tijd wordt dat we weer een poos samen door Arden moeten trekken.”
“Komt niks van in,” zei Mandor. “Moet ik zeker weer mijn vrouw maanden lang missen. Ik voel daar niets voor.”
“De vorige keer is jaren geleden en ik meen me te herinneren dat ik mijn dochter regelmatig kwijt was omdat ze even naar huis troefde. Zat ik daar weer in mijn eentje op haar dieren te passen.”
“Dat zag ik inderdaad als een voordeel, dat die beesten weg waren thuis,” grinnikte Mandor.
“Het lijkt me leuk om weer eens mee te gaan,” zei ik tegen Julian. “Mijn echtgenoot en ik zullen uitzoeken wanneer hij veel thuis kan doen en ik een poos achter elkaar weg kan blijven.” Ik greep de arm van Mandor en trok hem tegen me aan. “Je moet er wel rekening mee houden dat ik met deze man getrouwd ben en graag op regelmatige basis bij hem ben. Bovendien hebben we samen vijf kinderen en die zie en spreek ik ook graag.”
“Al goed,” verzuchtte mijn vader. “Je wilt wel met me optrekken, maar op jouw condities. Ik begrijp alweer wie van ons jouw voorkeur heeft.” Hij stond op en verdeelde het laatste restje wijn tussen ons drieën. Daarna schepte hij het restant stamppot uit de pan en begroef dat. Vervolgens keek hij wat hulpeloos naar de pan en de fles. Mandor grijnsde, concentreerde zich en korte tijd later was er niets meer over van de fles en de pan. Wel was de aanwezigheid van Logrus even duidelijk te voelen
“Dat heeft hij best goed gedaan, die zoon van ons,” zei Mandor met iets van trots in zijn stem. “Geen enkel probleem om hier iets met Logrus te doen.”
“Ik kan me nog nauwelijks voorstellen dat dat onbesuisde jongetje van vroeger in staat is om een hele Schaduw mee te helpen opbouwen,” zei Julian.
“En hij is er goed mee,” zei ik. “Of wordt er goed mee. Hij gebruikt Logrus niet lomp, zoals sommige anderen, maar heel rustig en beheerst.” Ik keek Mandor aan en glimlachte naar hem. “Hij gaat ermee om zoals jij.”
“Ik ben hem aan het trainen,” zei Mandor tegen mijn vader. “Randal heeft een hele goede aanleg voor Logrus. Bij de tweeling zie ik dat trouwens ook, dat betekent dat er nog maar twee kinderen over zijn voor jullie Patroon.” Hij gaf me plagend een duwtje, stond op en hielp mij ook overeind. Met zijn drieën liepen we terug naar de anderen die geduldig hadden staan wachten tot we uitgegeten zouden zijn.

Voordat we de piramide binnen zouden gaan, waarschuwde ik de anderen om er niet te klooien.
“Waarom neem je ons dan mee?” Fiona, een tikje geërgerd. Een aantal jaren geleden zou ik meteen zijn dicht geklapt na een dergelijke opmerking van haar kant, maar sinds het project M waren er dingen veranderd.
“Om te bekijken. Om jullie input te horen. En omdat het iets is dat buiten mij bekende machten valt.”
“Redelijk genoeg,” mompelde ze.
De toegang ging gemakkelijk open, ik leidde het gezelschap de gang door naar de enorme hal met het gat waar de trap langs de wanden naar beneden liep.
“Het is grappig hoe je perceptie soms anders kan zijn,” merkte ik op. “Toen er nog geen piramide omheen zat, had ik het idee dat de trap omhoog ging.”
“De stenen van de piramide schermen de macht af,” zei Fiona peinzend. “Met Patroon is deze plaats niet te vinden.”
“Met Logrus ook niet,” zei Mandor. “Daarstraks buiten was er niets te voelen van dit geheel. Om er te komen zul je van het bestaan ervan moeten weten.”
Fiona keek hem een beetje verstoord aan, vermoedelijk was hij haar in de rede gevallen. Mandor keek stoïcijns terug.
“Het is in ieder geval een waardevol geschenk geweest van Oberon aan Morwenna en jullie zoon,” zei ze een beetje stijfjes tegen hem. “Een manier om terug te komen in hun eigen tijd.”
“Ik ben hem zeer dankbaar,” zei Mandor koel.
“Is dit alles?” vroeg Rhexenor. Hij was de hal doorgelopen en keek in het gat. “Een piramide om een trap heen gebouwd… ik zie niet in waarom wij erbij gehaald moesten worden.”
“Je wilde zelf mee,” zei Fiona scherp. “Morwenna vroeg aan mij om te komen kijken, ik was op dat moment met jullie ergens aan het eten en ik heb jullie gevraagd of jullie belangstelling hadden.”
“Ik wist niet eens waar het om ging,” zei Rhexenor verontwaardigd. “Als ik dit had geweten, was ik wel iets anders gaan doen.”
“Je kunt dat nog steeds doen,” zei ik. “Je kunt naar buiten gaan, ongeveer een mijl van de piramide af werkt Troef weer.” Verder sloeg ik geen acht op hem, maar liet ik zien hoe het gezicht verscheen door een Troef te pakken.
“Uw Troeven zullen hier niet werken. Ik ben de wachtster van deze plaats.”
Mandor begon te lachen, ook de anderen stonden te grinniken.
“Wat?” vroeg ik gepikeerd.
“Je herkent dat gezicht echt niet?” vroeg Mandor. “Dat ben jij.”
“Je meent het,” zei ik verbijsterd en testte het uit door nog eens een Troef te pakken. Het gezicht verscheen opnieuw en herhaalde de woorden. Ik staarde naar de verschijning van de vrouw en kon met moeite iets van mijn eigen trekken herkennen.
“Is dat zoals anderen me zien?” vroeg ik. “Wat erg!”
Mandor had toe staan kijken met eenzelfde uitdrukking in zijn ogen als eerder naar de beelden. Hij vestigde zijn blauwe ogen op mij en glimlachte.
“Mooi juist,” zei hij met iets van trots. “Jouw beeltenis is hier gebruikt om als wachtster te fungeren. Ik mag dat graag zien.”
Ik liep naar hem toe en pakte zijn hand.
“Meen je dat echt?” vroeg ik een beetje onzeker.
Hij pakte mijn andere hand ook vast en keek me strak aan terwijl hij nauwelijks merkbaar knikte.
“Hey, get a room!” riep Martin. Mandor en ik lieten elkaar haastig los, toen besefte ik dat dat belachelijk moest overkomen en ging tegen mijn man aan staan. Hij sloeg een arm om me heen.
“Ik ga iets anders proberen,” zei ik.
“Ik dacht dat je zei dat er niet geklooid mocht worden,” zei Flora.
“Dat doe ik niet. Ik ga alleen wat Patroon proberen.”
Mandor liet me los en ik liep een paar stappen door de hal terwijl ik me begon te concentreren op Patroon, me voorstellend dat er vast wortels van planten tussen de stenen zichtbaar moesten zijn.
“Uw Patroonmacht werkt hier niet. Ik ben de wachtster van deze plaats.”
Ik wees de anderen erop dat het gezicht en de stem steeds weer wat anders leken te zijn. De anderen mekten dit ook op. Ik vroeg aan Rhexenor of hij iets kon proberen met zijn Macht. Het duurde even voordat hij door had wat ik bedoelde, het duurde nog langer voordat hij bereid was om mee te werken, ondertussen was de verschijning nog eens geweest met de opmerking dat Logrusmacht hier ook niet werkte.
Uiteindelijk gaf Rhexenor toe en ‘Morwenna’ vertelde hem dat Feniksmacht niet werkte. Dat was de enige tekst die de verschijning leek te hebben, erg intelligent kwam deze wachtster niet over.
“Een goede kopie van mij,” moest ik toegeven, hoewel het natuurlijk ergens een beetje stak. Ik bedoel maar, als je beeltenis toch gebruikt moet worden om iets te bewaken, is het toch wel prettig als deze een beetje intelligent overkomt, nietwaar?
Er kwam verandering in toen Fiona een spiegeltje uit haar handtas haalde. Deze keer verscheen de hele gestalte en zelfs ik zag dat de kleding die ze droeg zeer ouderwets was.
“Op dit moment kunnen deze spiegels niet worden toegestaan.” Deze keer verdween ze niet, maar bleef staan.
“Waarom niet?” vroeg Fiona.
“De juiste aanspreektitel is ‘Wachtster.’ Dan zegt U: ik heb de volgende vraag.”
Iedereen was even stil, ik stond met verwondering naar mezelf - maar toch zo anders dan ik - te kijken.
“Jouw beurt,” mompelde Martin en gaf Ronardo een duw. “Je aanleg voor zwammen, je weet wel.”
“Waarom ben je hier?” vroeg Ronardo aan de Wachtster.
“Uw vraag begint met ‘waarom,’” zei de Wachtster. “Sorry.”
Ronardo en Rhexenor begonnen te gniffelen en mompelden iets over intelligentie. Vervolgens maakten ze een aantal opmerkingen tegen de Wachtster waarbij ze mij in ieder geval duidelijk wisten te maken dat zij daar ook niet rijkelijk mee bedeeld waren. De opmerking van de Wachtster: “Enig respect voor deze plaats is gerechtvaardigd,” was daarom zeer terecht, maar beide heren kregen dit niet zo mee.
We stelden wat vragen, op bijna alle vragen antwoordde ze met ‘sorry’. Allen op een vraag van mij kreeg ik iets van antwoord, namelijk dat ze niet precies wist hoe de piramide om deze machtsplaats heen was gekomen.
De Wachtster verdween toen Fiona de spiegel weer in haar tasje stopte.
“Deze plaats werkt dus met Heironmacht,” merkte ze op.
“Erg leuk, maar wijzer worden we er niet van,” mopperde Martin. “Als deze plaats al een bepaalde intelligentie heeft, is deze niet erg groot.” Al mijn neven keken daarop verwijtend naar mij, alsof ze vonden dat de Wachtster mij representeerde.
“Dit is geen Morwenna,” meende Mandor het voor me op te moeten nemen. “Haar beeltenis is alleen maar gebruikt om vragen te kunnen beantwoorden.”
“Wat voor vragen moeten we dan aan haar stellen?” vroeg ik hem. “Tenslotte ben jij degene die verstand heeft van het omgaan met demonen en die schijn je ook nogal specifiek te moeten ondervragen.”
Hij lachte.
“Dit is geen demoon natuurlijk.”

Ik heb net getracht om te slapen, maar zoals vaker kreeg ik de slaap niet te pakken. Dus nu zit ik weer aan tafel, met een dampende kop koffie naast me te schrijven. Af en toe werp ik een blik naar jou. Je ligt nog steeds stil en bleek in je bed, de situatie is onveranderd.
Ooit vertelde je me dat je het soms moe was om de enige expert te zijn op gebied van demonen. Dat je eigenlijk had gehoopt om je kennis op één van je zonen of dochters over te kunnen dragen. Voor het eerst sprak je je teleurstelling uit over het feit dat het niet de zoon zou zijn waar je al wel wat op gerekend had. Je gaf mij min of meer de schuld, herinner je je dat nog? Het zou niet gaan omdat ik Owen al verpest had met al die ‘beesten’. Jouw woorden, niet de mijne. De laatste tijd zeg je echter steeds weer dat desondanks Owen toch heel geschikt is om je kennis aan over te dragen vanwege zijn gelijkmatige karakter. Ik denk dat je het gewoon moet doen. Ik denk dat Owen dat best aan kan en het waarschijnlijk interessant zal vinden. Iestyn is er immers ook goed doorheen gekomen. Ik weet zeker dat je vader niet weet op welk kind je nu je kennis hebt overgedragen, ik krijg de indruk dat hij vermoedt dat het Randal is. Maar hoe lang zal het duren voordat Gramble uit zal vinden wie je in de leer hebt? Hoe denk je dat geheim te blijven houden?


“Maar je hebt wel verstand van het informatie verkrijgen uit wezens met minder intelligentie,” drong ik aan.
Hij begon harder te lachen.
“Ik vind dit gewoon grappig, het doet me denken aan de tijd dat ik nog jong was.”
Mijn vader begon zich te ergeren.
“Fijn dat je wat jeugdherinneringen hebt, maar misschien zou je gewoon kunnen zeggen hoe we haar vragen kunnen stellen.”
“Dat is niet moeilijk, Morwenna had net een vraag waar antwoord op kwam.”
Ik dacht na, maar kon me met geen mogelijkheid meer herinneren welke vraag dat precies geweest was.
“Je zou het ook gewoon kunnen zeggen, in plaats van de draak met me steken,” zei ik korzelig.
“Je bent anders de enige die… ach, laat ook maar. Je begon je vraag met ‘Hoe.’”
Ik vroeg aan Fiona of ze de spiegel weer tevoorschijn wilde halen. De neven mopperden, ze werden toch niets wijzer van de Wachtster. Ik stelde voor dat ze zouden gaan, maar om mij onbekende redenen wilden ze toch blijven.
De Wachtster verscheen weer en Ronardo onderwierp haar aan een spervuur van vragen. Dat typeert deze neef, eerst een hoop gepruttel en dan blijkt hij het toch wel interessant te vinden. De ‘Hoe’ vragen werden inderdaad beantwoord, indien mogelijk. Ze wist wat zijn naam was, al moest ze er even over nadenken. Deze plaats had geen naam en ze wist niet hoe de Heiron Macht er was gekomen. Toen Ronardo een ‘hoeveel’ vraag stelde, deelde ze mee dat ze voortaan gaan vragen meer zou geven op vragen die daarmee begonnen. Ronardo keek beteuterd, achter me hoorde ik Mandor opnieuw grinniken.
“Ze leert,” zei hij tevreden.
Ik vroeg zonder nadenken wat de reden was dat de piramide hier stond. Zowaar kreeg ik een antwoord: de piramide beschermde deze plaats.
“’Wat’ vragen werken ook,” zei ik opgewekt. “Hoe en Wat dus.”
Ronardo ging verder met een aantal domme vragen, op een bepaald moment zei de Wachtster zelfs dat zijn vragen nergens op sloegen. Iets wat Mandor mateloos vermaakte. De Wachtster stak haar ergernis wat Rhexenor en Ronardo betrof niet onder stoelen of banken, Rhexenor zat vol met grappen die Martin en Flora leuk leken te vinden, maar de Wachtster niet echt kon waarderen. Ze leek steeds slimmer te worden.
“Het zijn dus Hoe en Wat vragen waar ze op antwoordt,” zei Mandor tegen de anderen.
Ik ergerde me een beetje, dat had ik net toch ook gezegd?
“Klopt,” zei hij zacht. “Maar zo te merken was ik de enige die het hoorde, dus ik heb het nog maar eens in de groep gegooid.”

Soms, een heel enkele keer, kan ik me ergeren aan je wat patroniserende gedrag. Dan voel ik me je mindere, dan voel ik echt het enorme leeftijdsverschil ineens, dan heb ik het idee dat je me dom en naïef vindt . Jij met al je levenservaring tegenover mijn onnozelheid. Ik weet dat dit gevoel onterecht is. Ik weet dat je zoveel om me geeft, dat het je ergert als anderen me negeren, als anderen om mijn onzekerheid moeten lachen. Je neemt het voor me op, je steunt me altijd, je bent er altijd voor mij. Ik hoop dat je weet dat ik er ook voor jou ben. Altijd en eeuwig.

Ik ging op mijn tenen staan en kuste hem. Hij is een goede man. Daarna besloot ik dat de anderen genoeg onbenullige vragen hadden gesteld, maar het was vooral irritant dat ze de antwoorden van de Wachtster ofwel negeerden, ofwel niet goed begrepen. Op een bepaalde manier was er inderdaad gelijkenis tussen mij en de Wachtster van deze plaats. Ik vroeg me af waarom mijn neven vragen stelden over hoe ze met geweld langs haar heen konden komen - dat was niet mogelijk, zei ze - en waarom ze niet hadden gehoord dat zij hen kon gidsen, instructies geven en hun vragen kon beantwoorden.
Ze wist niet hoe ze hier gekomen was. Jammer. Wat het geven van instructies betrof: die zou ze geven als het te pas kwam. Niet van tevoren al een hele lijst. Logisch.
“U kunt deze plaats zien als Het Archief,” zei ze op mijn vraag. “Als u de trap afdaalt kunt u, afhankelijk van wie u bent, deuren openen en gebeurtenissen zien.”
“Hoe kun je in de toekomst zien?” vroeg Ronardo.
“Dat is niet mogelijk.”
“Wat zijn de mogelijkheden?”
“U kunt de archieven bekijken.”
“Kunnen we de archieven bekijken door hier de trap af te dalen?” vroeg ik. Het was geen Hoe of Wat vraag, toch kreeg ik antwoord.
“Dat is inderdaad de manier. Ik zal U begeleiden en indien mogelijk instructies geven.”

Iedereen wilde archieven gaan bekijken en ik ging als eerste. Zodra ik een voet op de eerste tree had gezet, zag ik alleen nog maar de trap die naar beneden wentelde en niets meer van de anderen. Naast me liep mijn beeltenis in haar ouderwetse kleding. Er was weer iets aan haar veranderd, ze reageerde nu op alle soorten vragen en was inmiddels behoorlijk pienter.

“Je had mij kunnen troeven in plaats van mijn vader,” heeft Caine gezegd toen ik - jaren geleden alweer - eens bij hem was om te vragen welke Amberiet er mogelijk achter de aanslag op onze kinderen zat.
“Ik had jou wel naar je eigen tijd weten te krijgen denk ik. Tenslotte kan ik de spiegelzaal in Amber altijd vinden.”
Dat is nu het vreemde, mijn lief. Stel dat ik dat gedaan had en het Caine gelukt was om ons terug te krijgen naar onze eigen tijd door middel van die spiegelzaal. Stel dat… dan waren we daar nooit in die piramide geweest zoveel jaar later. Dan zou jij hier nu niet liggen. Dan zou je ook je zus nooit gevonden hebben - niet op deze manier althans. Alles had heel anders kunnen zijn, maar het is zo gelopen omdat ik er indertijd voor koos om er Oberon bij te halen.
Stel dat het Caine was geweest. Caine in zijn jonge jaren met toen al een diepe haat voor Chaosieten en vooral de Sawalls… ik vraag me toch af… zou hij onze zoon hebben laten leven?


Ze vroeg me wat ik wilde zien. Ik wilde weten hoe mijn overgrootmoeder, Lorrayne, verdwenen was. We moesten een flink eind de trap af en daar werd ik op een deur gewezen die ik opende.
Ik keek een ruimte in die ergens in Rebma was. Een jonge knappe vrouw met felblauwe ogen, zwart haar en met bekende Ambertrekken was bezig met een lege lijst, het leek erop dat ze steeds een nieuw stuk glas conjuurde en dat in de lijst paste. Ze was een spiegel aan het maken. Ik stond met haar in één ruimte en ze hoorde of zag me niet.
De deur ging open en er kwam een jonge man binnen. Hij kwam op me over als een beetje een fatje, misschien was het de mode van die tijd? Ongeveer 1 meter 75 lang, nette kleding aan, witblond haar, knap en een beetje stijfjes. Oh ja, ik herken een Sawall wel als ik er eentje zie. Maar een Sawall in Rebma?
“Zullen we dan maar voordat je vader hier is?” zei hij.
Ze knikte, stopte waar ze mee bezig was en gaf hem een hand. Samen liepen ze de kamer uit, gevolgd door mij. Ze liepen een aantal gangen door en gingen helemaal naar het oude gedeelte waar toen het luik nog niet gesloten was. We liepen door de zaal met de troon en daar waar wij eerder linksaf gingen, gingen zij rechtsaf. Bij een paar grote metalen deuren waren aan weerszijden de beelden van een tweetal leeuwen te zien. Ieder van hen liep naar zo’n beeld, hij duwde de ene een bol in zijn bek - ik herkende de zwarte smaragd die Ronardo nu bij zich had - en zij stak de andere een mij welbekende dolk in de bek die ze rond draaide. De deuren openden zich en ze gingen naar binnen.
Ik stond weer op de trap naast de Wachtster.

Caine is eigenlijk de enige die me heeft verteld wat er mis was met de familie Sawall. Ik heb je wel eens verteld dat jouw familie niet goed ligt bij de mijne, andersom weet ik dat dat ook het geval is. De vele moordaanslagen… Oh ja, er zijn heel wat Amberieten verantwoordelijk voor het uitdunnen van jouw familie. Wat wij tweeën hebben gedaan is in dat opzicht heel gevaarlijk geweest. Er zijn eerder vermengingen geweest, dat weten we. Maar ik geloof niet dat er uit zo’n combinatie maar liefst vijf kinderen voortkwamen.
Jouw vader heeft de wapenstilstand afgedwongen en daarmee wat rust afgedwongen in beide kampen. Natuurlijk was die strijd niet alleen tussen Amber en Sawall, deze werd immers gevoerd naast de strijd tussen Amber en de Hoven van Chaos. Maar ik dwaal af. Zoals vaker.
Caine had een hekel aan Herbert Sawall, hij gaf hem, naast Oberon, de schuld van het verdwijnen van Lorrayne. Volgens Caine was het Herbert Sawall te doen om de gaven die Lorrayne zou hebben. Mogelijk had hij gelijk, je hebt me zelf meerdere malen verteld dat er genoeg smeerlappen in jouw familie zitten. In de mijne zijn ze echter ook niet helemaal fris, maar dat weten we ook allebei. Caine is in ieder geval degene die Herbert omgebracht heeft, ervan overtuigd zijnde dat deze allemaal plannen had voor het kind dat op zou moeten groeien als een Sawall. Mogelijk had Caine gelijk, ik heb het idee dat de situatie in die tijd veel grimmiger was dan deze nu is.
Caine heeft, op zijn Caines, het kind ondergebracht in een Schaduw. Judith, mijn grootmoeder, is echter toch vermoord. Door zowel Amberieten als Chaosieten. Ik hoop echt nog eens achter het waarom te komen. Maar soms doet dit alles me huiveren. Waarom waren het uitgerekend de Sawalls die belang stelden in de gaven van Lorrayne? En wat is er gebeurd met Donnal, het andere kind van Lorrayne en Herbert? Daar lijkt niemand iets van te weten. Ghostwheel heeft indertijd gezegd dat deze vermoord is, maar Ghostwheel zei dat ook van jouw zus…
De piramide, het Archief, is opgebouwd uit macht van het juweel. Maar deze laat tevens een stukje van de gave van Lorrayne zien.


Het beeld wat ze me daarna liet zien was van minder lang geleden, dus we gingen de trappen een eind omhoog. Net als de vorige keer voelde ik een bepaalde vermoeidheid op komen zitten. Ik opende een deur en stond buiten, om me heen woedde een Schaduwstorm. Een eindje verderop zag ik Oberon, Randal en mezelf, een heel vreemde ervaring. Ook was het vreemd om te zien hoe Oberon het kristal uit de storm haalde - in mijn herinnering was het immers Randal die dat had gedaan en was ik degene die het aan Oberon had gegeven. Andere perceptie? Een valse herinnering van mij? Of geklooi achteraf?
Daarna begon Oberon de steencirkel, het Gebroken Patroon, te veranderen in iets heel anders, deze keer zag ik een gat in de grond ontstaan en een trap naar beneden. Alweer anders dan in mijn herinnering. Daarna was Oberon weg en veranderde de wereld langzaamaan in een bosrijke omgeving. Vervolgens daalden Randal en ik de trap af en verdwenen uit het zicht.
Niet lang daarna kwam Oberon weer terug, een tevreden uitdrukking op zijn gezicht. Hij begon met magie te smijten, de directe omgeving veranderde in een jungle en er verscheen een piramide om de plaats heen.

Iedereen die ik heb verteld over de ontmoeting met Oberon reageerde geschokt en bezorgd. Veel dingen begon ik pas achteraf te beseffen, ook door het gesprek met Caine dat ik enkele maanden na dit gebeuren had. Hij vertelde me over de eeuwigdurende strijd tussen jouw vader en Oberon bijvoorbeeld. Hoe heeft jouw vader dit kunnen overleven? Wat voor afspraken zijn er misschien stiekem gemaakt tussen die twee? Als het waar is, wat Caine toen vertelde, over dat Oberon zijn best heeft gedaan de Logrus nog gevaarlijker te maken, hoe kan het dan dat de Sawalls daar niet of nauwelijks door getroffen zijn? Waarom is de familie Sawall anders dan de andere families in Chaos? Hoe meer ik er over hoor en ervan zie, hoe meer me een gelijkenis begint op te vallen met het Huis van Amber, zeker als het om Macht gaat.
Misschien zijn er helemaal geen afspraken gemaakt tussen jouw vader en Oberon. Als ik erover doordenk, lijkt dat me toch niet. Ik denk dat het iets was tussen jouw grootvader en Oberon. Jouw vader heeft een grondige hekel aan Oberon en dat gedaan wat Oberon zeker niet wilde: een wapenstilstand afgedwongen tussen Amber en Chaos. Je zei ooit dat je hoopte en ook dacht dat je grootvader dood was. Het is me nooit duidelijk geworden wanneer deze dan dood is gegaan, maar kan uit alles opmaken dat Herdotus Sawall ‘verdween’ ten tijde van het verdwijnen van Oberon. Ik vraag me af of we ooit de ware versie van alle gebeurtenissen te horen zullen krijgen. Ik denk het niet, ieders ervaring en mening is uiteraard gekleurd.
Maar het feit blijft dat Oberon een zoon van ons heeft ontmoet. Niet alleen Amberiet, maar ook een Sawall. Hoewel we hem dat niet verteld hebben, zal hij dat heel gemakkelijk zelf hebben concluderen, Randal heeft zeer duidelijk de Sawall trekken. En het is niet alleen die zoon, maar ik was op dat moment ook nog eens in verwachting van de tweeling. Ik denk dat we deze kinderen toch heel goed in de gaten moeten blijven houden, Oberon heeft een foute fascinatie voor tweelingen. Misschien moet ik weer eens gaan praten met Sand, ze heeft me wel eens iets verteld over hoe Oberon omging met het feit dat zij en Delwin een tweeling zijn. Indertijd hoorde ik het aan met een geschokte verbazing, meer niet. Ik had jou immers nog niet eens ontmoet en was nog helemaal niet bezig met kinderen.
Zou het kunnen dat Oberon al iets met ze uitgehaald heeft terwijl ze nog in mijn buik zaten? Is daar misschien achter te komen? Met Randal en mij is er zeker geklooid. Fijne familie heb ik! Hoe vaak heb jij je moeten bedenken voordat je me vroeg?


Ondanks mijn vermoeidheid wilde ik toch nog iets zien. Iets zeker weten. Was de dood van mijn tante Lenore nu een ongeluk geweest of moord? We daalden aan aantal treden af om de volgende deur open te doen.
Ik stond op een klif in het halfdonker. Het was snertweer, zoals te verwachten was. Voor me uit zag ik een drietal mensen die een conflict hadden. Toen ik de vrouw zag kreeg ik een schok. Mijn moeder had me verteld dat Bryana wat op haar leek, nu zag ik het met eigen ogen. Ik wil niet zeggen dat de gelijkenis treffend was, maar wel duidelijk aanwezig.
Lenore werd vastgehouden door een tweetal mannen. Een derde, gekleed in een net pak en een hoedje op, was haar aan het ondervragen. Helaas stond hij met de rug naar me toe en kon ik zijn gezicht niet zien, maar ik had het idee dat het om een geheim agent ging.
“Vertel op, waar heb je het gelaten! We zullen je leven sparen als je het ons verteld.”
Lenore spuugde hem in zijn gezicht en probeerde zich los te worstelen. Ze was sterk genoeg, de twee mannen hadden moeite om haar vast te blijven houden. Met een laatste ruk was ze vrij, stapte mis en stortte van de klif af.
Ik was verbijsterd, het is niet te omschrijven wat het is om alleen maar toeschouwer te kunnen zijn en niet in te kunnen grijpen. Zojuist had ik de dood van mijn tante aanschouwd. Dood door schuld. Niet vermoord. Maar één ding was zeker: ze was allesbehalve dronken geweest.
De mannen keken naar beneden waar het lijk van Lenore gebroken op een rots lag.
“Oh,” was hun reactie, ze haalden de schouders op en liepen naar een zwarte trap die naar boven leidde.
Ik bleef nog een tijd langer staan kijken, verbijsterd en getroffen. Waar waren ze naar op zoek geweest? En waarom had Lenore dat de moeite waard gevonden om er niets over te zeggen?
Een geheime organisatie die achter Lenore aan zat. Ik wist dat er familieleden en Chaosieten genoeg waren die een dergelijke organisatie hadden, ook dat mijn geboorteschaduw erg interessant altijd was gebleken voor Amberieten.

Nu zit ik met een dilemma, mijn liefste. Wat ga ik eerder uitzoeken? Hoe het mijn familieleden van mijn moeders kant is vergaan of uitzoeken waar Lorrayne is gebleven? Eigenlijk is de keuze niet echt moeilijk. Lorrayne is nu voor lange tijd al weg, mogelijk heeft ze daar zelf voor gekozen. Ik denk dat ik bij het begin moet beginnen. De familietombe, het huis in Brighton. Ik wil weten wat er is gebeurd met de nazaten van Lorrayne en Herbert en waarom. Wie weet krijg ik dan ook inzicht rondom de reden van het verdwijnen van Lorrayne. Ik weet waar ze naar toe gegaan is, maar niet waarom.
Eigenlijk weet ik helemaal niet waar ze naartoe gegaan is, alleen welke richting ze heeft genomen.


Het was genoeg geweest en ik liet me naar boven leiden waar bijna iedereen al stond te wachten. Terwijl de anderen opgewekt met elkaar aan het praten waren en om hun ervaringen heen draaiden, groeide mijn bezorgdheid. Mandor had er al lang kunnen zijn. Toen ik daar iets over zei, werd mijn vrees weggewuifd als onbelangrijk.
“Mandor heeft wel vaker iets aparts,” meende Martin zelfs te moeten zeggen. “Die zit vast ergens buiten.”
Dat kon natuurlijk, maar het was niet logisch. Of hij zou er een heel goede reden voor moeten hebben die ik niet zag. Troeven werkten hier niet en ook de magie van de ringen niet, wat niet zo best was voor mijn gemoedsrust.
Ik probeerde er niet aan toe te geven en af te wachten. Maar mijn gevoel bleef me zeggen dat er iets mis was en ik wilde de trap opnieuw afdalen. Dat ging niet. Daarop eiste ik van Fiona dat ze die spiegel weer tevoorschijn zou halen zodat ik de Wachtster kon spreken. Fiona vond me duidelijk overbezorgd, maar deed uiteindelijk toch wat ik vroeg.
“Waar is Mandor?” vroeg ik meteen toen de Wachtster verscheen, er niet aan denkend dat het een ‘Hoe of Wat’ vraag zou moeten zijn.
De Wachtster gaf echter gewoon antwoord.
“Ik heb hem buiten gezet op zijn eigen verzoek,” zei ze.
“Zie je wel!” riep Martin triomfantelijk.
Zonder iets te zeggen rende ik meteen naar buiten, gevolgd door de anderen. Mandor was er niet. Aan de omgeving was te zien dat er iemand met geweld door een stuk jungle heen was gedenderd, een spoor dat goed te volgen was. Bij een kaler stuk voelde ik de overduidelijke aanwezigheid van recent Logrusgebruik, Mandor was weg. Ik voelde dat hij vreselijke pijn had, de ringen werkten weer. Zijn Troef werkte ook, maar deze werd geblokkeerd. Ik was zowat in alle staten, terwijl de anderen bleven zeggen dat er niets aan de hand kon zijn, Mandor was heel goed in staat om zichzelf te redden. Ergens wist ik dat dit waar was, maar de anderen voelden niet wat ik voelde.
“Laat mij eens proberen,” zei Fiona die blijkbaar een beetje medelijden kreeg en stak haar hand uit om de Troef van Mandor aan te pakken. Met een lichte aarzeling gaf ik haar deze aan. Ze staarde er verbaasd naar en riep Ronardo erbij om de Troef te bekijken.
“Deze is heel bijzonder,” zei ze tegen hem. “Zie je dat? Er zijn een aantal enscrypties verwerkt in deze Troef waardoor het onder andere onmogelijk is deze af te luisteren. Dat heb ik nog niet eerder gezien.”
“Zou je hem kunnen troeven in plaats van de Troef te ontleden?” vroeg ik geërgerd.
Fiona glimlachte, concentreerde zich en gaf even later de Troef aan me terug terwijl ze haar hoofd schudde.
“Niet doorheen te komen, hij blokkeert de Troef zelf,” zei ze. “Rustig afwachten dus.”
Mooi gezegd. Ondertussen voelde ik de pijn heftiger worden en uitbreiden. Waar Mandor ook was, er was iets goed mis Ondertussen had Rhexenor zichzelf veranderd in een draakachtig ding wat me de rillingen gaf. Ook de anderen in het gezelschap waren niet erg blij met deze actie van Rhexenor, zeker mijn vader vond het helemaal niets.
Gelukkig was Rhexenor al vrij snel weer zichzelf, hij had geprobeerd om te zoeken op die manier, verklaarde hij. Ik vond dat echt aardig van hem, zonder te vragen had hij geprobeerd om te helpen. Niet dat het veel zin had gehad, er zat iets ‘smerigs’ in de weg dat zijn onderzoek in de weg zat. Mandor was hier geweest en abrupt weggegaan.
“Hij heeft zichzelf verplaatst met Logrus,” zei ik, een nieuwe steek van pijn voelend en trachtend om wat steun naar mijn echtgenoot te sturen. Ik dacht snel na. Afwachten was een optie, maar als dit zo door zou gaan, zou Mandor ergens ver weg mogelijk onderuit gaan en dan werd het alleen maar moeilijker om iets voor hem te kunnen doen. Het enige dat ik kon verzinnen was om me te verplaatsen via Patroon om bij hem te komen en hopelijk te kunnen helpen. Met een paar woorden legde ik aan de anderen uit wat ik zou gaan doen.
“Misschien bemoei je je ergens mee, waarvan hij niet wil dat je je ermee bemoeit,” zei mijn vader voorzichtig.
“Ik kan ook niets doen,” snauwde ik. “En hem dood laten gaan. Wie zegt dat hij dadelijk nog in staat is om te troeven? Hij is er echt heel slecht aan toe!”
Terwijl ik bezig was het Patroon naar me toe te halen, werd ik getroefd door Mandor. Het was heel dringend. Door het opgeroepen Patroon was ik niet in staat om de Troef aan te nemen, dus ik deed mijn best om het zo snel mogelijk weer weg te werken, wat op het nippertje lukte. Mandor was aan het rennen, zat onder het bloed en in zijn armen had hij een slappe, roodharige vrouw.
“Haal me door!” riep hij, wat ik onmiddellijk deed. Hij werd gevolgd door een aantal wezens waarvan er drie door de Troef heen wisten te komen.
Mandor zakte meteen bewusteloos in elkaar, de vrouw die hij had meegenomen en waarin ik de typerende Sawall trekken onmiddellijk herkende, was dat al. Ik onderzocht mijn echtgenoot, me vaag bewust van het gevecht achter me. Julian die, met wat hulp van Rhexenor, de hondachtige demonen voor zijn rekening nam.
Mandor had hele diepe wonden en bloedde hevig. Ik liet hem voorzichtig op de grond zakken en zocht in mijn deck naar de Troef van het Regency. Toen ik deze gevonden had, pakte ik zowel Mandor als zijn zus beet en keek mijn vader aan die zijn zwaard weg stak en wilde komen helpen.
“Hij is te zwaar gewond,” zei ik. “Ik ga nu met ze naar het ziekenhuis. Zou jij voor de lynx willen zorgen?”
Hij knikte slechts en ik troefde weg met de twee lichamen.

De lynx kwam gewoon met me mee. Niks ervan dat ik haar bij een ander zou laten, ze hoort bij mij en dat is voor haar vanzelfsprekend.
In het ziekenhuis werden jullie ieder op een brancard gelegd en elk een andere richting uit gereden. Ik heb wat met onze VIP patiëntenkaart gewapperd en gezegd dat we ook voor je zus zouden betalen. Ook heb ik moeten bewijzen dat ik een volleerd chirurg ben, anders had ik niet mee gemogen de operatiekamer in. De lynx begreep wel dat ze buiten moest wachten, wat ze ook gedaan heeft.
Ze zijn heel lang met je bezig geweest. Zeer veel hechtingen in steekwonden en in bijtwonden. De chirurgen waren verbaasd over het formaat van de verwondingen en nog meer over het feit dat je dit hebt overleefd. Op de antibiotica reageerde je slecht, alles bubbelde er gewoon weer uit. Ik heb ze moeten overtuigen om je geen andere antibiotica toe te dienen, ze gezegd dat je het wel zal redden. Ze vonden het maar niets. Ook niet dat ik de hele tijd bij je ben gebleven. Het kan me niet schelen wat ze denken.
Ook jouw zus ligt - ook op deze afdeling - in een eerste klas kamer. Ik ben zelf niet wezen kijken, ik denk dat jij daarbij moet zijn. Ze heeft niets, helemaal niets. Het is verbazend dat jij zowat bent leeggebloed aan al die verwondingen en zij heeft geen schrammetje. Ze is echter niet bijgekomen en de verwachtingen zijn erg somber. Ze ligt in een coma die ze niet begrijpen. Ik heb gezegd dat ze dat zo moeten laten en niet mogen gaan rommelen. Ze krijgt nu een paar keer per dag sondevoeding. Iets waar ze bij jou ook aan wilden beginnen, ik heb ze gevraagd om nog even te wachten. Zo nu en dan krijg je vocht toegediend, dat moet voldoende zijn.


Mandor bleef bewusteloos. Zijn verwondingen waren nu in ieder geval dicht en hij werd naar een grote ziekenhuiskamer gereden en daar op en ander bed overgeheveld. De lynx liep mee en ging in een hoek van de kamer zitten, ver van Mandor vandaan. Daarna liet de verpleging ons alleen. Ik nam een snelle douche en trok schone kleding aan die in de kast lag. Daarna troefde ik mijn vader die ergens in een herberg zat.
“Hoe is het?” vroeg hij onmiddellijk.
“We komen net uit de operatiekamer. Hij is bewusteloos, maar gaat het wel redden,” zei ik.
“Hmm,” zei hij met een scheve glimlach. “Moet ik hier nu teleurgesteld over zijn?”
“Doe maar niet. Ik wil hem graag nog lang bij me houden.”
Hij knikte en zuchtte.
“We zijn maar wat gaan eten,” zei hij met een wat schuldig gezicht. “Ik had geen idee hoe lang het zou gaan duren en wanneer je terug zou zijn. De lynx…”
“Die is met mij mee gegaan,” stelde ik hem gerust. “Ik blijf hier totdat Mandor naar huis kan, dus jullie hoeven niet op mij te wachten.”
“Goed. Wat zeiden de kinderen?”
“Die ga ik zo troeven,” zei ik. “Ze weten nog van niets.”
“Zo te horen kan het wel even duren voordat jullie weer terug zijn,” zei hij met een frons tussen zijn wenkbrauwen. “Troef ze maar niet, ik ga nu naar ze toe en zal een poosje bij ze blijven.”
“Dat stel ik heel erg op prijs,” zei ik opgelucht en verbrak de verbinding.

Daarnet ben je even bijgekomen! Je keek me aan en vroeg waar je was, daarna viel je meteen weer in slaap. De dokter die daarna kwam kijken was verwonderd over deze snelle ontwikkeling van zaken. Ik ben alleen maar blij en heb meteen naar huis getroefd om dit te vertellen. De opluchting van Owen’s gezicht was duidelijk af te lezen, hij zal het aan de anderen vertellen.

Misschien had ik ze even in het ongewisse moeten laten. Nu is er al een paar keer getroefd, de kinderen willen weer op bezoek komen. Ik heb ze gezegd even geduld te hebben, totdat jij weer een klein beetje op de been bent.


Eindelijk kwam Mandor weer helemaal bij. Hij had veel pijn en moest bij alles geholpen worden. De zustertjes wilden hem maar wat graag naar de badkamer helpen, ik zei hen dat ik dat zelf ook kon doen. Blijkbaar vonden ze dat niet zoals het hoorde, want enigszins verongelijkt verlieten ze de kamer. Ik begreep niet helemaal waar hun verontwaardiging uit voortkwam. Ik ben tenslotte met Mandor getrouwd en had hem al die tijd gezelschap gehouden. Dat ik hem nu moest helpen, maakte alleen dat ik me nuttig voelde, waarom zou ik dat overlaten aan een ander. Er kwam wel iets bij natuurlijk, ik had liever niet dat anderen hem bloot zouden zien.
In de badkamer hielp ik hem zijn kleren uit te trekken. Hij zag er verschrikkelijk uit, alsof hij tegen een overmacht had gevochten. Iedere beweging die hij maakte, deed hem zichtbaar pijn. Ik hielp hem met naar de wc gaan en onder de douche, daarna droogde ik hem voorzichtig af en hielp hem in een gemakkelijk zittende schone pyjama. Met een zucht van opluchting ging hij weer in het inmiddels verschoonde bed zitten en vroeg om eten.
Er werd pap en thee gebracht. Mandor keek er met een vies gezicht naar de pap.
“Is er niet iets anders?” vroeg hij. Ik rende onmiddellijk naar de zusterspost en vroeg om een steviger maaltijd.
“Dat kan niet, meneer moet rustig aan beginnen,” zei een verpleegster.
“Niet met pap,” zei ik beslist. “Breng maar wat sandwiches.”
Na een hoop gepraat over en weer besloten ze om iets minder vloeibaars te brengen. Dat bleken crackers te zijn met jam. Mandor at ze met tegenzin op en vroeg om echt voedsel. Iets waarvan hij echt aan zou sterken. Ik denk dat de verpleging die dag tamelijk gek van ons werd, want steeds weer wilde Mandor eten en vooral veel. Ze weigerden om hem iets stevigers te brengen dan gekookte aardappelen. Uiteindelijk liet ik voor mezelf maaltijden brengen en gaf deze aan Mandor. Hij sterkte zienderogen aan, zijn verwondingen begonnen dicht te trekken.
“Wat is er met mijn zus gebeurd?” vroeg hij ergens tussen twee maaltijden door. Hij lag op het kussen uit te rusten, mijn hand in de zijne geklemd. Ik vertelde het hem.
“Vreemd dat ze nog in coma is,” zei hij nadenkend. “Dat zou niet meer zo moeten zijn.”
“Ik heb geen idee waarom,” zei ik. “Ik ben nog niet gaan kijken, ik kan me voorstellen dat je liever zelf gaat.”
Hij kneep zachtjes in mijn hand en glimlachte.
“Ik wil graag samen met jou gaan kijken,” zei hij. “Maar ik voel me niet zo best, ik wil dat uitstellen tot morgen.”
“Hoe kwam je bij Sally terecht?” vroeg ik.
“Allereerst: ze heet geen Sally. Ik weet niet waarom Randal toen die naam heeft genoemd, maar er zijn meer dingen anders uitgepakt als dat hij toen zei. Ze heet Ariane.”
“Klinkt een stuk beter,” zei ik en dacht aan de glimps die ik van haar gezicht had opgevangen. “Die naam past meer bij haar.”
“Ik heb aan de Wachtster gevraagd om te mogen zien wat er met mijn zus was gebeurd. Jij zei tenslotte dat ze nog leefde toentertijd. Ik kreeg door wat ik zag een goed idee van waar ze was. Ik heb de Wachtster gevraagd om me meteen buiten te zetten, zodat ik haar locatie goed in gedachten kon houden. Vervolgens heb ik mezelf meteen daarheen begeven, er was geen tijd om je te waarschuwen. Ze was in een Schaduw in Chaos, waar ze was opgesloten, temidden van een heleboel demonen. Ik heb haar bevrijd, de rest weet je.”
“Ik miste je onmiddellijk,” zei ik. “De anderen vonden dat ik overdreef, maar ik wist gewoon dat er iets aan de hand was. Ik was al bezig om door middel van Patroon naar je toe te gaan, toen je me troefde. Ik had je daardoor bijna gemist. Het spijt me.”
Hij bracht mijn hand naar zijn mond en drukte er een vlinderlichte kus op.
“Ik ben blij dat je bij me bent,” zei hij.

Die nacht sliepen we samen, al was het niet bij elkaar in bed. Mijn bed stond tegen het zijne aan en ik kon hem in ieder geval aanraken of zijn hand vasthouden. We sliepen geen van beiden echt goed, hij had waarschijnlijk al genoeg geslapen de afgelopen dagen en ik leed altijd aan slapeloosheid. Het was prima zo, af en toe praatten we wat of streelden we elkaar.

De volgende dag schuifelde Mandor zelf het eindje naar de badkamer, maar wilde hij nog wel geholpen worden met het douchen en aankleden. Hij wilde ook weer gewone kleding aan, hij was niet van plan om overdag in pyjama rond te lopen. Gelukkig had ik ook een gemakkelijk zittende broek met bijpassend overhemd voor hem besteld. Na een stevig ontbijt gingen we kijken bij Ariane.
Ik bracht hem erheen in een rolstoel die ik op de gang parkeerde en met behulp van een paar krukken strompelde hij de kamer binnen. Ik liep achter hem aan, de lynx nam plaats in een hoek en ging daar liggen.
Ariane lag met gesloten ogen op bed, haar ademhaling was slechts oppervlakkig. We vroegen de aanwezige assistent de kamer te verlaten. Ze legde nog even uit dat ze een aantal scans hadden gedraaid, maar er nog steeds nier achter waren wat er met haar aan de hand was. Ze had absoluut zeker nergens verwondingen, dus daar kon het niet aan liggen.
Ik keek naar de vrouw. Rood haar, hetzelfde rood als mijn roodharige tante en ooms. Ik wist van wat ik eerder had gezien dat ze dezelfde grijze ogen zou hebben als Gramble. En ze was knap. Blijkbaar schuilt er waarheid in het gezegde dat ‘lelijke eendjes uitgroeien tot een knappe zwaan’. Van een zogenaamde koele schoonheid, iets wat ik direct herkende van onze oudste dochter. Mandor en ik keken elkaar aan.
“Ik heb geen flauw idee wat er met haar is,” bekende ik.
“Ik ook niet echt. Het lijkt iets met magie te maken te hebben, maar wat? Omdat het nog steeds werkt, lijkt het dat iemand er Macht in gestopt heeft. Ik denk dat we er een betere magiër bij moeten gaan halen.”
“Ik ken er maar twee die echt goed zijn,” zei ik.
Hij knikte en dacht even na.
“Dan toch beter mijn vader dan Despil,” zei hij met een zucht.
“In dit geval is dat ook een stuk passender,” vond ik. “Ze is tenslotte zijn dochter.”
Mandor pakte de Troef van zijn vader en begon zich te concentreren. Gramble stond vrijwel meteen in de kamer en keek met verwondering naar Ariane. Daarna keek hij minstens zo verbaasd naar Mandor.
“Je ziet er niet goed uit,” zei hij en klopte hem op de schouder. Vervolgens begroette hij mij met een kus op beide wangen. Mandor keek verstoord. Gramble zag toen pas de lynx in de hoek van de kamer, ergerde zich overduidelijk, iets dat Mandor weer deed glimlachen. Daarna legde hij kort uit aan zijn vader waar hij Ariane gevonden was en hoe het nu was met haar gezondheidstoestand. Gramble knikte kort, keek nog eens ontstemd naar de lynx, boog zich toen over zijn dochter en begon met zijn onderzoek. Op dat moment kwam er een dokter binnen.
“Nu even niet!” riepen we in koor.
De dokter keek verschrikt en haastte zich weg.

Verzamelen van Familie

Vrijwel iedereen was inmiddels aan de koffie of thee, behalve Rhexenor die maar bezig bleef met eten. Het zou me niets verwonderd hebben als hij de neiging moest onderdrukken om de schalen echt leeg te likken. Aan het hele gesprek had hij dan ook weinig toe te voegen, behalve dat hij nog eens benadrukte mee te willen helpen.
Voor alle duidelijkheid legde ik het plan nog eens uit.
“Er moet dus samengewerkt gaan worden tussen Chaosieten en Amberieten,” zei ik nogmaals met klem.
“De eerlijkheid gebied me te zeggen dat dit plan weinig kans van slagen heeft,” zei Bances. “Vooral omdat Amberieten niet te vertrouwen zijn.”
Ik ergerde me, dat was nogal een reden. Als iedereen er nu van tevoren van uit zou gaan dat het niet zou gaan werken vanwege dit soort wantrouwen, konden we beter ophouden voordat we maar zouden beginnen.
“Er zijn meer mensen die niet te vertrouwen zijn,” hoorde ik Mandor naast me zeggen en ik zag hoe hij de Amblerashes met een scherpe blik opnam. “Die zitten hier aan tafel bijvoorbeeld.”
Ik zag hoe Bances wit weg trok en ook zijn dochter en neef moesten even wat wegslikken. Mijn aanstaande had bepaald een reputatie opgebouwd, dankzij wat ik had gezien in die poel in Tir-na Nog’th wist ik nu dat dit niet onterecht was. Ik legde heel even een hand op zijn been, hij legde meteen zijn hand daarbovenop en gaf mijn hand een zacht kneepje. Dit gaf me de moed om verder te gaan, om door te zetten wat we begonnen waren.
“Ik weet dat er onderling nogal wat wantrouwen is,” zei ik. “Toch moet er zo snel mogelijk actie worden ondernomen die tegelijkertijd doeltreffend zal zijn. We vragen jullie medewerking om een groot overleg te kunnen organiseren op neutraal terrein, Elysium. Hierbij zal besproken wat de mogelijkheden zijn en hoe we zo optimaal mogelijk iets aan de situatie kunnen doen.”
“Ik zit anders niet te wachten op een heleboel Chaosieten in Elysium,” protesteerde Deirdre.
Ik onderdrukte de neiging om heel hard te gillen. Als dit gesprek al zo moeizaam verliep en als alle toezeggingen zo lang op zich zouden laten wachten, dan zou er straks helemaal niets ondernomen worden. Afgezien daarvan vond ik haar opmerking over Elysium niet erg gepast, het was net of zij er de baas van was. Waarom hadden wij het toegewezen gekregen als zij het eigenlijk onder controle wilde houden? Intussen voelde ik een aantal ritmische tikken in mijn onderbuik en begon ik me af te vragen of dit gewoon de beweginkjes van de tweeling zouden kunnen zijn. Het was niet voor het eerst dat ik het voelde, maar had het tot nog toe een beetje genegeerd. Met twee maanden leven voelen was immers erg vroeg, ook al ging het deze keer om twee kinderen en had ik de aanwezigheid van hun broers toch ook wel in een vroeg stadium gevoeld. Mandor keek me tersluiks aan en glimlachte.
“Het is genoeg als alleen de Hoofden en wat belangrijke leden van de Huizen aanwezig zijn,” zei Bances. “Er is niemand die zijn hele familie mee zal nemen. Ik weet alleen niet hoe het moet met het koningshuis, Gramble Sawall is immers gevangen genomen en er is nu niemand die Huis Sawall kan vertegenwoordigen.”
“Ik kan ons Huis in mijn vaders afwezigheid vertegenwoordigen,” zei Mandor afgemeten. Zowel Deirdre als Bances keken of ze het niet gepast vonden, maar ze durfden geen van beiden tegen Mandor in te gaan.
“Dus jullie zeggen je hulp toe?” vroeg ik nog maar eens.
Eindelijk, eindelijk knikten zowel Bances als Deirde, zij het nog steeds heel terughoudend.
“Vind je het wat als ik Iolanthe erbij haal?” vroeg Rhexenor plotseling. Het eten was nu echt op en voor even liet Anastasia hem met rust.
“Dat zou je kunnen doen,” zei ik nadenkend en negeerde de afkeurende blikken van de anderen. Iolanthe had ik nog maar enkele malen gezien en pas één keer echt gesproken. Een dame met een zekere reputatie. Iolanthe was volgens mij niet politiek geïnteresseerd en zou alleen daarom wel eens een heel waardevolle toevoeging kunnen zijn.
“Mooi,” zei mijn neef, opgewekt als immer. “Dan zal ik eerst dat leger van me in Elysium nog wat extra trainen.”
“Daar zou wel eens niet veel tijd voor kunnen zijn,” remde Deirdre zijn enthousiasme wat af.
“Oh, maar dat kan Morwenna regelen,” zei hij en keek me aan. “Jij bent immers goed met Patroon, als je nu even een snelle wereld voor me vindt waar ik ze kan trainen…”
“Ik zou een dergelijke Schaduw wel kunnen vinden,” legde ik hem rustig uit, “maar dat kost ook tijd. Ik weet namelijk zo geen Schaduw die echt veel sneller gaat.”
Hij keek een beetje beteuterd.
“Het zijn oorspronkelijk Benedicts legers,” zei Deirdre. “Ik denk niet dat ze extra training nodig hebben.”
Ik keek naar haar hoe ze erbij zat. Een beetje stijfjes, zo te zien voelde ze zich niet erg op haar gemak. Haar felblauwe ogen hielden iedereen in de gaten en intussen merkte ze niet eens dat ze in feite haar zoon een beetje het gras voor de voeten wegmaaide. Ik kon me voorstellen dat hij de manschappen van Benedict iets meer zijn eigen manschappen wilde maken.
“Je zou het eens aan een oom kunnen vragen,” adviseerde ik Rhexenor. “Die houden zich regelmatig bezig met legers, allicht dat ze ook dergelijke Schaduwen weten.”
“Ja, vraag het aan Corwin,” zei Deirdre een beetje afwezig.

Eindelijk was het tafelen klaar. Rhexenor zei dat hij wat dingen te doen had eerst, de rest van ons troefde naar de ingang van Elysium. Bances begon meteen in zijn Troevendeck te bladeren, Deirdre liep met Anastasia en Johnny door de mistingang naar binnen, waardoor ze het heel duidelijk maakte dat ze het oproepen van familieleden aan mij overliet. Ik liep met Mandor een eindje van Bances weg, tot we buiten gehoorsafstand waren.
“Ik heb daarstraks leven gevoeld,” vertelde ik hem. “Ik heb het eigenlijk al eerder gevoeld, ik voel de aanwezigheid van de baby’s altijd wel, maar ik weet nu zeker dat ik ze echt voel bewegen.”
Hij lachte en keek naar mijn buik.
“Dit is ook een moment om dat te zeggen, ik kan moeilijk hier gaan staan voelen,” zei hij zacht en wierp even een blik naar Bances die duidelijk in troefcontact was met iemand.
“Wat ik bedoel is dat het wat vroeg is om al beweging te voelen,” zei ik.
“Vast een actief stel,” was hij van mening. “Als we straks alleen zijn, zal ik dat zelf even onderzoeken.” Hij bekeek me van top tot teen. “In ieder geval is er aan jou met deze jurk aan echt niets te zien, ook niet voor degenen die het weten of vermoeden.”
Ik glimlachte naar hem, wat spijt voelend over het feit dat ik hem niet openlijk kon omhelzen. Hij glimlachte terug, een warme blik in zijn ijsblauwe ogen. Hij liep daarna een eindje verder om de rest van de benodigde voorraden overal vandaan te gaan halen. Ik zocht een goede plaats onder een tweetal bomen, niet te dicht bij Bances die nu iemand had doorgehaald die ik herkende als Belissa Minobee. Ik knikte vriendelijk tegen haar en haalde mijn deck tevoorschijn.
Met een aarzeling troefde ik eerst Ronardo. Hoewel ik niet wist wat er met hem aan de hand was en ook niet of hij te vertrouwen was, was hij wel één van degenen die erg goed met Dalt overweg kon en ik had bedacht dat het helemaal niet zo gek zou zijn als iemand met deze oom zou gaan praten om erachter te komen wat diens opzet was. Ik had al snel contact en Ronardo keek me vriendelijk aan. Ik merkte zo niets vreemd aan hem, alleen lachte hij net iets te onschuldig en vond ik ook de compleet zwarte achtergrond niet echt prettig aandoen.
“Ronardo, heb je tijd om door te komen?” vroeg ik. “We hebben hier een probleem en ik zou je iets willen vragen, maar niet over Troef.”
“Helaas,” zei hij, nog vriendelijker glimlachend. Ik huiverde onwillekeurig, het deed me een heel klein beetje denken aan hoe Brand zich altijd opstelde. Maar Ronardo is een volle neef van Brand, dus zo gek was het niet dat ze wat gelijkenissen vertoonden hield ik mezelf voor.
“Ik heb geen tijd om door te komen,” zei hij.
Ik voelde de neiging om meteen op te geven, bang als ik altijd ben om anderen tot last te zijn. Maar ik zette mezelf eroverheen en probeerde het nog eens.
“Het is erg dringend,” zei ik met klem.
Zij lach verdween, hij keek me alleen maar aan en veegde me toen letterlijk het contact uit. Het was iets dat ik nog nooit had meegemaakt en me zware hoofdpijn opleverde. Ik haalde een paar keer diep adem en liep wat heen en weer. Het hielp, de pijn zakte al snel weer weg. Ondertussen vroeg ik me af waarom Ronardo zich zo gedroeg. Hij mocht dan goed zijn met Troef, maar dat waren er meer. Mandor, Gramble, Deirdre, Eric… maar nog nooit hadden zij me op een dergelijk lompe manier behandeld.
Pas toen ik me weer helemaal goed voelde, troefde ik naar Corwin. Hij keek me lichtelijk verbaasd aan en grijnsde toen.
“Morwenna, jou had ik niet helemaal verwacht. Wat leuk! Alles goed?”
“Met mij wel,” zei ik. “Zou ik je door kunnen halen?”
“Jij altijd,” zei hij en stak een hand uit. Ik haalde hem door, in de hoop dat hij niet op de vaderdochter toer wilde gaan. Het viel alleszins mee, hij maakte een respectvolle buiging en gaf me een handkus.
“Mijn excuses, ik had niet zoveel tijd eerder, ik werd getroefd door een broer,” zei hij.
Ik keek hem verbaasd aan. Eerder? Ik kon me niet herinneren hem na de verloving nog gezien te hebben en daar leek hij niet erg gehaast te zijn.
“Op die Defiant,” legde hij uit. “Je weet wel, die ruimteslag.”
“Oh, heb je het daarover! Ik kan me niet herinneren dat ik jou daar gezien heb.”
“Nou ja, het was ook erg druk,” zei hij terwijl er een licht teleurgestelde trek op zijn gezicht verscheen.
Ik haastte me om het onderwerp te veranderen en vertelde hem wat er aan de hand was en dat er overleg zou komen.
“Ga je nu iedereen troeven?” Hij keek naar Bances die in gesprek was met Rolovians Jesby.
“Degenen aan de Amberkant alleen,” zei ik. “Het overleg vindt uiteraard plaats in Elysium, wegens de neutraliteit.”
“Heb je de gastenkamers geregeld?”
“Nee,” zei ik verward. “Het personeel weet dat er een flink aantal gasten komt en dat ze voor genoeg eten moeten zorgen, maar kamers?”
“Dat is heel gebruikelijk,” zei hij. “Je heb een algemeen overleg, maar ondertussen worden er ook een heleboel afspraken gemaakt onderling, willen mensen elkaar spreken in de wandelgangen of op een eigen kamer… het is belangrijk dat daar gelegenheid voor is.”
“Oh,” ik voelde me opnieuw het kleine kind dat nergens van wist. “Goed dat je het zegt, dan zal ik dat eerst maar in orde gaan maken.”
“Jij moet troeven,” zei hij vriendelijk. “Ik zou dat met die kamers kunnen gaan regelen.”
“Graag,” zei ik.
Hij knikte even, ook naar Bances en liep tegelijkertijd met Rolovians de mist in.
Rinaldo’s Troef lag onder die van Corwin en deze was de volgende die ik activeerde. Rinaldo, een grote knappe man met het rode haar en de groene ogen van Brand, maar met verder weinig uiterlijke gelijkenis, leek wat ongelukkig te zijn, al was zijn begroeting uiterst voorkomend en hij liet zich meteen doorhalen toen ik het vroeg. Hij omhelsde me, gaf me een paar zoenen op de wangen. Wat terughoudend gaf ik hem een zoen terug, na zoveel jaar had ik nog steeds moeite met het familiaire gedrag van een aantal familieleden.
“Hoe is het met jou?” vroeg ik.
“Ik heb problemen,” zei hij terwijl hij om zich heen keek. Bances had verderop een tweetal mensen doorgehaald die zo te oordelen naar de uniformen van Huis Helgram waren.
“En jij hebt die zo te zien ook,” concludeerde hij en keek me weer aan. “Dit is toch de ingang naar Elysium? Er moet iets aan de hand zijn als er zowel Chaosieten als Amberieten bij de toegang worden doorgehaald.”
“Er speelt inderdaad iets,” zei ik en vertelde hem over de coup in Chaos. “Ik weet dat Dalt een goede vriend van je is en zou het op prijs stellen als je met hem zou willen praten, misschien dat je erachter komt wat er aan de hand is.”
“Hmm, ik weet niet of ik dat wil doen,” aarzelde hij. “Dalt is een goede vriend van mij.”
“Dat weet ik. Ik vraag niet of je hem wilt gaan verraden of bespioneren, maar alleen of je met hem wilt praten.”
“Goed,” knikte hij. “Ik doe dat dan wel.” Hij liep een aantal meter van me vandaan terwijl hij zijn troevendeck pakte en er een kaart tussenuit haalde. Even later was hij verdwenen. Ik realiseerde me dat ik niet naar zijn problemen had gevraagd, vervuld als ik was van de mijne. Dat was een slechte zaak.
Mijn vader zei even later dat ze nog bezig waren met het onderzoek.
“Maar we lijken iets te hebben nu,” zei hij. “We kunnen hier nog niet weg, als je me later nog eens wilt troeven?”
“Dat is goed,” zei ik en verbrak het contact.
Naar de kaart van Benedict moest ik even zoeken, toen ik deze had gelokaliseerd troefde ik hem. Hij liet zich meteen doorhalen, ik lichtte hem in het kort over de huidige situatie in. Een prettige eigenschap van Benedict is dat hij altijd to the point is in dit soort zaken. Hij knikte slechts en zei dat hij wilde meedoen aan het overleg. Ik voelde een troefcontact, Rinaldo die vroeg om doorgehaald te worden. Hij begroette Benedict netjes en respectvol.
“Het is geen moeilijk verhaal,” zei hij. “Dalt is ingehuurd door die familie en wordt goed betaald. Dalt zegt dat deze lui erg meevallen voor Chaosieten, er zitten een paar hele aardige tussen, hij schijnt daar een vriendin opgedoken te hebben.”
“Ah, het gaat dus om een vrouw,” zei ik met een grijns. Rinaldo grinnikte ook. Benedict had als immer zijn serieuze gezicht.
“Verder moest ik zeggen,” zei Rinaldo met nog steeds een lach op zijn gezicht, “ dat Dalt het niet erg vond dat jullie dit wisten, dat als jullie zouden gaan aanvallen jullie dat zouden verliezen en dat het ernstige gevolgen zou hebben.”
“Ik dacht al zoiets,” knikte Benedict. “Het klinkt niet anders dan anders.”
“Dacht je dat van die vrouw ook?” vroeg ik verbaasd. Dalt kende ik nauwelijks, maar ik kon niet zeggen dat hij een vrouwenversierder was.
“Oh dat. Dat is natuurlijk flauwekul,” veegde hij het hele onderwerp weg.
Rinaldo grijnsde.
“Zeg, waar is die jaloerse minna… eh … echtgenoot… ik bedoel die verloofde van je eigenlijk?”
Benedict trok een wenkbrauw op, ik keek naar het groepje Chaosieten wat verderop. Waarschijnlijk hadden ze niets gehoord. Ik wees de richting uit waar Mandor nog steeds bezig was om voorraden te regelen. Rinaldo aarzelde wat.
“Ik denk dat ik hem later maar eens spreek,” zei hij toen beslist.
“Is Corwin er al?” vroeg Benedict.
“Corwin is al naar binnen, gastenkamers regelen enzo.”
“Dat is mooi. Ik moet hem even spreken over die geweren die hij ooit naar Amber bracht.”
Hij draaide zich om en beende weg. Rinaldo rende achter hem aan: “Ik ga wel even mee. Dat lijkt mij ook erg interessant.”
Bleys was de volgende van de familie die ik troefde. Hij was netjes, voorkomend, ik kreeg van hem een handkus. Hij was zelfs enthousiast dat ik hem voor deze bijeenkomst had getroefd.
“Geweldig, ik wil graag weer eens met Chaosieten praten,” zei hij en ging ook Elysium binnen.
Fiona kreeg ik niet te pakken, ik had het gevoel dat ze troefcontact met iemand anders had. Eric liet zich tot mijn verbazing doorhalen en wilde komen praten. Zijn eerste optreden in het openbaar zou in Elysium zijn. Vreemd idee.
Gérard was ook geïnteresseerd en even later gingen hij en Eric samen de mistpoort door. Ook Caine zelf kreeg ik niet bereikt, ik zag het gezicht van een dame die me vroeg iets in te spreken. Ik hield het bij het simpele: ‘kun je me even terugtroeven?’
Random verscheen naast me. Ik heb er een hekel aan wanneer mensen dat doen. Eric, Brand, Random… allemaal idioot goed met Troef op een disrespectvolle manier voor anderen.
“Er is een nieuw probleem,” kondigde hij aan nadat hij zich ervan verzekerd had dat er niemand meeluisterde.
“Wat dan?” vroeg ik zuchtend. Nog een probleem konden we eigenlijk niet gebruiken.
“Dyenne heeft me getroefd omdat de route van Antioch naar Amber afgesloten blijkt te zijn. Ik ben dat gaan onderzoeken en het komt erop neer dat Amber totaal geïsoleerd is nu van de Gouden Cirkellanden, alle poorten zijn afgesloten, op die van Kashfa na.”
“Random, dat is ontzettend vervelend!” zei ik. “Niet alleen voor stad Amber, maar we kunnen dat er even niet bij hebben nu.”
Hij knikte.
“Mijn idee. Het is het beste hier geen ruchtbaarheid even aan te geven tot dat met Chaos is opgelost. Zodra Deirdre of een paar anderen hiervan horen wordt dat als prioriteit gesteld.”
“Hoe weet je van het probleem in Chaos?” vroeg ik argwanend.
Hij grinnikte en ik had zo mijn vermoedens. Wie was dat ook alweer die zei dat hij Troeven afluisterde? Hoewel, ik had niets over Troef verteld. Of waren het zijn spionnen geweest die hem hadden ingelicht? Natuurlijk, dat moest het zijn.
“Rinaldo weet misschien meer van het probleem met die poorten is.” zei ik nadenkend. “Hij zei problemen te hebben, allicht dat hij je meer kan vertellen. Hij is in Elysium.”
“Prima, dan zoek ik hem op,” zei Random en liep naar binnen.
Merlijn was de volgende die ik troefde. Een contact dat razendsnel tot stand kwam.
“Haal me asjeblieft door!” riep hij en ik greep zijn uitgestoken hand. Hij zag er vreselijk verfomfaaid uit, zijn haar zat door de war, het leek of er op hem geschoten was, zijn kleding was gescheurd en hij plofte hijgend op het gras zodra hij er was.
“Wat ben ik blij dat je met troefde!” zei hij en stond meteen weer op.
“Problemen?” vroeg ik.
“En of! Wat is dit hier? Het stikt van de Chaosieten!”
“Overleg,” zei ik. “Je weet vast waarom.”
“Ik heb mijn vermoedens,” knikte hij. “Het lijkt heel lastig te zijn om bij de Logrus te komen, alsof dat extra afgeschermd is.”
“Ik begrijp dat je in het paleis was?”
“Klopt. Die ouwe gek kon ik er echter niet vinden.”
“Je bent de enige niet,” zei ik troostend. “Je zou naar Elysium kunnen gaan om je daar te fatsoeneren en even wat uit te rusten.”
“Ik denk dat ik dat maar doe,” zei hij en liep op een groepje mensen af dat bij Bances stond. Ze gingen even later allemaal de mistpoort door, inclusief Bances die blijkbaar iedereen van zijn kant al gehad had.
Ik dacht even na. Mandor die Gramble niet kon vinden, Merlijn die hem niet kon vinden… meer en meer begon ik me af te vragen of Gramble zich wel gevangen had laten nemen. Ik pakte zijn Troef en activeerde deze. Meteen keek hij me aan, zijn jonge zelf. Hij was dichtbij wist ik.
“Morwenna, wat leuk dat je me troeft,” zei hij met een brede lach.
“Je bent dus niet gevangen genomen en gemarteld,” concludeerde ik. “Dus we kunnen stoppen met ons zorgen te maken?”
“Deed je dat dan?” vroeg hij.
“Natuurlijk,” zei ik. “We hadden geen idee wat er met je gebeurd kon zijn. Mandor heeft naar je gezocht, Merlijn later ook. Er werd gezegd dat je gevangen was genomen.”
Hij grinnikte.
“Dat doet me echt goed,” zei hij. “Ontzettend lief van je dat je je zorgen maakt. Leuk, zo’n bezorgde schoondochter.”
“Heel gewoon,” zei ik lichtelijk opgelaten. “Ik begrijp dat je niet ver uit de buurt bent?”
“Mwah…” zei hij en keek om zich heen. De ruimte waar hij stond kwam me bekend voor, het leek een spreekkamer in Elysium te zijn. “Wat doen al die mensen eigenlijk hier?”
“Je bent dus in Elysium,” zei ik, half geamuseerd, half geërgerd. “Dat was toch afgesloten?”
“Ach,” grijnsde hij. “Tenslotte heb ik hier en daar wat geholpen dit op te bouwen. Niet erg moeilijk om binnen te komen en het is veilig.”
Ik zuchtte. Hoeveel meer mensen hadden gemakkelijk toegang tot Elysium omdat ze mee hadden geholpen op een bepaalde manier om het op te bouwen? Van Gramble vond ik het niet echt erg, al vroeg ik me af hoe Mandor dit zou vinden.
Ik vertelde mijn aanstaande schoonvader over het overleg. Hij keek nadenkend.
“Wat ga jij doen?” vroeg ik.
“Wat moet ik?” vroeg hij zich af. “Ik kan me schuilhouden en meekijken, het lijkt me sowieso erg interessant. Ik kan meedoen, maar men zal zich afvragen hoe de oude seniele koning wist te ontsnappen.”
“Je zou je rolstoel act kunnen opgeven,” zei ik. “Voor mijn part omdat je eindelijk een werkende verjongingskuur hebt weten te vinden.”
“Hmm,” zei hij peinzend. “Ik praat erover met jou, maar eigenlijk moet ik hier met Dara over praten.”
Ik begreep het. Blijkbaar had hij dit toneelstuk samen met Dara opgezet en kon hij nu niet eenzijdig een beslissing nemen in deze zaak.
“Dara is nog bezig met die opdracht,” zei ik.
“Hoever zijn ze daarmee?”
“Zo goed als klaar, ze waren nog wat aan het uitzoeken. De dame in kwestie hebben ze te pakken, maar haar computer moest nog gehackt worden en daar is een neef van mij mee bezig. Ik zal mijn vader zo weer troeven, ik kan dan aan Dara vragen of ze je opzoekt.”
Hij grinnikte weer, zijn grijze ogen twinkelden.
“Lijkt me een heel goed idee,” zei hij. “Het zal haar vast deugd doen als ze ziet dat ik zo ben opgeknapt.”
Ik glimlachte ook terwijl ik de verbinding verbrak. Gramble moest wel goed zijn met Troef als ik hem in Elysium zelfs kon bereiken. Waarom had hij dan zelf niet naar Dara getroefd?
Ik troefde mijn vader weer, die zei dat ze klaar waren. Ik haalde ze allemaal door, inclusief de honden die me begroetten alsof ze me al in lange tijd niet hadden gezien.
Mandor kwam naderbij met een kar die hij op de weg zette naar Elysium, William ging meteen naar hem toe om te helpen.
“Ik moet heel even met Mandor praten,” zei Julian en liep diens kant uit. Ik gaf de honden wat aandacht en beval ze toen afstand te nemen en de gebonden en geknevelde Xiah te blijven bewaken, iets wat me een boze blik van haar opleverde. Ik had daar geen vriendin gemaakt. De honden deden onmiddellijk wat ik zei, toch wel tot mijn verbazing. Martin stond er intussen een beetje bedremmeld bij, maar ik besteedde niet al te veel aandacht aan hem. Ik nam Dara bij de arm en liep met haar tot buiten gehoorsafstand van iedereen.
“Ik heb Gramble net gesproken,” zei ik.
“Wat! Die ouwe is gewoon bereikbaar?!” riep ze verontwaardigd.
“En ongedeerd,” grinnikte ik. “Hij is in Elysium.”
Haar mond viel open van verbazing.
“Hij wil je graag even spreken,” zei ik.
“Dan ga ik dat maar gauw doen, voordat hij weer allerlei gekke dingen gaat uithalen,” zei ze alsof ze het over een klein ondeugend kind had. Ik liep met haar mee naar de mistpoort en keek haar na. Julian kwam weer naar me toe en nam me bij de arm.
“We hebben in ieder geval wat gevonden,” zei hij terwijl we naar Martin toe liepen. Deze keek Julian met een chagrijnig gezicht aan.
“Dat was echt gore troep,” zei hij boos. “Echt smerig!”
“Je had iets nodig om te ontnuchteren,” zei mijn vader kort. “Anders zou je nooit achter dat password gekomen zijn.”
“Wat ben jij ontzettend saai,” voer Martin uit. “Jij en Mandor gunnen een ander niets. Ik mag toch wel eens feest vieren!”
“Sommige dingen zijn belangrijker dan feest vieren,” vond mijn vader.
“Ik ga wel even met Mandor praten,” zei Martin. “Eens kijken of hij al fatsoenlijk bier gevonden heeft.” Hij liep naar mijn verloofde toe.
“Bier heb je helemaal niet nodig!” riep mijn vader hem na en keerde zich naar mij.
“We hebben iets gevonden,” zei hij nog eens. “Een anti-gif, Martin heeft het bij zich.” Hij zuchtte. “Hij is alleen nu boos op mij vanwege dat ontnuchterende drankje.”
“Martin trekt wel bij,” wist ik en troefde naar Flora die enthousiast reageerde.
“Ik troef je zo, ik moet me eerst fatsoenlijk omkleden!” riep ze uit. Slechts enkele minuten later was het al zover en kon ik haar doorhalen. Zoals altijd stal ze de show, ze zag er perfect uit, mooi als altijd. William en Martin staarden haar ongegeneerd aan, zelfs mijn vader en Mandor keken heel even op. Dat laatste was niet best. Ook niet dat ik mijn lievelingstante dus als concurrente moest gaan beschouwen, dat zou een negatieve invloed gaan hebben op mijn relatie met haar. Ik wist dat ze dit gewoon expres deed en voelde mezelf verkillen.
Ik legde haar haastig uit wat er aan de hand was, ze werd steeds minder vrolijk, vooral toen ze erachter kwam dat ze als één van de laatsten getroefd was. Normaal zou ik me daarover schuldig hebben gevoeld, nu voelde ik iets van triomf. Ze had met haar gemanicuurde handjes van mijn verloofde af te blijven!
Ze verdween snel de mist in en ik troefde nogmaals naar Fiona. Ook al zo’n tante waar ik een wat vreemde relatie mee heb.
“Dat werd tijd,” zei ze scherp zodra ik haar in beeld had.
“We hebben een probleem…” begon ik, maar ze kapte me af.
“Ja, ik weet er alles van. En denk maar niet dat ik het waardeer dat jullie me helemaal niets hebben laten weten!”
“Ik heb je eerder getroefd,” verdedigde ik mezelf terwijl alweer die aloude verontwaardiging kwam opzetten. Dat effect had ze steeds op mij.
“Ja dat weet ik. Maar het kan wel eens voorkomen dat ik op dat moment een ander troefcontact heb,” zei ze fel. “Dat is ook niet wat ik bedoel: je had me moeten troeven toen het mis ging!”
Ik zuchtte, daar had je er weer zo eentje. Verder leek ze verschrikkelijk achter te lopen.
“Ik zou je door willen halen om even te praten over de situatie,” zei ik toch maar.
“Nu even niet Morwenna! Ik heb nog een zoon ergens die ik dringend moet spreken.”
Ze verbrak de verbinding abrupt, gelukkig liet het deze keer geen hoofdpijn na.
“Geen succes?” vroeg Julian.
Ik haalde mijn schouders op.
“Als vanouds. Ik werk op Fiona als een rode lap op een stier.”
Hij grinnikte even en ik haalde de troef van Coral tevoorschijn. Deze keek verheugd toen ik haar in beeld had.
“Je kunt me doorhalen,” zei ze zonder dat ik haar iets vertelde. Ik deed dat. Zodra ze er was, omhelsde ze me, pakte me bij de schouders en bekeek me van top tot teen. Ze had deze keer geen ooglapje en het juweel pulseerde rood in haar oogkas. Ik huiverde onwillekeurig, het kon nooit goed zijn om zo lang met dat ding rond te lopen.
“Neem me niet kwalijk dat ik je niet getroefd heb al die tijd, terwijl er zoveel gebeurd is. Wat ontzettend leuk voor jullie, ik ben wel zo blij voor jou en Mandor!”
Ik was verrast en zag hoe Julian zijn ogen ten hemel hief. Iets verderop stond Mandor met een frons tussen zijn wenkbrauwen toe te kijken terwijl William verbaasd van de één naar de ander keek. Martin keek ook op en trok toen Mandor opzij om iets te bespreken. Zo te zien had Mandor hem geen bier gegeven.
“Heb ik iets teveel gezegd?” zei Coral bedremmeld.
“Valt mee, er is nu toch bijna niemand en ongeveer de helft van de aanwezigen wist het al,” zei ik troostend.
“Ik zal maar eens een kijkje gaan nemen op jullie nieuwe landgoed,” zei ze haastig en liep naar de mistpoort. William haastte zich achter haar aan.
“Ik ga ook maar naar binnen,” zei Julian. Samen liepen we naar Mandor en Martin.
“Ik neem Xiah vast mee, de honden kunnen haar nog wel even bewaken,” zei mijn vader tegen Mandor die knikte. “En zal meteen wat mensen sturen om die karren op te halen.”
Hij liep naar Xiah toe, trok haar achter zich aan met zich mee de mist in, terwijl de honden hem op de voet volgden.
“Heb jij nog wat mensen getroefd?” vroeg ik aan Mandor. “Zoals bijvoorbeeld Jurt en Despil?”
“Ik heb bijna niemand getroefd,” zei hij. “Ik heb me bezig gehouden met de voorraden, nu is er genoeg voor Elysium. Het was erg moeilijk om voedsel binnen Amber te vinden overigens, dus ik heb verder moeten zoeken. Dit is toch al niet de beste plaats voor mijn Logrusgebruik, ik heb gedeeltelijk gebruik gemaakt van Troef. Maar Despil en Jurt heb ik wel gezien, ze zullen door Bances zijn getroefd.”
“Mooi,” zei ik. “Dan zijn we bijna klaar. Ik zou nog wachten op Rhexenor en Fiona zal misschien nog terug troeven.”
“Ik heb iets voor je,” zei Martin, opgewekter nu Julian door de mistpoort was verdwenen. Hij overhandigde me een reageerbuisje met daarin een oranjegekleurde vloeistof. Ik keek er bedenkelijk naar.
“Dat moet het zijn,” zei Martin. “Je vader en je aanstaande schoonmoeder zeggen dat dit het is.”
“Wat is het precies?” vroeg ik.
“Je hebt een eerste component van een gif in je,” legde hij uit. “Dat wordt hiermee geneutraliseerd. Het tweede component gif zal dan niets meer kunnen uitrichten.”
Ik aarzelde. Moest ik dit nu zomaar opdrinken?
“Heeft het geen bijwerkingen?”
“Je hoeft het niet op te drinken,” zei Martin die meteen weer humeurig werd. “Je kunt het ook aan de honden van je vader straks geven.”
Ik keek weifelend naar Mandor die ietwat bezorgd terugkeek. Ik moest een beslissing nemen en kon alleen maar hopen dat het de goede was. Ik dronk de inhoud in één keer op. Het smaakte een beetje naar sinaasappel en ik voelde niets, behalve dat het kind links, het jochie, een soort buiteling maakte.
Ik gaf Martin het buisje weer terug terwijl ik hem bedankte voor de moeite.
“Graag gedaan,” zei hij.
Er kwamen een aantal wachters naar buiten die de karren mee namen. Martin volgde. Ronardo verscheen voor me. Niet echt, niet door middel van Troef, maar het was iets anders.
Er was verder niets bijzonders aan hem te zien, behalve die vreemde lach dan…
“Je kunt me nu doorhalen,” zei hij. Ik trok hem naar ons toe, hij keek om zich heen voordat hij Mandor begroette, die hem nadenkend aankeek.
“Alles goed?” vroeg hij.
“Natuurlijk, het kan niet beter,” zei Ronardo en lachte weer uiterst vriendelijk. Te vriendelijk.
Ik legde hem uit waarom ik hem had getroefd, maar dat er inmiddels al met Dalt gesproken was.
“Maar als je mee wilt doen aan het overleg en wilt helpen om deze zaak op te lossen, dan graag,” zei ik.
“Dat is goed, het lijkt me heel interessant,” zei hij.
“Heb je je moeder nog gesproken?” vroeg ik. “Ze was naar je op zoek.”
Op dat moment zag ik aan zijn houding dat hij troefcontact had en was even later verdwenen.
“Dat was vast zijn moeder,” zei Mandor met een glimlach. Ik had geen tijd om hem te antwoorden, er was ternauwernood een getintel in mij hoofd waarneembaar, ik wist dat het Rhexenor moest zijn.
“Morwenna!” riep mijn neef enthousiast. “Je weet dat er een probleem is met de voedselaanvoer naar Amber?”
“Ja, dat weet ik. Ik zou het op prijs stellen als je daarover nog even niets tegen de familie zegt.”
“Waarom niet? Het is echt een groot probleem!”
“Dat weet ik. Als je even doorkomt, dan kunnen we erover praten.”
“Dat gaat niet, want ik kom niet direct op deze plaats terug. Ik sta in een pakhuis vol voedsel, genoeg om Amber te voorzien van eten voor een poosje, maar jij moet het even aanpakken.”
“Door Troef?” vroeg ik ontzet. “Dat zal niet gaan. Je hebt óf een hele goede troefartiest nodig óf een Logrusgebruiker. Ik zal met Mandor overleggen.”
Ik verbrak de verbinding en vertelde Mandor wat er aan de hand was.
“Een heel pakhuis? Naar hier?” Ik zag ineens dat hij er wat vermoeid uitzag, het regelen van de voorraden voor Elysium had hem al heel veel kracht gekost.
“Ik kan proberen of iemand anders kan helpen,” stelde ik voor.
Hij glimlachte en gaf me een snelle kus.
“Niet nodig, ik zal kijken wat ik kan doen.” Hij bladerde door zijn troevendeck en haalde er een Troef van Rhexenor uit, een andere dan die in het standaard deck van Amber zat. Hij concentreerde zich even en verdween.
Niet veel later kon ik hem opnieuw doorhalen.
“Het is nogal veel,” legde hij uit. “Alles wordt daar nu op karren geladen en Rhexenor is gaan regelen dat alles straks hier wordt opgehaald. Ik krijg die hoeveelheid niet voor elkaar met Troef, dus ik zal het echt met Logrus moeten gaan doorhalen. Dat doe ik niet hier, maar in Elysium.”
“Daar was gebruik van Logrus en Patroon toch niet mogelijk?” zei ik verbaasd.
“Voor anderen inderdaad niet,” grijnsde hij. “Maar wel voor jou en mij. Wij zijn ook de enigen die daar fatsoenlijk naartoe en vandaan kunnen troeven.”
“Oh, vandaar dat ik gewoon met je vader kon praten.”
“Mijn vader?” vroeg hij verbaasd.
“Ik heb hem gesproken, hij is in Elysium.”
“Die ouwe gluiperd. Ik maar naar hem zoeken en hij duikt doodleuk onder op ons landgoed.”
Ik voelde dat Rhexenor opnieuw contact zocht en haalde hem door. Ik vertelde hem waarom ik liever had dat hij het poorten probleem nog even voor zich hield.
“Ik denk dat ik kan beginnen om die voorraden hierheen te gaan halen,” zei Mandor en wandelde Elysium in.
“Heb je Iolanthe al getroefd?” vroeg ik aan Rhexenor. Op dat moment voelde ik een sterk troefcontact doorkomen. Dat bleek Fiona te zijn.
“Haal ons maar even door. We komen helpen,” zei ze en ik haalde haar en Ronardo door. De laatste had een triomfantelijke grijns op zijn gezicht, alweer was de gelijkenis met Brand treffend. Ik wees ze de poort en zei ze naar het kasteel te wandelen, waar voor ze gezorgd zou worden. Ook zij gingen door de poort van mist.
Rhexenor had inmiddels Iolanthe doorgehaald en ik hoorde dat hij haar bijpraatte. Ze knikte, kwam naar me toe en begroette me vriendelijk.
“Hoe is het eigenlijk met Dyenne en de baby?” vroeg ze aan Rhexenor.
“Heel goed. Over vier maanden wordt ze al één jaar,” zei hij trots.
“Ja, dat gaat heel hard, die kindertijd is zo voorbij.”
“Ach, zo snel zijn ze niet volwassen,” dacht Rhexenor.
“Nee, mannen inderdaad niet,” zei Iolanthe. “Maar snel gaat het wel degelijk. Moet jij niet naar je legers, Rhexenor?”
“Huh?”
“Je legers,” zei ik, begrijpend dat Iolanthe me even alleen wilde spreken. “Die in Elysium, je wilde daar toch nog iets mee doen?”
“Oh ja,” herinnerde hij zich en liep ook de mistpoort door.
Iolanthe nam me scherp op met haar katachtige ogen en glimlachte toen.
“Gefeliciteerd,” zei ze. “Leuk, ik neem aan dat het jullie bedoeling was tenminste?”
“Als je bedoeld of de zwangerschap gewenst is, dat is zo,” antwoordde ik.
Ze bekeek me weer nauwkeurig.
“Voel je je goed?”
“Uitstekend zelfs.”
Ze knikte en keek nog eens aandachtig.
“Er is iets mee…” zei ze toen.
“Het zijn er twee,” zei ik trots. “Ik ben nu een maand of twee zwanger.”
Ze schudde haar hoofd.
“Je bent veel verder. Eerder een maand of drieëneenhalf of vier.”
Ik staarde haar ontzet aan.
“Dat kan helemaal niet,” protesteerde ik. “Ik heb een dag of tien geleden een scan laten doen, toen was het zeven weken.”
“Ik weet het zeker,” zei ze. “Maar is er zo niets aan je te zien hoor.”
“Het verklaart wel waarom ik al zo snel mijn kleding niet goed meer dicht kreeg. En dat ik ze voel bewegen. Maar in tien dagen tijd kunnen die kinderen toch niet zo explosief groeien?”
“Het is een bijzondere zwangerschap,” zei ze. “Waar zijn ze verwekt?”
“In Tir-na Nog’th.”
“Dat zou de verklaring wel eens kunnen zijn,” dacht ze. “Het zullen bijzondere kinderen zijn en dan nog een tweeling ook. In jouw familie zijn er een paar ooms en tantes die een ongezonde interesse zullen hebben in hen.”
Ik schrok niet echt van deze opmerking, het was iets dat ik eigenlijk al wist. Sand had me ooit gezegd dat Oberon gebiologeerd was door het feit dat zij en Delwin een tweeling waren, dat hij zelfs probeerde dat ze met elkaar seks zouden hebben. En ik wist dat er meer zo waren.
“We zullen ze moeten beschermen tegen hen,” zei ik en legde onwillekeurig even een hand op mijn buik. Beide kinderen bewogen zich onmiddellijk naar die hand toe.
“Hoe is het met jullie andere kinderen?” vroeg Iolanthe. “Hoe oud zijn ze inmiddels?”
“Het gaat goed, ze zijn nu twee,” antwoordde ik.
“Mooi zo. Heb je al eens gedacht over de Feniks?”
Wat was dit nu weer. Was het een retorische vraag of was ze serieus?
“Wel eens over gedacht. Maar niet om als Macht te hebben ofzo.”
“Jammer. Je zou uiterst geschikt zijn.”
“Helemaal niet. Ik heb niets met leven. Ik bedoel, ik zou daar niet voor ten strijde trekken.”
“Dat zou ik zo niet zeggen. Jij met al je dieren. Je vader zou misschien ook geschikt zijn.”
“Ik denk niet dat het iets voor mij is, waarschijnlijk ook niet voor hem. Ik hou me liever bij Patroon.”
“Nou ja, misschien één van je kinderen later,” zei ze hoopvol. “Wanneer gaan jullie trouwen?”
“Het is weer uitgesteld.”
“Niet handig in jullie geval. Waarom trouwen jullie niet stiekem in een Schaduw ergens?”
“Vanwege de veiligheid voor onze kinderen is het waarschijnlijk het beste om dat openlijk te doen, zodat het huwelijk ook door iedereen erkend wordt als zijnde geldig.”
Ze schudde haar hoofd.
“Dat is gewoon Mandor,” zei ze. “Hij is vreselijk formeel. Een huwelijk in het openbaar en jullie maar wachten tot het iedereen eens uitkomt. Je weet dat er mensen zijn die hem een droogkloot noemen?”
“Is bekend,” zei ik kortaf. “Hij is dat niet.” En wat dat huwelijk in het openbaar betrof was ik het met hem eens, maar dat zei ik niet.
Iolanthe lachte alleen even.
“Is Benedict er eigenlijk ook?” vroeg ze toen.
“Daarbinnen.”
“Mooi, ik ga eens even kijken of hij iets van zijn stoïcijnse houding kan loslaten. Ik zou ook wel een kind van hem willen, maar hij wil niet.”
“Lastige situatie,” zei ik.
“Ik ben wel eens met hem naar bed geweest, maar hij is nogal teleurgesteld in zijn kinderen. Ik dacht eerst dat hij een grapje maakte toen hij zei dat zijn dochter een tank was. Maar hij bleek bloedserieus.”
“Dat verhaal klopt inderdaad,” vertelde ik. “Ik ben het ook een poosje geweest uit noodzaak, maar zij vond het geweldig en is gebleven. Rhexenor is trouwens ook vrij lang tank geweest.”
“Idioot,” was haar mening.
Ondertussen liepen we naar binnen Elysium in. Op de weg stonden een groot aantal wagens klaar, Mandor zag er heel moe uit. Rhexenor had hem geholpen om de karren op een rij te zetten en deze liep samen met Iolanthe naar het kasteel, terwijl ik me naast Mandor in het gras liet zakken terwijl we de komst van de wachters afwachtten die de karren zouden komen ophalen.
Ik merkte de aanwezigheid van Fillipien op, ze zat op de tak van een boom naar me te kijken.
‘Leuk je hier te zien,’ vertelde ik haar in gedachten.
‘Ik merkte dat je hier was. Boudicca en de anderen zijn nog in Arden. Het is hier ontzettend druk.’
‘Problemen en een bijeenkomst. Kun jij nagaan of we hier kunnen worden afgeluisterd of bekeken?’
Ze fladderde op en vloog even rond. Toen landde ze op mijn uitgestoken arm, Mandor ging een eind opzij zitten.
‘Iedereen is in het kasteel. Jullie zijn niet zichtbaar of hoorbaar voor anderen. Aan de andere kant naderen er een aantal personen, wachters zo te zien.’
‘Dank je. Kun je me waarschuwen als ze bij de poort zijn of als er iemand anders onze richting opkomt?’

Ze wreef met haar kopje tegen mijn wang, vloog weer op en ging op een boomstronk zitten die aan weerskanten van de weg stonden.
Ik keek Mandor aan.
“Op dit moment is er niemand die op ons let. Dus als je je zoon en dochter wilt voelen bewegen?”
Hij keek me lichtelijk geschokt aan en ik begon te lachen.
“Kom op Mandor, we zijn hier alleen en ik vraag je niet of je de liefde met me wilt bedrijven.”
“Dat zou helemaal ongepast zijn,” zei hij met toch een twinkeling in zijn ogen. “Het voelt een beetje aan alsof we hier in de openbaarheid zitten, het kan zijn dat men zich nu al afvraagt waarom wij tweeën er nog niet zijn.”
“Dat is dan maar zo,” was ik het met hem eens. “We hebben echter niet heel veel tijd. Het is of nu of nog minstens een aantal uren wachten tot na die bijeenkomst.”
Hij glimlachte, ik ging bij hem op schoot zitten, hij schoof een hand onder mijn rok en legde deze op mijn buik. De tweeling reageerde onmiddellijk enthousiast op de aanraking.
“Het is één en al armen en benen,” zei Mandor lachend en verschoof zijn hand iets, de kinderen volgden. Ik vertelde hem over wat Iolanthe had gezegd over deze zwangerschap.
“Als het net zo gaat als met Randal, zal ook deze zwangerschap als het ware schoksgewijs gaan wat groei betreft. Het is nu niet zichtbaar, maar dat kan over enkele dagen misschien wel het geval zijn omdat die kinderen zo snel groeien. Het kan ook zijn dat het dan juist even rustig aan gaat. Het komt er in ieder geval op neer dat ik geen idee heb wanneer ze geboren zullen worden, maar deze zwangerschap zal geen negen maanden duren.”
“Tweelingzwangerschappen zijn meestal al wat korter,” zei hij. “En deze dus nog wat meer. Ik vind het geen probleem, al zal het betekenen dat jij je al heel snel niet meer in de openbaarheid kan begeven, zeker niet zolang we niet getrouwd zijn.”
Fillipien liet me weten dat de wachters bijna bij de poort waren en ik zei dat tegen Mandor. Hij trok zijn hand weer terug, ik stond op en fatsoeneerde mezelf, hij deed hetzelfde. Intussen vertelde ik hem snel dat dit bijzondere kinderen zouden zijn en dat er in mijn familie mensen zouden zijn die een ongezonde belangstelling voor hen zouden hebben. Hij keek grimmig.
“Al onze kinderen zijn bijzonder,” zei hij. “Ik ben bang dat die ongezonde belangstelling ook Owen en Randal betreft, daar hebben we al iets van gemerkt zelfs.”
Er kwamen aan aantal wachters door de poort. Mandor gaf hen aanwijzingen en ik wilde weer naar buiten lopen. Mandor hield me tegen.
“Wat ga je doen?” vroeg hij.
“Ik ben vergeten om Julia te troeven.”
“Dat kun je gewoon hier doen,” zei hij grijnzend. “Ik zei je toch dat we van hieruit kunnen troeven.”
“Ik stond daar even niet bij stil,” zei ik en haalde de kaart van Julia tevoorschijn.

Een politieke verloving en een duel

Die avond ging ik vroeg naar mijn slaapkamer. Het rondsjouwen in de stad was vermoeiend geweest, maar ook wilde ik nog wat verder aan het huwelijkscadeau werken. In de stad had ik een stuk donkergrijs kalfsleer gekocht dat de omslag zou gaan worden. Niet eens vreselijk duur, zeker niet uitheems. Maar het had de goede kleur, de goede structuur en precies de juiste stevigheid. Op de voorkant wilde ik een soort reliëfdruk gaan maken, maar ik was er nog niet helemaal uit wat dat precies zou moeten worden. Ik dacht nog het meest in de richting van silhouetten, de achterkant van een man en een vrouw die elkaar bij de hand hielden. En natuurlijk zou het nog op maat gemaakt moeten worden en de bladzijden gebonden. Dat alles was met Conjuration op te lossen.
Mijn enige probleem was eigenlijk dat er ineens nog maar zo weinig tijd was. Toen ik begon met het boek, had ik niet gedacht dat ons huwelijk al binnen enkele weken zou zijn, op dat moment leek alles nog heel ver weg. Maar het boek behoefde niet af te zijn, een boek was eigenlijk nooit af. Toch zou het leuk zijn als er toch een bepaalde hoeveelheid aan werk in zou zitten. Uiteraard zou een snel draaiende Schaduw een fantastische oplossing zijn geweest, ware het niet dat ik beter even niet in een snellere tijd kon verblijven.
Bij het denken aan Schaduw, kwam ik meteen op het volgende onderwerp voor het boek. Iets wat ik van tevoren helemaal niet had ingepland, maar toch heel goed paste. Want Schaduw… er was zoveel te doen met dat onderwerp. Voor ik het wist had ik een aantal bladzijden volgeschreven over Schaduwmensen, die niet alleen worden gezien als entiteit, maar ook als demonen.
Uiteindelijk was het toch nog laat voor ik de lamp uitblies en ging slapen.

Veel te vroeg werd ik weer gewekt. Nu was dat op mijn eigen verzoek geweest, tenslotte had ik afgesproken om rond een uur of zes in Amber Stad te zijn, zodat de jurk op maat gemaakt kon worden, maar toch…
Het was mijn bedoeling om na het opstaan meteen met Boudicca en Fillipien te vertrekken, maar blijkbaar had het personeel daar andere gedachten over. Twee meisjes kwamen mijn kamer op met de bedoeling het bad te laten vollopen, mij te kleden en mijn haar te doen.
“Laat maar,” zei ik haastig. “Ik ga straks pas in bad.”
“Maar U gaat zich straks verloven,” zei een van de meisjes verschrikt.
“Klopt, maar ik moet zo te paard naar de stad om mijn jurk af te halen. Het heeft echt weinig zin om nu al in bad te gaan.”
“Maar U dient netjes gekleed te zijn! En uw haar moet gedaan.”
Ik wist dat het mijn moeder was die ze had geïnstrueerd. Goed bedoeld, maar op dat moment niet erg welkom. Ik was al jaren gewend om mezelf te kleden en te kappen. Goed, ik had wat problemen met mijn haar gehad de laatste tijd, maar afgezien daarvan beviel het me goed. Om ze toch wat tegemoet te komen, liet ik ze mijn haar doen, iets dat een eeuwigheid duurde. Toen ik daar iets van zei, duwden ze me boos een kam in mijn handen en liepen de kamer uit. Ik gooide de kam op de kaptafel, kleedde me haastig aan in dezelfde kleding als de vorige dag, pakte mijn spullen en rende naar buiten. Een dienstmeisje kwam me haastig achterna.
“U heeft nog niet gegeten, we hebben net een ontbijt laten regelen voor U!”
Ik stopte even.
“Het spijt me zeer, ik heb er echt geen tijd voor. Geef de complimenten aan mijn moeder en verzeker haar ervan, als ze er naar vraagt, dat ik gewassen zal zijn en gegeten zal hebben voordat ik naar het feest ga.”
Eigenlijk had ik razende honger, maar negeerde dat gevoel. Buiten riep ik Fillipien en pakte ik Boudicca bij de teugel. Zo troefden we naar de stallen van Amber, deze keer kwam ik er gelukkig meteen aan zonder omwegen. Ik steeg onmiddellijk op en weer gingen we in razende vaart de Kolvir af, de stad in. Er was nog maar weinig volk op straat, zodat het mogelijk was om stevig door te rijden naar de kleermaker.

Ik moest een aantal keer aanbellen en kloppen voordat de slaperige winkeldame open deed. Ze schrok een beetje toen ze mij zag.
“Oh, bent U het. Is het niet wat vroeg?”
“Dit is de afgesproken tijd,” zei ik kortaf en besloot ter plekke dat ik voor mijn bruidsjapon naar een andere zaak zou gaan gaan.
Ik werd binnen gelaten, de dame trommelde snel een paar andere dames op die zich haastig hadden aangekleed en het passen en meten begon.
“U bent wat laat,” meende er eentje op te moeten merken.
“Ik ben op tijd. Jullie zijn laat,” zei ik.
“Ik bedoel dat U pas gisteren die jurk kwam bestellen. Dat is laat.”
“Ik heb andere bezigheden gehad.”
“U ruikt ook naar paard,” zei een ander brutaal. “Die jurk ruikt daar straks ook naar.”
“Het is niet de bedoeling dat ik die jurk aanhoud,” zei ik. “Ik neem hem mee naar het kasteel. Daar zal ik in bad gaan en dan pas de jurk aantrekken.”
“Maar dat is de bedoeling niet, U kunt niet in Uw eentje de jurk sluiten. Hier zijn ook badhuizen, misschien dat U…”
“Uitgesloten. Zorg er nu maar voor dat die jurk af is, zodat ik snel verder kan.”
“Maar we hadden ook naar kasteel Amber kunnen komen om U de jurk aan te meten,” zei een andere vrouw.
“Toen we daar gisteren naar vroegen werd gezegd dat het hier moest gebeuren. Dus ik heb de moeite genomen om vroeg op te staan en hier naartoe te rijden. En nu had er plotseling wel iemand naar het kasteel kunnen komen?”
Ik ergerde me inmiddels mateloos. De mensen in Amber Stad zijn feitelijk net zo erg als het personeel in het kasteel. Ze missen elke vorm van fatsoen.
De dames – vier in getal – overlegden onderling druk over wat er moest gebeuren, intussen stond ik daar met een half open jurk. Uiteindelijk waren ze het eens.
“We zorgen ervoor dat de jurk helemaal af is en we sturen iemand met U mee om er op toe te zien dat deze fatsoenlijk zit nadat U in bad bent geweest.”
Vervolgens maakten ze inderdaad haast en niet veel later zat de jurk perfect. Ik trok deze met hun hulp uit, alle kledingstukken werden in een groot stuk papier gewikkeld, terwijl ik me weer in mijn reiskleding hees. Er kwam een klein meisje naar me toe dat met zachte stem zei mee te zullen gaan om voor de jurk te zorgen. Ik bekeek haar eens goed. Een klein, spichtig ding, hooguit een jaar of 15. Ze leek me aardig.
“Ik ben te paard,” zei ik. “Is dat een probleem?”
“Ik ga wel achterop.”
“Goed. Ik moet mijn schoenen nog gaan halen en dan vertrekken we.”
We verlieten de winkel na goedendag gezegd te hebben en gingen naar de schoenmaker. Deze had woord gehouden, de laarsjes waren af, zaten perfect en zagen er prachtig uit. Ik gaf de man een goede fooi als dank voor zijn harde werken en daarna zocht ik Boudicca op. Het meisje naast me verstijfde zodra ze het paard zag en trok bleek weg. Dat met dat achterop zitten zou waarschijnlijk niet gaan werken. Fillipien kwam op mijn schouder zitten en ik pakte Boudicca bij de teugel. Daarna keek ik het meisje aan.
“Hoe heet je eigenlijk?”
“Lieveke, mevrouw.”
Dat was een uitheemse naam, het klonk me wat Vlaams in de oren.
“Goed. We gaan op een andere manier naar het kasteel, als je me even vast houdt…”
Na een korte aarzeling greep ze me aan de onderkant van mijn trui. Ik pakte de troef van de stallen weer en inwendig smeekte ik om deze keer niet via een omweg te hoeven gaan. Niet waar dit meisje bij was.
De troef was me goed gezind. Of was het iets anders? Ik stapte door de troef en kwam netjes uit bij de stallen. Lieveke liet me los en keek met grote ogen om zich heen. Ik stalde Boudicca zo goed en kwaad als het ging en verzorgde haar. Fillipien vloog op, ze liet weten wat te gaan jagen.

Ook in kasteel Amber ging alles zoals het moest gaan. Ik liep in één keer naar mijn kamer, zonder deze keer te verdwalen en in vreemde vertrekken uit te komen. Lieveke bleef op de gang zitten, ik sommeerde haar gewoon binnen te komen en daar te wachten. Dat deed ze uiteindelijk, maar ze wachtte naast de deur.
Het was heerlijk om me even te kunnen ontspannen in bad, om mezelf lekker te kunnen wassen en inderdaad de paardenlucht van me af te kunnen spoelen. Ook mijn haar waste ik, in de hoop dat Lieveke niet alleen verstand had van jurken, maar ook van haar opsteken.
Het was iets te perfect gegaan tot nog toe. Het kon niet zo blijven. Toen ik net mijn haar aan het spoelen was, zocht iemand met een zeer sterke geest contact wat ik wist te blokkeren. Maar niet veel later werd er een volgende poging gedaan en nog eens.
Omdat het afhouden van dergelijk sterke pogingen heel vermoeiend en moeilijk is, besloot ik het bad eerder te verlaten dan ik oorspronkelijk van plan was en sloeg alvast een handdoek om me heen. Weer een poging. Deze keer liet ik deze doorkomen en keek in het gezicht van een ietwat geagiteerde Deirdre, die op slag opgelucht keek.
“Eindelijk! Ben je er klaar voor?”
“Nog niet helemaal. Ik heb net een bad genomen,” zei ik met een gijns, want dat moest toch duidelijk te zien zijn.
Ze fronste.
“Waar zit je eigenlijk?”
“Gewoon, in mijn kamer in kasteel Amber. Ik hoef me alleen nog aan te kleden en mijn haar te laten doen.”
“Hmm, daar is nog wel tijd voor. Ik kom zo naar je toe.” Ze brak abrupt de verbinding af.

Lieveke had inderdaad verstand van haren kappen en ze werkte vlug en degelijk. Ik was net helemaal klaar toen Deirdre aanklopte. Ze keek met een lichte verbazing naar het meisje dat kleurde en naar achteren schuifelde.
“Dat is Lieveke,” stelde ik haar voor. “Ze is met me meegestuurd om mijn jurk te kunnen doen en ze heeft mijn haar gedaan. Is het mogelijk dat ze weer terug naar de stad wordt begeleid?”
Deirdre bekeek het kind eens goed en knikte.
“Dat kan. Maar ik denk dat het beter is als ze er vandaag bij blijft, dan kan ze af en toe nog eens wat verschikken aan je kleding of je haar. Wil je dat?”
Lieveke staarde haar even aan en knikte toen heftig.
“Goed. Ik zal iemand sturen die je naar de keuken brengt, dan krijg je daar wat te eten.”
Deirdre liep even om me heen en knikte toen goedkeurend.
“Niet slecht, helemaal niet slecht.”
“Jij ziet er goed uit,” zei ik gemeend. Ze had haar zwarte lange haar op een prachtige manier opgestoken, het zat veel meer in het gelid dan mijn haar en ze droeg een diadeempje. Ze was gekleed in een prachtige donkerpaarse japon, die naar mijn idee goed zou passen bij Dara’s lichtpaarse jurk, maar dat zei ik niet. Aan haar voeten had ze rijglaarsjes. Ze nam me bij de arm.
“Je zult wel honger hebben,” zei ze vriendelijk, “en ze zitten net aan het ontbijt.”
In de eetzaal zaten deze keer alleen een aantal familieleden. Deze keer geen hele horde aan ambassadeurs of andere onbekenden. Ik begroette iedereen één voor één. Eerst Flora natuurlijk, die er prachtig uitzag zoals gewoonlijk, maar blijkbaar haar best had gedaan om een jurk te vinden waar de mijne niet voor onderdeed. Ik mocht haar echt. Ze begroette me vrolijk, me intussen van het hoofd tot de voeten opnemend. Haar blik rustte heel even op mijn buik, te kort voor de anderen om op te merken. Daarna begroette ik Corwin die me met een lichte frons bekeek. Gérard was enthousiast als altijd, zijn vrouw Lucia en zijn kinderen Boromir, Fabian en Carmel gedroegen zich wat ingetogener. Zowel Corwin als Gérard waren gekleed in een uniform, iets dat me goed deed beseffen dat het om een politieke verloving ging.
Deirdre zei me plaats te nemen en ging zelf tegenover me zitten.
“Tast toe,” zei ze. “Het staat ervoor. We kunnen niet hebben dat je straks omvalt van de honger.”
Er werd koffie, thee en vruchtensap geschonken, er waren broodjes, muffins, pannenkoeken en chocoladecroissants. Van de laatste at ik misschien iets meer dan gepast was, maar niemand had het in de gaten.
“Heb jij eigenlijk geen juwelen ofzo?” vroeg Deirdre ineens scherp. Er viel een stilte terwijl iedereen me aan zat te kijken. Alle vrouwen aan tafel droegen inderdaad iets van sieraden. Deirdre had, behalve het diadeempje, fijne zilveren oorbellen met diamantjes en een paar bijpassende armbanden, Flora had alles. Oorbellen, armbanden, een broche en een kettinkje. Ook Lucia en Carmel waren goed voorzien op dat gebied. Ik stak inderdaad af. Ik had een amulet en een Spikard. Het amulet droeg ik dit keer om mijn middel onder mijn kleding, deze paste niet zo goed bij het decolleté van de jurk. En de Spikard, die ik normaal ook aan een kettinkje om mijn hals droeg, had ik los in een zak van mijn jurk gestopt.
“Ik heb geen juwelen,” zei ik. “ik draag ze eigenlijk toch nooit.” Ik had ooit een ketting gehad, één keer gedragen naar de bruiloft van Rhex, maar deze was verwoest in de Schaduwstorm.
“Is die aanstaande van jou te arm om je juwelen te schenken?” vroeg Gérard en begon zelf hard te lachen. Vrijwel iedereen aan tafel lachte mee.
Er werd trouwens niet veel gepraat. Wat over het weer dat waarschijnlijk goed zou zijn en over het eten. Er werd ook niet lang nagetafeld, de één na de ander verdween. Sommigen tegelijkertijd, zoals Gérard en zijn familie. Zo te zien waren ze allemaal via een troef doorgehaald. Allemaal ja, want na verloop van tijd zat ik in mijn eentje aan tafel. Niet goed wetende wat te doen, schonk ik mezelf nog maar eens koffie in en nam weer een chocoladebroodje. Ik zat net met volle mond toen ik getroefd werd. Snel wist ik de hap weg te kauwen voordat ik het contact doorliet. Het was Deirdre, die me liet weten me niet ongerust te maken: “Random troeft je dadelijk.”
De koffie en het broodje waren net op toen Random me inderdaad troefde. Ook hij was in uniform, voor het eerst dat ik hem zo gekleed zag. Een grijs uniform met zilveren en gouden borduursels en insignes.
“Tijd voor jou om door te komen,” grijnsde hij. “Mits je erop gekleed bent.”
Met een stevige ruk werd ik naar een heuvelachtige omgeving gehaald die me wel en niet bekend voorkwam. Het was eigenlijk vrij dicht bij Amber en van waar ik stond kon ik de uitlopers van Arden zien.
Het was verschrikkelijk druk. Behalve heel veel familie, zag ik nogal wat legereenheden, allen in verschillende uniformen. Zo waren er soldaten in het uniform van Amber, die werden aangevoerd door Rhexenor. Anderen met een ander uniform, maar wel met een Amber embleem, vielen onder Benedict. Er waren een aantal burgers die in wat fleuriger kleding rondliepen. Ik zag mijn ouders die wat op een afstand bleven. Ik had nauwelijks de tijd om alles goed in me op te nemen, want werd meteen door Random bij de arm genomen en voorgesteld aan een lange magere man, gekleed in een donkerblauw pak met een lichtblauw overhemd. Hij gaf me een vrij stevige hand.
“Jonash Rottenkolder is mijn naam, ik ben journalist van de ‘Golden Gazette’ en aangewezen om de verloving te verslaan. Ik zal U niet in de weg lopen, maar we hebben toestemming gekregen om U af en toe een vraag te mogen stellen. Later op de dag zal er een interview met U apart worden afgenomen en nog één met U samen.” Hij boog en verdween tussen de menigte voordat ik ook maar iets kon zeggen. Ik voelde me ietwat wanhopig worden bij de gedachte dat ik straks een aantal antwoorden zou moeten geven die publiek bekend zouden gaan worden.
Ik voelde Fillipien in de buurt, maar zag haar niet. Ze was wat zenuwachtig en liet me weten dat er iets niet klopte hier. Ze had gelijk. Vanwege de enorme drukte koste het me moeite om me op de omgeving af te stemmen, maar er was iets mee. Iets wat er niet helemaal hoorde te zijn. Misschien was het de nieuw aangelegde, Romeins aandoende, weg die langs deze heuvel liep. Ik kon niet goed zien waar deze vandaan kwam, maar het leek vanuit Amber te zijn. En waar de weg naar toe leidde was nog onduidelijker, deze verdween in een muur van mist.
Ondanks de enorme mensenmassa voelde ik me toch wat alleen. Iedereen had het druk, er werden opdrachten gegeven, anderen begroetten elkaar enthousiast alsof ze elkaar lange tijd niet gezien hadden. Ik zag dat Ronardo er ook was, hij stond te praten met Brand. Beiden zagen eruit als echte gentlemen, erg attent om aan mijn afkomst te denken. Alleen vervelend dat Brand er ook was. Zijn broer en zus zag ik niet, net zomin als mijn vader. Ook Caine, Coral en Dalt waren er niet.
Deirdre leek een soort inspectieronde te houden tussen al die mensen en hier en daar gaf ze wat bevelen. Uiteindelijk was blijkbaar alles zoals het wezen moest en liep ze naar mij toe.
“Alles is in orde,” zei ze tevreden en gaf me een arm. Toen floot ze op haar vingers om de aandacht van iedereen te krijgen en het viel stil.
“Over enkele ogenblikken wordt de nieuwe verbinding geopend!” riep ze. “We gaan nu naar de plaats waar de verloving zal plaatsvinden. Jullie kunnen ons volgen!”
Ze voerde me mee naar de nieuwe weg en daar moesten we wachten tot de hele stoet mensen achter ons stond. Dat alles werd uitstekend georganiseerd door de aanwezige soldaten. Intussen staarde ik naar de mist, ik vroeg me af wat daarachter zou zijn. Een nieuwe verbinding? Van waar naar waar? Was dit iets tijdelijks, alleen voor de verloving, of zou het een permanent karakter hebben?
Toen iedereen op de weg stond, begon de tocht die leidde naar de mist.

De weg liep door. Op het moment dat we door de mist stapten wist ik dat we niet meer in Amber waren. Via een nieuwe doorgang, de mist, waren we verplaatst terwijl de weg gewoon doorliep. We kwamen uit de mist en liepen over de weg die door een wat ruig landschap voerde. Even verderop was een groot zwart kasteel te zien waar de weg naar toe liep. En nog veel verder voor ons uit, op dezelfde weg, kwam ons een bont gezelschap tegemoet. Ook een enorme groep mensen, gekleed in de meest verschrikkelijk felle kleuren die je je bedenken kon. Aan het hoofd van die stoet liepen een man en een vrouw, Mandor en Dara.
“Dat is een heel aparte verbinding,” zei ik nadenkend tegen Deirdre.
“Ik leg dat straks wel uit,” zei ze glimlachend.
Aan de voet van het kasteel was een klein dorpje en er liepen wat verdwaasde mensen, die blijkbaar niet wisten wat ze hier deden. Het leek alsof ze ergens uit een Schaduw waren geplukt. Net buiten de kasteelmuren zag ik mijn vader in het gezelschap van een aantal vreselijke monsters. Ze leken nog het meest op een soort honden. Zwart, langere nek dan normaal, rode ogen, een bek met enorme tanden en zo te zien ook een wat hete adem. Daar moest je geen ruzie mee krijgen. Het waren niet zijn eigen honden, die zijn tenminste nog aaibaar. Deze afzichtelijke monsters waren dat zeker niet. Om het beeld compleet te maken, waren er ook nog een aantal spookachtige schimmen boven de kantelen te zien, met klauwachtige armen. Despil stond bij de ingang van het kasteel, riep iets naar de wezens en ze trokken zich onmiddellijk terug. Despil was trouwens niet alleen, naast hem stonden Fiona en Bleys. Zelfs van een afstand was te zien dat ze allen heel moe waren.
Ik keek naar het kasteel. Op de één of andere manier fascineerde het me, ik leek er een binding mee te hebben. Alsof ik er al eens geweest was, misschien in een droom. Iets anders dat ik meteen al had gevoeld toen we over de grens gingen, was dat Patroon hier niet werkte. En na even concentreren voelde ik ook de afwezigheid van Logrus. Wat dat betreft was het niet veel anders dan Gormenghast.
Toen we de ingang naderden, begonnen de honden te grommen en Julian schreeuwde naar ze. Ze gingen onmiddellijk liggen. Het waren trouwens niet alleen Chaosieten die de aanwezigheid van de honden niet prettig vonden.
Beide gezelschappen kwamen precies tegelijkertijd aan bij de ingang, prachtig getimed. Terwijl de koninginnen elkaar begroetten, glimlachte Mandor naar me en gaf me – geheel tegen alle etiquette in - een knipoog. Ik kon het niet laten om terug te knipogen, het was bijzonder aangenaam om hem te zien. Hij was voortreffelijk gekleed in een wat Engels uitziend sjiek lichtgrijs pak en een wit overhemd. Op zijn witblonde haar droeg hij zelfs een bijpassende hoed, die hij vormelijk afnam om een voortreffelijk aandoende buiging te maken. Ik wist heel goed hoe het hoorde en maakte een kniks terug terwijl ik mijn best deed zedig te glimlachen.
Intussen werd er druk van alles geregeld en geroepen, iedereen liep het kasteel binnen, terwijl wij met de koninginnen buiten bleven staan. Deirdre en Dara –Dara droeg inderdaad een dergelijke jurk als Deirdre, alleen in een lichtere kleur paars – spraken onderling over niet meewerkende assistenten en familieleden, zodat ze slapeloze nachten hadden gehad om alles op tijd te kunnen regelen. Intussen staarden Mandor en ik elkaar aan alsof we elkaar voor het eerst zagen. Hij zag er fantastisch uit. Nog veel beter was dat de kleding die hij droeg uitstekend paste bij wat ik aan had.
“Ik hoop dat u een goede nachtrust heeft gehad,” zei hij.
“Dank u voor uw bezorgdheid. Ik heb redelijk geslapen,” zei ik.
“Het ziet er naar uit dat het weer goed zal blijven,” zei hij terwijl hij naar de licht bewolkte lucht keek.
“Dat is te hopen, het is niets als op een dag als vandaag iedereen binnen moet blijven vanwege het slechte weer.”
Benedict kwam naar buiten, knikte naar ons en liep weer terug. Nu konden ook wij naar binnen, ik weer aan de arm van Deirdre, Mandor werd door Dara begeleid. Aan weerskanten waren de soldaten opgesteld die op die manier een soort ereboog vormden.
We werden begeleid naar een grote zaal in het kasteel. Echt enorm, want al die mensen konden er met gemak in, iedereen leek zelfs een goede plaats gekregen te hebben. Twee sjieke stoelen stonden in het midden van de zaal, waar wij op plaats moesten nemen, de koninginnen kwamen bij ons in de buurt zitten. Er kwam een dame naar me toe, potsierlijk uitgedost in allerlei door elkaar schreeuwende kleuren en met glinsterende spelden in het haar.
“Ik ben Lidwina Banjer,” zei ze en schudde me de hand. “Ik ben verslaggever voor de Hofcourant en heb de eer om Uw verloving te mogen verslaan.” Ze maakte een soort buiging en ging weer weg. Ondertussen had Mandor op een zelfde manier kennis gemaakt met Jonash Rottenkolder.
Er was wat rumoer te horen, een aantal mensen leek bepaalde wapens te missen. Deirdre ging staan en schreeuwde om aandacht.
“Stilte allemaal! Welkom hier in deze nieuwe plaats tussen Amber en Chaos. Dit heet Elysium.” Geweldige keuze. Deel van de Griekse Onderwereld, de laatste rustplaats voor helden en koningen. What is in a name…
“Dankzij de opofferingsgezindheid van mijn nichtje en de kroonprins van Chaos was het mogelijk om dit verwezenlijken. Deze stap zal goed zijn voor de betrekkingen tussen onze twee koninkrijken. Zoals U allen gezien heeft, loopt er een weg vanuit Amber hier doorheen en ook een weg vanuit Chaos. Dit is het landgoed dat aan Morwenna en Mandor toegewezen wordt, dit is waar ze gaan wonen. Het kasteel waar we nu in verblijven, zal hun ambtswoning zijn.”
Ach, waarom ook niet. Er was hier flink geklooid, er was een nieuwe plaats geschapen, er was een letterlijke brug tussen Amber en Chaos geslagen. Helemaal beseffen deed ik het nog niet, het leek erop dat we nu twee huizen hadden.
Dara siste iets tegen Mandor. Met een wat ongemakkelijke blik in zijn ogen stond hij op van zijn stoel en ging op een knie voor me zitten.
“Morwenna, zou je me de eer aan willen doen om met me te trouwen?” vroeg hij.
Het was idioot, zo temidden van al die mensen. Voor mij had dat stukje achterwege mogen blijven. Hoewel ik me nooit echt een voorstelling had gemaakt over ten huwelijk gevraagd worden, had ik ook nooit gedacht dat dit in het publiek zou gebeuren. Er was totaal niets romantisch aan. Wat me terugbracht tot de kern van dit hele huwelijk, het was een politiek besluit.
“Het zal me een eer zijn,” antwoordde ik vormelijk. Vanuit het publiek was wat geroezemoes hoorbaar, blijkbaar waren er mensen die hadden gehoopt of verwacht dat ik hem af zou wijzen.
Mandor knikte kort en ging haastig weer op zijn stoel zitten. Deirdre ging verder met haar speech.
“Nu de verloving officieel is, kan ik aankondigen dat precies een week na nu het huwelijk plaats zal vinden op een geheime locatie. Dat zal niet hier zijn en uitsluitend door mensen die daarvoor uitgenodigd zijn bijgewoond worden.
Dankzij de inspanningen van een paar mensen is deze plaats zo gemaakt. Zoals U allen gemerkt heeft, is dit land afgeschermd tegen gebruik van zowel Patroon als Logrus. Er is een Magische bescherming die als effect heeft dat wapens groter dan een dolk hier niet mogelijk zijn. Troef kan minimaal gebruikt worden, het is niet mogelijk hier zomaar binnen te troeven. Magie werkt beperkt, techniek bijna niet. Er is voor nog wat extra beveiliging gezorgd door Julian van Amber tegen niet-Amberieten en door Despil Sawall tegen niet-Chaosieten. Deze beveiliging zal straks worden overgedragen aan respectievelijk Morwenna en Mandor.
Deze plaats is met zorg gekozen. Deze plaats is echt precies tussen Amber en Chaos, zoals de aankomende verbintenis ook tussen Amber en Chaos zal zijn. Vanaf zijn jullie Baron en Barones van Elysium.”
Met een glimlach keek ik naar mijn verloofde. Ik moest nog wat aan de gedachte wennen. Een verloofde had een andere betekenis dan vriend, partner of minnaar. En aangezien de tijd tussen het aanzoek en het huwelijk maar kort zou zijn, kon ik er maar beter snel aan wennen. Hij keek met een ondefinieerbare trek op zijn gezicht om zich heen de zaal rond en toen met een verontschuldigende blik naar mij.
“Vanaf nu is de verbinding open en kan er tussen Amber en Chaos gereisd worden via deze weg. Vanwege alle beveiligingen zal deze plaats uitstekend geschikt zijn om handel te drijven, één en ander zal echter onder toezicht blijven van de Baron en Barones van Elysium.”
Het werd steeds erger. Handel? Misschien dat ik neef Rinaldo maar eens in de arm moest nemen. Was dit wat ik wilde toen ik ‘ja’ zei tegen Mandor? Natuurlijk wilde ik heel graag dat de verhoudingen tussen Chaos en Amber goed zouden zijn, niet in de laatste plaats vanuit zeer egoïstische redenen, te weten Mandor, ikzelf en onze kinderen. Het zou onze taak zijn om de twee koninkrijken dichter bij elkaar te brengen en om te bemiddelen waar nodig. Eventueel om bepaalde geschillen te slechten. Dit alles was heel erg nodig wist ik. En zeker niet gemakkelijk. Amber en Chaos waren zo vreselijk lang in oorlog geweest, zo ontzettend lang elkaars rivaal… dat waren dingen die we niet zomaar uitgewist zouden krijgen. Vooral omdat ik zeker wist dat er heel veel mensen in het geheel niet te spreken waren over de huidige wapenstilstand, laat staan over de verdere stappen die richting vrede gezet werden.

Het speechen was klaar, alle aanwezigen waren bijzonder lawaaierig. Ineens stond mijn vader voor me. Ik zag nu pas dat hij ook een soort uniform aanhad. Groen van kleur, een paar gouden symbooltjes erop die op bomen leken. Om zijn schouders een lichtgroene, wollen cape. Verder droeg hij bruine, hoge laarzen. Hij keek me aan met een wat norse trek op zijn gezicht en stak zijn hand uit.
“Kom,” zei hij. “Ik zal je voorstellen.” Ik pakte zijn hand en stond op, vervolgens leidde hij me aan zijn arm naar buiten. Vlak achter ons kwam Despil met Mandor. Mijn vader liep naar de mormels van beesten, die grommend reageerden op onze nadering.
“Af!” snauwde Julian. De honden waren onmiddellijk stil en legden hun kop op de grond. Mijn vader nam me mee naar de grootste van het stel en gebood me mijn hand uit te steken. Ik voelde wat weerzin toen ik dat deed. Het beest hief zijn kop op, een smalle kop zoals een Doberman heeft en snuffelde aan mijn hand. Daarna piepte hij wat en legde zijn kop weer neer.
“Dat is de leider,” zei Julian. “Jij bent nu de aanvoerder van de Hounds.”
Ik keek naar 16 monsters die inderdaad nu allemaal hun ogen op mij gericht hadden. Wat moest ik met zo’n roedel! Het was zeker niet voor het eerst dat ik met honden te maken had, ik had er eerder getraind en mee gejaagd toen ik nog in de Peak woonde. Op de eerste wereld van Owen was ik een kennel begonnen met Weimaran. In Gormenghast had ik niets meer gedaan met honden, gedeeltelijk omdat ik er eigenlijk geen tijd voor had, maar ook omdat Mandor een hekel heeft aan dieren. Een paard en een paar valken zijn dan wel genoeg.
Maar dit waren geen honden, het waren monsters! De hellehonden van mijn vader had ik liever. Misschien kon ik ze beter geen honden noemen, zelfs Hounds klonk me nog teveel als jachthonden in de oren. Er kwam een heel goede naam bij me op. De Barghest, naar de Zwarte Duivelshonden in de Noord Engelse mythologie.
Een eind verderop droeg Despil de Wraith over aan Mandor die er zo te zien niet geweldig gelukkig mee was. Ik vroeg me ineens af sinds wanneer Despil dergelijke wezens op kon roepen, voor zover ik wist was hij helemaal geen goede oproeper. Later hoorde ik van Mandor dat Despil inderdaad hulp had gehad en wel van de oude Sawall.

“Deze Schaduw is hiernaartoe gehaald door Fiona en Bleys,” vertelde Julian. “Dat kasteel ook, maar ik geloof van weer een andere Schaduw.”
“Ik heb het idee dat ik een binding heb met dat kasteel. Alsof ik er eerder ben geweest.”
“Kan,” zei hij onverschillig. “Vast een binding die Bleys aan jullie heeft gehangen. Daarvoor moet je niet bij mij wezen.”
“Waar komen die …eh… honden vandaan?”
“Die mormels? Gewoon, uit de één of andere Schaduw,” zei hij ietwat ongeduldig. “Dat doet er niet toe. Ik hoop dat je er blij mee bent, dit hele gedoe is het idee van Dara en Deirdre en ik had er niet veel tegenin te brengen. Ze hebben gretig gebruik gemaakt van jullie plannen en zonder enige scrupules alles in de openbaarheid gegooid. Jullie hele leven is vanaf nu één groot open huis. Ik heb je gewaarschuwd, maar jij wilde dit doorzetten. Dit is voor zover ik heb begrepen neutraal gebied, het is niet één van de Gouden Cirkellanden. Jullie zijn de bewaarders van de weg tussen Chaos en Amber. Je bent erin geluisd.”
Met grote passen beende hij voor me uit weer terug naar het kasteel. Ik liep aangeslagen achter hem aan. Dat hij niet blij was met het voorgenomen huwelijk wist ik natuurlijk allang, maar hij was nu ronduit wrevelig. Misschien was het de vermoeidheid die hem parten speelde, waarschijnlijker was het de hoeveelheid Chaosieten waar hij problemen mee had.
Vlak achter me aan kwamen Mandor en Despil. Ik keek even om en ving Mandors vragende blik. Ik haalde mijn schouders op en keek weer voor me uit, want bij de ingang van het kasteel stonden een aantal mensen ons al op te wachten.
We werden weer naar de ontvangstzaal geleid, het was tijd voor de eerste felicitaties van Dara en Deirdre. Daarna feliciteerden ze elkaar, de eerste helft van dit politieke plan was geslaagd.
We stonden met zijn tweeën naast elkaar en ik keek verschrikt naar de menigte die op ons afkwam. Dat handje schudden zou de hele dag in beslag gaan nemen! Random en Merlijn, die er verschrikkelijk moe uitzagen ook, stonden vooraan, met de rug naar ons toe en begonnen wat te dirigeren. Mijn ouders mochten eerst, mijn stiefvader gaf me een stevige hand, hij leek echt blij te zijn. Vervolgens werd ik omhelsd door mijn moeder en daarna bekeek ze Mandor en mij goedkeurend.
“Jullie zijn er allebei goed uit!” Ze pakte me bij de arm en liep een paar passen met me weg.
“Ik weet niet helemaal de gewoontes hier,” zei ze op zachte toon, “maar bij zo’n aanzoek hoort toch ook een ring?”
Ik voelde mezelf kleuren. Ringen! Ik wist dat ik iets vergeten was. Ik had helemaal niet gedacht aan ringen. Ik keek tersluiks naar Mandor. Wat was eigenlijk de gewoonte? Had ik ze moeten kopen? Of hij? Of wij samen? Nou ja, dat was iets waar ik het nog met hem over moest hebben.
“Wij doen dat pas bij het huwelijk,” fluisterde ik terug. “Weinig tijd gehad.”
Ze schudde haar hoofd en ging verder.
“Je trouwt over een week en je hebt daarvoor nog niets geregeld durf ik te wedden. Of heb je al een japon in bestelling? Een trouwjurk kost meer tijd om te laten maken dan een dag. En waar is je boeket eigenlijk?”
Oeps, nog meer vergeten. Dat boeket lag nog ergens onderin de zadeltas van Boudicca, samen met de bloem voor Mandors knoopsgat. Dat was echt slordig van me. Ik verontschuldigde me, ze zuchtte diep. Daarna ging ik weer naast Mandor staan om de felicitaties van de burgemeester van Amber Stad en diens vrouw aan te nemen. De burgemeester was een lange, magere man met een randje grijs haar en scherpe trekken in een smal gezicht. Hij leek me heel integer, terwijl zijn vrouw compleet tegenovergesteld was. Een vreselijk mens met minstens drie onderkinnen en evenveel rokken over elkaar. Ze droeg een afschuwelijke pauwenveren hoed op haar hoofd en vloog zowel Mandor als mij om de nek alsof ze ons jaren kende.
“Wat leuk! Wat vreselijk leuk dat jullie gaan trouwen!” kweelde ze. “Ik weet nog goed toen Marcus en ik trouwden. Eén groot feest was het met een heleboel gasten. Ik geloof dat de halve stad aanwezig was, is het niet Marcus?” Hij gaf geen antwoord en zo te merken had ze dat ook niet verwacht, want ze kwebbelde luidruchtig verder. “En het weer dat we toen hadden, het was uitstekend! De zon scheen en dat terwijl het al de hele week had geregend. Niemand had dat dan ook verwacht, en alles was al geregeld om binnen te vieren. Weet je nog wel Marcus, dat iedereen zo enthousiast was over het feit dat we alles buiten konden houden? Het was fantastisch, het huwelijk werd gesloten in de kerk van de Eénhoorn…” Marcus nam haar ineens resoluut bij de arm en voerde haar weg, intussen bleef het mens maar doorpraten.
Er kwamen meer officiële lieden ons feliciteren. En maar handjes schudden en maar vriendelijk blijven lachen. En maar aanhoren hoe goed het van ons was dat we ons zo opofferden ten bate van de vrede. Af en toe keek ik tersluiks naar Mandor, die zich afstandelijk en formeel tegen mij opstelde.
Nadat al die figuren waren geweest, werden we naar een bibliotheek geleid waar de interviews voor beide kranten werden afgenomen. Het was bizar, ik zat daar in een bibliotheek van mijn eigen huis, maar ik voelde me slechts op bezoek. Ik kon met geen mogelijkheid na het interview me herinneren hoe de ruimte eruit zag en of er een redelijke hoeveelheid aan boeken was geweest.
Tijdens het interview lette ik erop me zo conventioneel mogelijk op te stellen over en tegen Mandor, hij deed hetzelfde. Het deed me een beetje denken aan de periode toen Owen net was geboren en we hadden besloten om een officiële verbintenis aan te gaan waarbij we elkaar alleen maar formeel zouden ontmoeten. Een besluit dat maar heel kort had stand gehouden, maar lang genoeg om de buitenwereld erbuiten te houden.
De vragen waren een beetje een allegaartje. Blijkbaar wisten ze al tamelijk veel van ons en soms werden er dingen aangehaald die er blijkbaar al over ons geschreven waren. Ik deed mijn best om zo algemeen mogelijk en nietszeggend te antwoorden. Ja, ik was tevreden over de verloving en het aanzoek. Ja,ik stond achter de vrede tussen Amber en Chaos en had daarom besloten om mijn steentje bij te dragen. Ja, ik verwachtte dat het voor het voor beide partijen goed zou uitpakken, het was een eerste stap in de richting van de samenwerking die velen voor ogen hadden.
Soms was er een scherpe vraag tussen, zoals Lidwina die me vroeg hoe ik het vond om straks getrouwd te zijn met iemand die een andere vorm had dan ik.
“Ik heb er geen moeite mee.”
“Bent U niet bang?”
Ik keek met een afstandelijke glimlach naar Mandor die terugkeek met een minstens zo afstandelijke blik in zijn ogen.
“Nee, er is niets om bang voor te zijn.”
Mandor beantwoordde op zijn beurt een aantal vragen, beleefd, maar ook stug.
“Hoe is het om de vijand als schoonfamilie te krijgen?” vroeg Jonash.
“Dat is niet anders.”
“Waarom dan deze stap?”
“Dit is nodig, iemand moest deze stap zetten. Zoals U weet heb ik enkele jaren geleden afstand gedaan van de troon, daardoor is het mogelijk voor mij om deze stap te nemen. Want het belang van Chaos is ook mijn belang.”
Daarna moesten we naast elkaar zitten en kwam er een tekenaar om snel een schets te maken. Er werd gevraagd of we elkaar een hand wilden geven, wat we braaf deden. Toen kwam Dara binnen, joeg de pers naar buiten en sloot de deuren achter zich.
“Even een koffiepauze voor jullie,” zei ze. “Daarna mag de rest van het gezelschap jullie feliciteren.”
De koffie die even later gebracht werd was heet en sterk en deed goed. De pistachebonbons die erbij op een schoteltje geserveerd werd, smaakte heerlijk. Mandor zag dat aan en gaf me met een lichte grijns op zijn gezicht zijn bonbons toen Dara even de rug naar ons toe draaide om de deuren weer open te doen.
“Alles goed?” vroeg hij, vrijwel onhoorbaar.
“Prima, alleen wat flauwtjes,” fluisterde ik terug
“Dara, heb je even?” zei Mandor luid.
Ze keek verrast om.
“Is het mogelijk dat we iets te eten krijgen voor we weer handjes gaan schudden?”
“Er is voor alles gezorgd,” zei Dara. “Tijdens de receptie zullen hapjes rondgedeeld worden. Niemand zal iets te kort komen.”
“Dat is prettig voor de gasten,” zei Mandor beleefd. “Maar wij zullen niet bepaald in de gelegenheid zijn om echt aan eten en drinken toe te komen tijdens dat defilé. Ach, je weet zelf wel hoe dat gaat immers als koningin zijnde …”
“Gunst ja, praat me er niet van,” verzuchtte ze. “Ik zal iets laten brengen.”
Niet veel later kwamen er een paar dienstmeisjes binnen met een schaal sandwiches en konden we, onder toeziend oog van Dara, fatsoenlijk wat eten voordat we ons weer in de menigte begaven.
Weer naast elkaar staan en een eindeloze rij van mensen voor je zien die je allemaal de hand willen schudden en een praatje maken. Heel veel nieuwe namen kreeg ik te horen en ik zag veel onbekende gezichten. Na een uur had ik al het idee dat de glimlach op mijn gezicht vastgevroren zat en begon ik het gevoel van een lam handje te krijgen. En er was geen enkel zicht op het einde.
Ronardo kwam de hand schudden en was wat somber. Op mijn vraag antwoordde hij dat niet alles even goed was en dat hij het druk had. Daarna feliciteerde hij Mandor en praatte wat langer met hem. Terwijl ik de felicitaties van ene Lucas Helgram in ontvangst nam, hoorde ik naast me wat flarden van het gesprek.
“Boeiend voornemen.”
“Iemand moest het doen,” zei Mandor. “En Morwenna is de lelijkste niet.”
Intussen beaamde ik dat het een prachtige dag was om te verloven. En och, om het nu opoffering te noemen… Het was toch heel normaal om iets over te hebben voor de vrede.
“Waar is je vriendin?” vroeg Mandor intussen naast me. Het antwoord daarop hoorde ik niet omdat de Helgram begon te vertellen dat iedereen zo bijzonder veel verwachtte van deze verbintenis.
“Lastig dat ze zich steeds kwijt maakt…” Ik wist net eens dat Ronardo een vriendin had. En zo te horen… zou het dan die Moyra zijn? Ik had medelijden met mijn neef.
“…Als je hulp nodig hebt, vraagt het dan niet aan een amateur zoals Despil… ja, inderdaad een knap staaltje werk van je moeder en Bleys…”
Rhexenor stond voor me met Dyenne en Cathrynn. Mijn neef schudde me iets te stevig mijn toch al pijnlijke hand.
“Gefeliciteerd! Wat een geweldige locatie voor jullie verloving!”
“Zeker mooi. Is dat nu jouw leger?” zei ik met een knikje naar de soldaten die hij eerder aanvoerde.
“Een selectie, de beste van de beste. Ze zijn hier als erewacht. Ik denk erover om dat leger wat verder te laten specialiseren. Affiniteit met Mechs te laten krijgen, leren rijden op draken…”
“Toch niet allemaal in onze achtertuin?” vroeg Dyenne benauwd. “Eén draak is eigenlijk al te veel.”
“Ach, dat valt wel mee,” vond Rhex. “Moet je kijken wat ze hier hebben aan monsters.”
Dyenne keek liever niet naar de Barghest en de Wraith en gaf me een slap handje, terwijl Rhex zijn aandacht naar Mandor verplaatste.
“Wat geweldig! Ik hoop dat jullie relatie goed zal uitpakken!”
“Ik ook,” zei Mandor die Rhex zijn hand toestak en meteen weer terug trok.
“Het is wel een mooi meisje,” zei Rhexenor met een blik naar mij.
Mandor keek ook even naar me.
“Het gaat wel,” zei hij met een stoïcijns gezicht. “Het kan erger.”
Dyenne gaf ons beiden een slap handje, mij feliciteerde ze, tegen Mandor beperkte ze zich tot: “leuk ja,” en maakte dat ze weg kwam.
Vervolgens kwam er een hele rij dames, mij allemaal onbekend op die trut van een Amalia na. Ik kreeg ternauwernood een handje van ze, maar Mandor kreeg daarentegen alle aandacht. Met name Amalia meende hem om de nek te moeten vliegen en te roepen dat dit nu ZO LEUK!!! Was. Een dolk tussen je ribben, dat is pas leuk. Gif schijnt ook goed te werken. Of gewoon vallen en wat ongelukkig terecht komen. Een andere donkerharige lellebel had Amalia opzij gedrongen en vond het nodig om haar felicitatie kracht bij te zetten met een aantal zoenen. En zo waren er nog een aantal die vreselijk familiair tegen hem deden en hij liet het zich maar welgevallen. Ik wist dat ik hier geen scène mocht maken, maar mijn vingers jeukten, het liefst had ik de vloer aangeveegd met al die sloeries.
En dan Flora! Mijn hemel, wat is dat eigenlijk een enorme mannenverslindster! Ik kreeg een enthousiaste gelukswens, maar Mandor werd compleet helemaal afgekust door haar. En dan naar mij kijken met een twinkeling in haar ogen, wat dacht ze wel!
En Mandor maar beleefd en vriendelijk doen tegen al die wijven en tegen ze praten. Alsof hij niet in de gaten had dat ze hem stuk voor stuk probeerden te verleiden.
Terwijl ik aan het bedenken was hoe ik in één klap meerdere vrouwspersonen uit de weg kon ruimen, werd ik hartelijk gelukgewenst door een aantal Chaosieten, vriendelijke jongemannen die deden of ze me al heel lang kenden. Misschien dat ik ze gezien had tijdens die hoorzitting, maar ik kon het me niet zo herinneren.
Ineens werd ik me de boze blikken van Mandor bewust, al vroeg ik me af wat ik verkeerd deed. Eindelijk werd ik door iemand begroet die ik wel kende. Despil omarmde me – wat overdreven, maar zo is hij nu eenmaal – en begon me op mijn wangen te kussen.
“Wat geweldig, wat goed!” riep hij en toen voelde ik dat Mandor me bij mijn bovenarm greep.
“Kan ik even met je praten?” Tot grote verontwaardiging van Despil voerde hij me een eindje mee tot we net buiten gehoorsafstand van iedereen stonden.
“Is het nu werkelijk nodig dat je je door al die kerels laat kussen?” vroeg hij boos.
Ik keek hem ietwat verwonderd aan. Hoewel hij wel eens een opmerking had gemaakt, had ik nog niet eerder in de gaten gehad dat hij blijkbaar jaloers was. Alsof hij daar een reden toe had.
“Verdorie Morwenna, het is echt niet nodig om ze aan te moedigen! Om ze in je jurk te laten kijken, om ze aan je te laten zitten…”
“Dat moet jij nodig zeggen,” siste ik nijdig terug. “Al die wijven die je lopen af te slijmen, die denken dat je op zoek bent naar een maîtresse…”
“Praat niet zo belachelijk! Jij loopt die kerels uit te dagen. Het is echt niet nodig dat je je door Despil af laat likken! Ik ken hem!” gromde hij.
“Ik daag niet uit! En jij zou je ook wel anders kunnen opstellen. Maar nee hoor, je staat maar naar ze te lachen, met ze te praten…”
“Dat heeft er niets mee te maken, je moet die kerels niet zo tegemoet komen!”
“Waarom sla jij die wijven niet van je af!”
Iemand bij ons in de buurt kuchte en we keken beiden verschrikt op. Een aantal mensen stond met grote belangstelling naar ons te kijken, de reporters waren naarstig in de weer met pen en notitieboek.
“Nu al ruzie? Ze kennen elkaar toch helemaal niet?” hoorde ik iemand zachtjes opmerken. Er werd vreselijk druk gefluisterd. Ik trok mijn gezicht weer in de plooi, Mandor fronste even naar al die mensen en begeleidde me weer terug.
“In ieder geval weet je het nu,” siste hij nog in mijn oor voordat de weer op ons plekje gingen staan en de felicitaties verder gingen.
Een eindeloze stroom van mensen. Chaosieten die tegen mij vriendelijk deden en lauw tegen Mandor. Bij veel Amberieten was het net andersom. De meest vreemde voorstellen kreeg ik te horen. Chaosieten die wisten dat het om een verstandshuwelijk ging, die me uitnodigden in hun Huizen en zowat in hun slaapkamers. Want met zo’n figuur als Mandor als echtgenoot zou ik vast in zijn voor een verzetje. Ik deed mijn best zo vriendelijk en nietszeggend mogelijk te antwoorden terwijl ik constant de ogen van Mandor op me gericht voelde. Had hij zich een groot deel van de dag erg afstandelijk naar mij toe gedragen, nu verloor hij me geen seconde meer uit het oog.
Ineens stond Fiona voor me en keek me vorsend aan.
“Ik weet niet of ik je moet feliciteren,” zei ze.
“Doe wat je wilt,” zei ik. “Het mag, maar het hoeft niet.” Intussen vroeg ik me af waar het verkeerd was gegaan in de relatie tussen haar en mij. Ik heb van begin af aan het gevoel gehad dat ze me eigenlijk als lastig ziet en me helemaal niet mag. Waarschijnlijk heeft ze het altijd veel te druk om zich te bemoeien met lastige domme nichtjes.
“Hmm. Gefeliciteerd dan.” Ze gaf me met een nors gezicht een hand. “Ik weet niet wat je allemaal wilt bereiken, maar ik hoop dat het alles is wat je wenst.”
“Dank je,” zei ik, niet zeker wetend of dit nu positief of negatief uitgelegd moest worden. Mogelijk was dit een goed moment om te vragen of ze een keer tijd had voor een gesprek en ik deed mijn mond al open om het te vragen. Ze was me voor.
“En wat doe je nu als je baby’s krijgt?” vroeg ze bits.
“Eh… gewoon krijgen,” hakkelde ik. “Ik bedoel… het zal gaan zoals het gaat.”
Ze keek me strak aan.
“Jaja,” zei ze toen en keerde zich naar Mandor. Alle lust om haar nog iets te vragen verging me op het moment dat ze Mandor om de nek vloog. Gelukkig werd mijn aandacht wat afgeleid door Jurt, die enthousiast aan mijn arm kwam zwengelen.
“Ik vind het zo leuk, zo worden we toch nog broer en zus!” riep hij enthousiast. Ik merkte dat Mandor ineens minder aandacht had voor Fiona en in plaats daarvan zijn broer nauwlettend in de gaten hield. Jurt leek dat niet eens op te vallen en babbelde verder over het feit dat hij heel goed aan het opletten was vandaag, dat er nog bijna geen ongelukjes waren gebeurd en dat ik er zo vreselijk goed uitzag in die jurk. Mandor deed een stap zijn richting uit, realiseerde zich toen ineens weer dat iedereen belangstellend toekeek en stapte weer terug.
Jurt schudde daarna hem de hand, maar was weinig enthousiast.
“Heeft Deirdre je nog gesproken?” vroeg ik aan Julia.
“Over dat huwelijk bedoel je? Daar zijn we mee bezig, maar ik kan er niets over zeggen verder.”
“Fijn dat je het wilt doen,” zei ik gemeend. “Hoe is het in de keep?”
“Met al die wisselingen? Niet meer geweest sindsdien. Ik heb me maar weer eens bezig gehouden met de toren, want jullie hebben het daar ook flink laten afweten het afgelopen jaar.”
“Eh ja, druk gehad,” zei ik. “Maar ik ga me er weer mee bezig houden… over een poosje.”
Ze schudde haar hoofd en liep naar Mandor die ze afgemeten feliciteerde.
“Wat jammer hè, dat je met zo’n verloving helemaal geen kadoos krijgt,” zei Merlijn. Hij stond voor me met een meisje in een leuk jurkje, in wie ik maar nauwelijks Gilva herkende.
“Niet erg,” zei ik. “Dan hoeven we ook niet iedereen te bedanken.”
“Hmm. En hoe zit het met jullie ringen?”
“Hebben we niet.”
“Dat is stom. Bij een aanzoek horen ringen en ik was erg benieuwd wat voor ring Mandor je zou geven.” Hij keek onderzoekend naar mijn handen. “Maar je hebt helemáál geen ring,” zei hij verbaasd.
Ik glimlachte en overweeg heel eventjes om de ene ring om mijn vinger te doen. Gewoon om hem op zijn neus te laten kijken. Ik had het idee dat hij op de Sawall Spikard doelde, terwijl hij helemaal niet wist wat het effect was van die ‘Spikard.’
Gilva vloog me om de nek
“Oh, wat leuk, wat fantastisch!” riep ze uit. “Een huwelijk tussen Chaos en Amber, wie had dat ooit kunnen denken! Mijn complimenten over de catering, de hapjes zijn werkelijk geweldig!”
Daarna werd Mandor omhelsd door Gilva en de hand gedrukt door Merlijn.

Het in ontvangst nemen van de felicitaties duurde eindeloos lang, er was geen moment rust en, zoals Mandor al voorspeld had, geen gelegenheid om iets te drinken of te eten, hoewel er kwistig uitgedeeld en geschonken werd.
Uiteindelijk hadden we iedereen gehad en was het avond. Voor het diner aan zou vangen waren we in de gelegenheid om wat rond te lopen tussen de gasten en her en der een praatje te maken. Nietszeggende gesprekken vooral. Bijvoorbeeld met Brand die het nodig vond om op de merken dat ik er STRALEND uitzag. Llewella die nog minder dan niets zei. Deirdre die met een frons naar Brand zei dat ze deze niet had uitgenodigd, maar dat hij was meegekomen met Ronardo. Dat verwonderde me niets. Bleys en Fiona samen die het noodzakelijk vonden om me uit te leggen dat ik vooral niet zelf moest gaan aanpassen met deze wereld, daar ik ervaring miste. Ze moesten eens weten… Uiteraard bedankte ik hen voor de moeite die ze hadden gestopt in het maken van deze wereld.
“In een noodgeval kan deze wereld worden opgeheven,” zei Fiona strak. “Dan gaat deze terug naar waar hij thuis hoort. Zijn er nog dingen die aangepast moeten worden?”
“Wat bedoel je?”
Fiona keek ongeduldig en Bleys nam het woord over.
“Speciale machten en voorwerpen werken niet in deze wereld, maar het is de bedoeling dat jullie spullen hier wel werken. Te denken aan de ballen van Mandor,” zei hij met een grijns. Ik keek neutraal terug.
“Of die vogel van je, je zwaard…”
“Oh zo. Ja, ik heb een valk en een paard,” zei ik. “Maar als ik meer dieren wil trainen hier, moet ik dan iedere keer jullie om toestemming vragen?” Ik dacht aan de valk van Owen.
“Nee, we stellen de wereld gewoon open op jouw dieren en je kunt meeslepen wat je maar wilt,” verzekerde Bleys me. “We maken het zo dat jij en Mandor toestemming kunnen geven aan bepaalde mensen voor wat betreft hun wapens of voorwerpen, dat geldt dan ook voor jullie zelf. Het wordt dan jullie wereld. Dat zijn de regels van deze wereld.”
Ik bedankte ze nogmaals en maakte vervolgens met meer mensen een praatje, zoals met Vialle, die blij was dat ze geen koningin meer was.
“Ik vind het ontzettend leuk voor je,” zei ze. “Al verwacht ik dat jullie het niet gemakkelijk gaan krijgen. Ik denk dat het goed is als jullie niet altijd hier zijn, toch denk ik dat je hier redelijk veilig bent.” Ze zweeg even en leek over haar volgende woorden na te denken voor ze ze uitsprak.
“Ik denk ook dat jullie hier heel goed een paar kinderen kunnen opvoeden,” zei ze zacht en liep toen weg.
“Er wordt gepraat over het feit dat je geen sieraden draagt,” zei Julia die naast me kwam staan. “Om over de verlovingsringen maar niet te spreken”
“Weten ze niet een beter onderwerp te verzinnen? Ik draag vrijwel nooit sieraden, ze zitten in de weg bij het paardrijden en mijn dagelijkse bezigheden. En wat die ringen betreft, dat komt nog. Zo’n verloving is een nieuw fenomeen voor mij, ik kan niet overal aan denken.”
Ze lachte.
“Ik vind het wel grappig,” zei ze. “Vooral het feit dat iemand als Mandor daar niet aan denkt. Hij moet het echt druk hebben gehad. Wat vind je eigenlijk van je nieuwe onderkomen?”
Ik keek om me heen in de feestzaal. Veel meer dan dit, de bibliotheek en een toilet had ik nog niet gezien.
“Ik zal het eens een keer op mijn gemak bekijken. Ik denk dat het wel een aardig huis is.”
“Wel aardig? Zie je wel, ik zei al tegen Jurt dat je het niet op waarde zou weten te schatten. Dus jullie hebben inderdaad geen inspraak gehad in dit geheel?”
“Als je dit land bedoeld en het kasteel: voor mij is het een complete verrassing.”
Ze schudde haar hoofd.
“Helpt het als ik zeg dat het je eigen schuld is? Waar heb jij ondergedoken gezeten al die tijd! Als jij onbereikbaar bent, dan voeren mensen hun eigen plan uit!”
Ik schoot in de lach.
“Denk je dat ik veel inspraak gehad zou hebben bij Deirdre of Dara? Dit alles kwam ze veel te goed uit.”
“Ja, nu heb je het inderdaad wel over twee moeilijke dames in dat opzicht,” gaf ze toe. “Maar ondertussen hoef je niet te klagen. Ik heb net op de slaapkamers rond gekeken, het is allemaal even mooi!”
“Fantastisch,” zei ik flauwtjes. Het is niet zo geweldig om een woning te hebben die door iedereen al bezichtigd is, behalve door jezelf.
“Wil je niet even wat kijken?” vroeg ze. “Dan ben je meteen een momentje weg uit de menigte.”
Het idee trok me wel, dus ik liep achter haar aan. Toen ik de zaal uitliep zag ik hoe William met een onheilspellende uitdrukking op zijn gezicht tegen Mandor stond te praten, die het blijkbaar amusant vond naar zijn gezicht te oordelen.
Julia nam me mee naar de hal, waardoor we ook binnen gekomen en daar gingen we de brede trappen op naar boven. Ondertussen wist ze me te vertellen dat er beneden ook meerdere vertrekken waren, blijkbaar ook nog zoiets als een zitkamer, een eetkamer en een enorme keuken.
“Wat ik zo geweldig vind, is dat jullie redelijk geavanceerde toiletten hebben hier, compleet met een eigen watervoorziening en een afvoer. Dat is wat toch vaak mist in 19e eeuwse huizen. Ik heb tenminste horen vertellen dat dit te vergelijken qua niveau met een Aarde van rond 1800.”
“Dat kan kloppen, ik heb me er niet zo in verdiept.”
Boven waren er, aan weerskanten van een brede gang, inderdaad een flink aantal slaapkamers. Stuk voor stuk even riant, met brede hemelbedden, een zithoek en een schrijftafel. De meeste waren voorzien van een eigen badkamer, ook al met een volledig watersysteem. De kamers waren vrij schaars gemeubileerd, zodat het mogelijk was om daar onze eigen dingen aan toe te voegen. Eigenlijk viel het me alleszins mee. Het geheel was smaakvol, maar zonder enige vorm van overdaad. Op een bepaalde manier zelfs praktisch. Er leek overal aan gedacht te zijn, zoals vloerverwarming door de gehele woning, iets waar in Gormenghast absoluut geen sprake van was. Ergens was het wat vervelend dat Julia erbij was, op die manier kon ik niet alvast in gedachten de kamers uitkiezen voor ons en onze kinderen. Want zoveel was me duidelijk, we konden het niet maken om hier nooit te zijn. Gormenghast konden we aanhouden als een soort escape van al onze verplichtingen.
Dit kasteel had een eigen karakter. Iedere kamer had een eigen kleur, maar zelfs die waren niet overdadig. Het had wel wat.
We konden niet te lang weg blijven en gingen weer terug naar het feest. Hier en daar hoorde ik mensen mopperen over het feit dat het nogal saai was en dat er geen muziek was. Wat hadden ze dan verwacht?
Mandor kwam naar me toe lopen met twee glazen wijn, waarvan hij me er één overhandigde.
“Je hebt wel wat gemist net,” zei hij met een glimlach.
“Ik heb net een stukje woning bekeken met Julia. Het was prettig om even weg te zijn. Was het iets schokkends?”
Hij lachte.
“Dat viel mee. Die neef van je heeft wat ruzie lopen maken. Gilva deed wat enthousiast en vloog hem om de nek en hij zei keihard dat hij geen demoon om zijn nek wilde.”
“Hmm, niets bijzonders tot zover. Ik zag dat hij daarnet met jou aan het praten was.”
Er kwam een geamuseerde twinkeling in zijn ogen.
“Oh ja, een heel verhaal. Wel grappig. Het komt er op neer dat hij me rechtstreeks bedreigd heeft. Als ik jou ook maar met één vinger aan zou raken, zal ik met hem te doen krijgen.”
“Ik vraag me af hoe letterlijk hij dat ‘aanraken’ bedoelt.”
Mandor grinnikte even, maar trok een afstandelijk gezicht toen Rinaldo op ons toe kwam.
“Ik heb daarstraks niet eens de gelegenheid gehad om je fatsoenlijk te feliciteren,” zei hij en vloog me tot mijn verbijstering ineens om mijn nek en gaf me een paar dikke kussen op mijn wangen.
“Is het niet geweldig dat jij nu ook in de handel gaat? Ik weet nog wel een goede…”
“Blijf van haar af!” Mandor trok met een woedend gezicht Rinaldo weg. Deze staarde hem in opperste verwondering aan en er waren meer mensen die met een verbaasde belangstelling toekeken. Rinaldo begon te lachen.
“Hee, kalm maar, ik wist niet dat je aanstoot nam…”
“Dat doe ik wel,” zei Mandor en keek hem strak aan. Rinaldo mompelde wat excuses en verdween weer in het gezelschap. Mandor schonk me nog eens wijn in, knikte naar me alsof ik niet meer dan een vage kennis was en liep weer weg. Ik wist nu definitief zeker dat de achteloze uitspraken die Mandor wel eens deed over het lot van andere mannen als ze aan me zouden zitten, serieus gemeend waren. Van mezelf weet ik heel goed dat ik abnormaal jaloers ben, om bepaalde redenen had ik echter verwacht dat Mandor boven dergelijke gevoelens zou staan. Maar het leek er zelfs op dat zijn jaloezie nog heftiger was dan de mijne, als dat al mogelijk was. En eerlijk gezegd vond ik dat best leuk.
Ik keek om me heen, het feest kabbelde voort. Veel mensen leken zich niet erg op hun gemak te voelen, dat was maar al te duidelijk te zien aan mijn vader, die zich afzijdig hield. Ik liep naar hem toe.
“Morwenna, na het diner ben ik meteen weg,” zei hij kortaf zodra ik binnen gehoorsafstand was. Ik was verbijsterd. Ik wist dat hij niet van feesten en van Chaosieten hield – niet noodzakelijk in die volgorde – maar kon hij het nu niet eens een dag volhouden? Al was het maar voor mij?
“Oh.” Wat moest ik anders zeggen? Ik had hem dingen willen vragen, even met hem willen praten, maar alle aandrang daartoe was me met die ene opmerking ontnomen. Het leek erop dat we weer terug waren bij af. Bij het begin van het opbouwen van een vaderdochter relatie. Of overdreef ik? Was ik misschien ietwat uit balans en trok ik me dit heftiger aan dan nodig was?
“Je weet dat ik dit feest niets vindt, het is hier vol Chaosieten waar ik mijn honden niet op af mag sturen,” zei hij grimmig. “Om het over de aanwezigheid van Brand maar niet te hebben. Wat die Hounds betreft zal ik je ten zijner tijd meer instructies geven, we spreken elkaar nog wel.”
“Wat je maar wilt,” zei ik aangeslagen en draaide me om. Bij mijn ouders zag ik ineens mijn broer staan, die er blijkbaar nu pas bijgehaald was.
Julian pakte me bij een arm en draaide me naar zich toe.
“Wat is er?”
“Niets,” zei ik. “Helemaal niets. Wat zou er in hemelsnaam aan de hand moeten zijn?”
Mijn vader liet me los met een niet begrijpende uitdrukking op zijn gezicht en ik wandelde van hem weg om mijn broer te kunnen begroeten. Wat op dat moment helemaal niet zo’n goed idee was. Ik zag wel dat hij fel aan het ageren was tegen mijn ouders, maar sloeg er niet echt acht op. Zodra Oleg me echter zag naderen, liep hij op me toe en pakte me bij mijn bovenarmen vast.
“Dit is natuurlijk belachelijk!” riep hij uit. “Waar ben jij mee bezig!”
“Leuk dat je gekomen bent, Oleg. Beetje laat natuurlijk!”
“Het is te idioot voor woorden! Ik was niet uitgenodigd, maar op aandringen van Mamma ben ik er maar bij gehaald. Om wat te horen? Dat mijn zus, die ik al jaren niet gezien heb, zich plotseling gaat verloven met een prins van weet ik veel?! Wat denk je wel!”
Ik was vermoeid, ik voelde me toch al niet op mijn gemak en dan kreeg ik dat ook nog over me heen. Desondanks probeerde ik hem wat te kalmeren.
“Oleg, we hebben ons vanmorgen verloofd en gaan over een week trouwen,” zei ik. “Dat is eigenlijk alles wat er te weten valt. Hij is geen slechte partij, je hoeft je niet druk te maken.”
Maar dat deed hij dus wel.
“Het is van de ene dag op de andere! Ik zie je nooit, we spreken elkaar nooit, ik weet niet beter dan dat je op reis bent. Kom ik op een dag thuis om onze ouders te bezoeken, blijken ze met de Noorderzon vertrokken te zijn, niemand weet waar ze precies naartoe zijn! En wat blijkt? Dat jij ze ontvoerd hebt hiernaartoe!”
“Oleg en Morwenna!” Mijn moeder stond ineens bij ons en keek zeer ongerust.
“Hou je erbuiten, Mam,” zeiden we tegelijkertijd.
Ze keek ons met een doordringende blik één voor één aan en liep weer terug naar mijn stiefvader, die alles met een vermaakte glimlach op zijn gezicht aan zat te kijken.
“Dat was nodig. Ze hebben er iemand mee geholpen en voor henzelf is het ook goed uitgepakt.”
“Noem je dat goed? Mamma is onherkenbaar veranderd. Ik wil het echter niet over hen hebben, maar over jou. Ik hoor allemaal rare dingen. Je zou een prinses zijn?”
“Klopt. Van Amber.”
“En wat is dat? En waar zijn we hier?”
“Dit is Elysium, dat ligt tussen Amber en Chaos.”
“Chaos dus. Ik begrijp dat je hebt laten dwingen om te trouwen met één of ander omhooggevallen Chaos prins?”
“Het was geen dwang, maar mijn eigen keuze. En hij is een prins doordat zijn vader koning is.”
“Ik snap er niets van en ben het er ook niet mee eens! Waarom wordt mij niets gevraagd?”
“Ik wist niet dat ik mijn broer om toestemming diende te vragen. Luister, zowel onze ouders als mijn vader zijn er mee akkoord gegaan. Dus je hebt er niet veel tegenin te brengen.”
“Morwenna, ik ben er op tegen! Dit is een gearrangeerd huwelijk en eerder heb je zoiets al geweigerd!”
“Dit is belangrijk. Dit is om de vrede tussen Amber en Chaos te verstevigen.”
“Alweer dat Amber! Waar heb je het over? Waar ter wereld ligt dat?”
Tja, probeer maar eens iets uit te leggen over Amber, werelden en Schaduwen aan iemand die er iets over weet, erger nog, die boos is en geen zin heeft om zich erin te verdiepen. Toch deed ik een zwakke poging die helemaal niet aankwam.
“Onzin! Allemaal geleuter. En jij denk dat het nog waar is ook? Ik moet toegeven dat het lijkt of er iets geklooid is tijdens het reizen, maar de praatjes waar jij mee aankomt… Jij bent echt veranderd! Je praat gek en je kleed je vreemd!”
Ik keek naar mijn broer zoals hij daar stond. Iets langer dan ik, tenger gebouwd, warrig kort donkerblond haar, wat sproeten op zijn neus en groene ogen. Niet onknap, hij leek veel meer op mijn moeder dan ik. En nu straalde hij woede uit. Hij praatte harder dan wenselijk en ik merkte dat om ons heen gesprekken stil vielen en men naar ons stond te luisteren. Buiten hoorde ik de Barghest huilen. Het leek niet erg goed te gaan.
“Oleg, zou je wat zachter kunnen praten en me los laten?” vroeg ik vriendelijk.
Hij liet me los en tierde verder.
“En ineens ga je trouwen! Je broer moet het als laatste horen, je hebt zelfs de moeite niet genomen hem te komen voorstellen! Een politiek huwelijk. Morwenna, dat is niets voor jou! Ik heb altijd gedacht dat je ooit met je grote liefde zou trouwen als je die ooit zou vinden. En wat doe je nu? Je gaat trouwen met iemand die je niet kent, in het belang van een paar duffe koninkrijken?! Belachelijk! Ik weet dat je een andere vader hebt dan ik, ik snap niet dat die vent dat goedkeurt! Handig in het gebruik, dochters. Kunnen uitgehuwelijkt worden!”
Ik begon boos te worden en was me maar al te bewust van de belangstellende blikken om ons heen.
“Ik wil niet dat je zo praat over mijn vader,” zei ik zacht doch dringend. “Dit is geheel mijn eigen keuze.”
Hij boog zich naar me toe en ging verder met uitfoeteren, gelukkig voor even op wat zachtere toon.
“Je had hem aan me moeten voorstellen. Jij hebt geen enkele kijk op mannen. Dadelijk is hij het type dat zijn vrouw slaat en dan zit jij ermee!”
“Zo is hij niet!” siste ik terug. “Je beoordeelt iemand die je helemaal niet kent!”
“Alsof jij hem wel kent!” Hij keek in de richting van Mandor, ging rechtop staan en keek mij weer aan.
“Dat is hem toch? Ik mag hem niet, zijn blik staat me niet aan. Dat is een enorme droogkloot, dat zie ik in één oogopslag.”
“Je kletst Oleg. Je bent bevooroordeeld.”
“Oh ja?” Zijn stem werd weer luider. “Moet jij nodig zeggen! Je hebt een actiever iemand nodig, iemand die je mee uit neemt, iemand die zich gewoon voor komt stellen! Dit is een droogstoppel. Je hebt gewoon geen verstand van mannen, dat komt vast door het feit dat je liever met die monsters van je optrekt.”
Ondanks zijn aantijgingen schoot ik in de lach, iets wat hem nog bozer maakte.
“Ja, lach maar!” riep hij uit. “Luister maar niet naar je broer. Stel dat je kinderen van hem krijgt! Daar had je nog niet aan gedacht hè?!”
“Oleg,” zei ik smekend, “hou nu op. De feiten liggen nu eenmaal zo en ik ga dat niet veranderen omdat het jou niet bevalt.”
“Nee, ik hou niet op!” schreeuwde hij. Buiten begonnen de Barghest opnieuw te huilen, dit keer klonk het dichterbij
“Keep your voice down!” siste ik. “De honden worden onrustig, ik wil geen problemen!”
Hij keek even om zich heen naar al die mensen die ons aan stonden te staren en ging inderdaad op zachtere toon verder.
“Ga je nu nog dreigen ook? Ik heb ze wel gezien, nog meer monsters voor mijn zus. Je bent helemaal doorgeslagen!” Weer ging hij luider praten. “Is dat nog vanwege dat ongeluk? Dat is echt nog aardig overgegaan! Ik wist niet dat je daar een psychisch trauma aan had overgehouden.”
“Daar heeft het helemaal niets mee te maken,” zei ik boos.
“Oh jawel, mij hou je niet voor de gek. Je denkt nog steeds dat je geen man kunt krijgen en dan trouw je maar met de eerste de beste die voor je geregeld wordt. Morwenna, je bent helemaal genezen, al jaren geleden en er zijn mannen die je leuk vinden!”
“Hou erover op Oleg, dat ongeluk heeft hier niets mee te doen. Ik heb vriendjes gehad, al geloof je dat niet. Dit huwelijk is niet een soort noodspong van mijn kant.”
“Je wilt niet luisteren hè? Dat heb je nooit gedaan, luisteren naar goede raad. Toch heb ik dat voor je: bedenk je. Trouw niet met die droogpruim, er zijn echt leuke kerels in de buurt. Sinds dat ongeluk ben je je bizar gaan gedragen in alle opzichten. Je doet rare dingen. Misschien teveel paddestoelen gegeten tijdens je reizen?”
“Praat niet zo raar,” zei ik geërgerd. “Je krijgt me niet van mijn voornemen af.”
“Goed,” hij keek weer naar Mandor die al die tijd met een frons tussen zijn wenkbrauwen naar ons gesprek had staan kijken. Ik wist niet zeker wat hij gehoord had, al eerder had ik gemerkt dat hij een uitstekend gehoor had. “Als jij niet wilt luisteren, dan zal ik die aanstaande van jou wel even overtuigen.”
Hij voegde meteen de daad bij het woord en stampte naar Mandor toe. Ik liep even naar mijn ouders toe, die inmiddels beiden wat aangeslagen waren.
“Hij moet zo niet praten tegen je,” zei mijn moeder. “Waarom kan hij niet gewoon aardig doen? Heb ik al die moeite gedaan om die ene oom van jou te overtuigen hem hier naar toe te halen, gedraagt hij zich zo! Hij had beter kunnen blijven waar hij was.”
“Ik snap het wel, hij voelt zich overrompeld,” zei ik zuchtend. “Maar we hebben ieder ons eigen leven gekregen. Dat dringt nog niet zo tot hem door.”
“Hij zou zich moeten schamen,” mopperde mijn moeder. “Wij hebben toch al toestemming gegeven? Waar bemoeit hij zich mee. En wat moeten al die gasten hier niet van denken.”
“Amberieten en Chaosieten voornamelijk,” zei ik luchtig. “Die zijn wel erger gewend.”
Mijn stiefvader grinnikte ineens en keek mijn moeder olijk aan.
“Ik wed dat het morgen allemaal in de krant staat. Kan iedereen ervan mee genieten.”
“Och nee toch, verzuchtte mijn moeder.
Oleg stond op luide toon en met een rood hoofd tegen Mandor te praten, die het zo te zien grappig leek te vinden en sussende gebaren maakte. Dat maakte mijn broer nog bozer.
“Ik ga even ingrijpen,” zei ik tegen mijn ouders en liep naar het tweetal toe. Ik pakte Oleg bij zijn arm die me woedend aankeek.
“Zal ik je wat te drinken inschenken?” vroeg ik en trok hem mee naar de dranktafel. “Wat lus je?”
“Hetzelfde als altijd,” zei hij met een nors gezicht.
“Je kent me Oleg, ik heb geen idee wat jij altijd drinkt.”
“Natuurlijk wel,” zei hij onwillig. “Doe maar scotch.”
Ik schonk hem in en nam zelf nog een glas rode wijn. Hij nam een slok en staarde broedend voor zich uit.
“Zoals ik al dacht is er niet te praten met die aanstaande van je,” zei hij kregel. “Hij deed net of het hem allemaal niet aanging en zei vervolgens niet van zins te zijn om op het voornemen terug te komen. Oh ja, aardig en beleefd en me behandelen als een klein kind. Hij zei dat ik geen ruzie moest maken met jou enzo, wat denkt hij wel!”
Ik zuchtte.
“Ik wil er best nog eens over praten met je, maar dit is niet echt de gelegenheid.”
“Oh nee!” Hij begon weer buiten zichzelf te raken. “Als hij zich niet eerder komt voorstellen, dan is dit de enige gelegenheid! Ik ben het er niet mee eens! Maar als jullie je niet laten overtuigen… Dat is toch je vader?” Hij wees naar Julian die zich heel even binnen liet zien om zichzelf wat bier in te schenken. “Hij zal naar me luisteren.”
Hij rende op mijn vader af die hem met verbazing bekeek. Ik liep achter hem aan
“Ik wil met je praten over dit gedoe!” riep Oleg.
“Dat kan,” zei mijn vader kalm. “We zullen even een eindje wandelen.”
Hij voerde mijn broer aan zijn arm de zaal uit en keek even om naar mij terwijl hij zijn hoofd schudde ten teken hen niet te volgen. Ach ja, waarom zou hij mij er ook bij willen hebben.

Toen ik me omdraaide, botste ik zowat tegen Mandor op, die een arm uitstak om me tegen vallen te behoeden.
“Gaat het een beetje?” vroeg hij bezorgd.
“Afgezien van een kleine discussie met mijn broer, redelijk,” zei ik.
Hij glimlachte.
“Ik denk dat hij zich overvallen voelt, hij leek helemaal van niets te weten. Hij liet zich alleen niet kalmeren.”
“Oleg is zelden boos, maar als hij dat is, kan het dagen duren,” zei ik.
“Dan hoop ik dat hij zich eroverheen heeft gezet voor de bruiloft. Weet je dat je nu al twee beschermers hebt? Hij heeft me ook al bedreigd dat ik je niets mag aandoen. Ik vind het amusant, die mensen die voor je opkomen. Heb jij nu ook gehad dat er mensen voor mij opkwamen?”
“Nee,” glimlachte ik. “Blijkbaar word ik niet als een gevaar voor jou gezien.”
Dara kwam met een stralende lach naar ons toelopen.
“Dadelijk begint het diner!” riep ze enthousiast. “Wat heb jij een leuke broer, Morwenna! Dat lijkt me een jongeman met pit! Oh ja, ik zou het bijna vergeten, ik heb nog een briefje voor jullie van mijn man.” Ze overhandigde een velletje papier, waarop we met een bibberig handschrift van harte gelukgewenst werden met ons voorgenomen huwelijk, getekend door G.S.. Ik vroeg me stiekem af hoeveel moeite het Gramble had gekost om dat zo bibberig mogelijk te schrijven.
“Op de bruiloft zal hij er wel bij zijn,” dacht Mandor.
“Oh ja, daar ben ik van overtuigd,” zei Dara. “Misschien dat met voldoende rust van tevoren en wat pilletjes hij zich wat beter zal voelen.”

Er werden lange tafels gedekt. Mandor en ik moesten aan de grote tafel in het midden, ieder aan een hoofd, zodat als we iets tegen elkaar wilden zeggen, we heel hard moesten praten. Dus we zeiden niets tegen elkaar tijdens het diner. Dara zat vlak bij mij, Deirdre bij Mandor. Mijn vader en broer kwamen binnen en schoven ieder aan een andere tafel. Oleg leek iets gekalmeerd te zijn, al hoorde ik hem halverwege het diner weer opspelen over de voornemens en liet hij vooral luid en duidelijk weten het er niet mee eens te zijn.
Er was ruim voldoende te eten voor iedereen en het was lekker. Ik was uitgehongerd na een hele middag van staan, rondlopen, handjes schudden, nietszeggende praatjes te verkopen en te vooral veel te glimlachen. Aan tafel werd er over van alles en nog wat gepraat, maar niets wat echt ter zake deed. Dara was uiterst tevreden, dit was een heel mooie verloving, ‘alleen jammer van de ringen.’
Het diner was nog maar net ten einde, toen Julian opstond en Ronardo wenkte. Tot mijn verbazing gingen ze zomaar, zonder afscheid te nemen, weg.
Op dat moment werd het me duidelijk. Mijn vader, die zich hier niet prettig voelde tussen de Chaosieten en het niet kon opbrengen om te blijven tot het einde. Bij Rhexenors bruiloft was hij de volle drie dagen gebleven en daar waren ook Chaosieten. Ik wist dat hier heel veel over gepraat zou gaan worden, zijn houding ten opzichte van dit hele huwelijk was nu voor iedereen meer dan duidelijk. En wat erger was, persoonlijk gezien, is dat hij wel tijd kon vrijmaken voor een neef die eerder duidelijk had laten merken mijn vader helemaal niet te mogen. Ik had een vermoeden hoe dat kwam, ten eerste zou Ronardo het nooit aanleggen met een Chaosiet, ten tweede is hij een zoon van Fiona en Fiona is nu eenmaal zwaar favoriet bij mijn vader. Voor een zoon van haar zou hij alles doen. En ik heb hem nu eenmaal zwaar teleurgesteld als dochter. Dan te bedenken dat hij nog niet eens wist dat ik een Sawall als overgrootvader had. Mijn vader had gedaan wat hij moest doen voor me, eigenlijk meer. Ik had beter moeten luisteren de laatste keer, toen hij tegen Ronardo opmerkte meer van mij te weten dan hij wilde weten. Dat was aanwijzing genoeg geweest, ik had hem met rust moeten laten in plaats van nog meer van hem te eisen. Het lag allemaal aan mij.

Voordat ik mezelf helemaal kon laten wegzinken in gepieker, gebeurde er iets waar ik helemaal niet op gerekend had. We zaten aan de koffie toen ineens de deuren van de zaal opengingen en er een dame binnen kwam rennen. Ze stond even stil, keek in het rond, zag mij en rende mijn richting uit. Tot mijn niet geringe verrassing gooide ze een dolk voor me in de tafel. Iedereen was ineens doodstil.
“Bij het verdrag van Chaos en Amber heb ik het recht om je uit te dagen tot een duel! Bitch!” Het laatste woord spoog ze uit. Ik staarde naar de dolk, terwijl ik een vermoeden begon te krijgen wie zij was. Ik keek naar Mandor, die stomverbaasd naar haar zat te staren. Om me heen werd er wat gerumoerd.
“Dat is een geldige uitdaging,” zei Dara. Om me heen werd bevestigd geknikt. Mandor stond op alsof hij wilde ingrijpen, maar werd terug geduwd door Deirdre.
“Er mag niemand ingrijpen, ook jij niet. Dat weet je. Dit is een legale uitdaging.”
Ik keek van de dolk op naar de dame. Lang donker haar, bijna zwart. Heel donkerbruine, ietwat schuinstaande ogen en een enigszins getinte huid. Ze deed me wat Oosters aan. Slank, 1 meter 60 lang en ook ik zag dat ze een bijzondere knappe schoonheid had. Allemensen, het was toch niet mogelijk dat Mandor zo’n knappe dame had laten schieten! De jaloezie vlamde heftiger in me op dan ooit tevoren. Hoe kon ik het qua schoonheid ooit opnemen tegen zo’n dame! Oh ja, sinds ik over haar had gehoord, had ik een hekel aan haar gehad, ik was altijd bang geweest dat ze me op een goede dag Mandor zou afpakken. Ik had echter niet verwacht dat dat vandaag zou zijn.
“Sorry, ik heb je naam niet gehoord,” zei ik.
“Ik ben Navrashi Xenoban en ik daag je uit!” riep ze. Daarna nog iets in een taal die ik niet herkende.
Ik keek weer naar de dolk die in de tafel stak. Ik had al in zeer lange tijd niet meer getraind, dat zou zeker een nadeel zijn. Maar de uitdaging niet aannemen zou laf zijn en ik haatte haar genoeg om tegen haar te kunnen vechten. Ik keek weer naar Navrashi. Haar ogen straalden een pure haat voor me uit. Dat zou een moeilijk gevecht kunnen gaan worden.
“Goed,” zei ik kalm. “Ik neem de uitdaging aan.” Ik trok de dolk uit de tafel, alle tafels werden aan de kant gezet en er werd ruimte voor ons vrijgemaakt. Ik keek snel de omstanders langs, de meeste vonden dit geweldig en begonnen me aan te moedigen, zowel Amberieten als Chaosieten. Allerlei verschillende adviezen werden me toegeroepen, waar ik beter niet naar kon luisteren, want ze werkten alleen maar verwarrend.
“Het is de bedoeling dat je haar verslaat,” zei Dara dwingend in mijn oor. “Ga ervoor!”
Ik zag mijn moeder en mijn broer die uiterst geschokt stonden te kijken. Mijn stiefvader die het wel interessant leek te vinden. En Benedict, die naar me knikte. Alsof ik daar iets aan had. Mandor die dit zo te zien afschuwelijk vond. Was dat voor haar of voor mij? Want dat was altijd mijn grootste angst geweest, hoe zouden zijn gevoelens voor haar zijn als hij haar weer terug zou zien?
Navrashi stond tegenover me, in aanvalshouding met haar dolk. Ze straalde haat en woede uit.
“Kom maar op als je durft!” schreeuwde ze. “Bitch!”
Ik wachtte nog even af terwijl ik wat mogelijkheden overwoog. Er waren twee personen geweest die me hadden getraind en Benedict was bijzonder ontevreden geweest wat ik op vechtgebied van Julian had geleerd. Ik besloot om eerst wat uit te testen en vloog haar aan, met de bedoeling toe te steken.
Haar gezicht stond vertrokken, ze haalde uit en ik had een enorme jaap over mijn linkerbovenarm te pakken. Het bloedde allerhevigst en deed zeer. Zij had geen schrammetje.
Weer stonden we tegenover elkaar. Ik besloot om Benedicts vechttechniek toe te gaan passen. Deze keer ging zij in de aanval en op het laatst deed ik een stap opzij en zij struikelde. Ze krabbelde weer overeind.
“Lafaard! Bitch! Blijf staan! Ik rijg je aan reepjes en hak je aan stukjes, je zult hem niet krijgen!” Ze spuugde in mijn gezicht. “Bloedende kip!”
Weer stonden we tegenover elkaar. Het viel me op dat haar bewegingen gracieus waren, veel meer dan de mijne. Vaag hoorde ik om me heen de aanmoedigingen van de omstanders, het enige wat me daarvan bijbleef was dat zij zo te horen geen supporters had.
Ik keek naar de plaats waar ze stond, schatte waar ik uit moest komen om toe te steken en maakte de duik. Tijdens die duikvlucht stak ik toe, maar ze stapte lenig opzij. Vervolgens stak zij toe en had ik een flinke snijwond over mijn rechterbovenarm die ook zeer deed. Mijn andere arm was gaan tintelen inmiddels en kon ik niet echt meer gebruiken. Dit was voor mij heel erg fout aan het gaan. Voor me zag ik ineens het beeld van Owen van de laatste keer dat ik hem gezien had. Betraande ogen, uitgestoken armpjes. “Mamma niet weg!” Ik had beloofd dat ik terug zou komen, maar als het zo verder zou gaan, zou het kind moederloos opgroeien.
Ik ging weer overeind staan en veegde mijn haar, dat losgeraakt was, uit mijn gezicht. De techniek van Benedict werkte niet, het was tijd om over te stappen op de dingen die ik van mijn vader geleerd had, voornamelijk gebaseerd op hoe een tegenstander te verslaan die sterker was dan ik.
“Ha! Moet je jezelf eens zien! Smerige hoer! Slet!”
Dat hoefde ik mezelf niet te laten zeggen. ‘Bitch’ was nog tot daar aan toe en niet geheel onterecht, maar ik was geen hoer. Ik grijnsde naar haar en wachtte af. Zoals ik al verwachtte maakte de grijns haar hels en ze vloog me aan. In plaats van weg te duiken, bleef ik echter staan en stak toe. Ze had haar eerste wond opgelopen, haar linkerarm was nu aan het bloeden. Wel had ze kans gezien om weer toe te steken, een kras in mijn bovenbeen dwars door mijn jurk heen. Ook had ze aan de stof getrokken, zodat ik met een ontbloot been temidden van een heleboel mensen stond. Een aantal mannen juichte.
“Whoah! Nog meer, nog meer!”
Ik vind een glimp van Mandors gezicht op. Hij stond niet aan te moedigen of te juichen, maar hij was tot het uiterste toe gespannen, zo had ik hem nog nooit gezien. Op dat moment wist ik heel zeker hem niet te willen verliezen, dit gevecht moest ik niet alleen voor Owen winnen, maar ook voor hem.
Op haar volgende aanval was ik niet helemaal berekend en dat moest ik bekopen met een flinke bloedende wond over mijn andere been en mijn jurk was dusdanig gescheurd dat mijn bustehouder en slipje zichtbaar waren, tot groot genoegen veel mannen. Het was gewoon gênant.
“Whimp! Stomme trut, hoer! Je hebt hem behekst! Heks! Je krijgt hem niet, hij is van mij!” Ze was zo nijdig dat ze niet goed uit haar woorden leek te kunnen komen. Ik ging er vol tegenaan. Ze was een heel beduchte tegenstandster en ontzettend fel. Ergens bekroop me het gevoel dat ze misschien niet zo’n goede vechtster was, maar dat de woede in haar voordeel werkte. Ik liep aardig wat verwondingen op, maar zij ook. Het werd tijd dat ik de doodsteek ging uitdelen. Hoewel? Wilde ik haar echt dood dan? Ze was zonder meer mijn rivale en het was duidelijk dat ze een enorme wrok tegen me koesterde. Misschien was het genoeg om alleen te winnen, niet te doden.
Het grootste deel van de toeschouwers was laaiend enthousiast, Dara, de koningin van Chaos, sprong op en neer en in haar handen te klappen.
Hoe het precies gebeurde weet ik niet meer. Ik was me aan het prepareren voor een volgende aanval toen ze weer op me afstormde. Instinctmatig stak ik mijn dolkhand uit om mezelf te verweren en ze sprong recht in mijn mes. Heel even kwam het in me op dat ze dit expres deed. Ze viel tegen me aan en we vielen samen op de grond. Haar bloed stroomde over me heen, alsof ik al niet genoeg was toegetakeld door mijn eigen bloed. Ze begon te kronkelen, alsof ze probeerde te veranderen. Vormveranderaars kunnen op die manier hun wonden helen wist ik, maar dat zou haar niet gaan lukken. Mijn mes zat in de weg. Met een lichte aarzeling maakte ik de keuze en trok het mes uit haar borst. De verandering zette toen even door en stopt. Ik duwde het bewusteloze lichaam van me af en ging overeind zitten. Iemand kwam naar me toe die me mijn mes afnam en het hare wegpakte.
“Je hebt gewonnen, het is voorbij,” hoorde ik zeggen. Om me heen werd er gejuicht terwijl ik mezelf helemaal niet geweldig voelde.
“Oh, de jurk is helemaal bedorven!” hoorde ik iemand ontzet snikken en ik zag in een flits Lieveke die haar handen voor haar gezicht had geslagen. Ik ging staan en voelde een duizeling op komen zetten, ik had behoorlijk veel bloed verloren.
“Ik zou me even graag willen omkleden,” zei ik zwakjes. Met opzet keek ik niet naar Mandor, ik wilde niet weten of deze overwinning een teleurstelling voor hem zou zijn. Flora en Dara waren al bij me en weerden iedereen af.
“Het komt echt in orde,” verzekerde Flora mijn moeder die met een inwit gezicht op ons af kwam rennen.

Ik werd meegenomen naar een slaapkamer met als hoofdkleur blauw. Daar werden de restanten jurk en mouwvest van me afgehaald en Flora sommeerde Dara om voor de kleding zorg te dragen. Dara was bijzonder opgewekt.
“Wat geweldig! Je hebt je uitstekend geweerd! Beetje vals spelen, maar daar ben je Amberiet voor. Ik had het niet beter kunnen organiseren. Alleen vreemd dat ze nu op komt duiken, ik dacht dat ze gevangen zat.”
“Als jij nu voor die kleding zorgt!” zei Flora scherp. “Dan praat je dadelijk maar verder.” Dara leek niet aangeslagen door het standje en begon zich te concentreren op de resten kleding. Dat kostte haar heel veel moeite en tijd, aangezien magie hier maar zwak werkte.
Intussen verzorgde Flora eerst snel mijn wonden, zodat ze niet meer verder bloedden. Daarna haalde ze een kom water uit de badkamer en begon me zorgvuldig te wassen.
“Een bad was nu handiger geweest,” zei ze met een lachje. “Maar dan zullen je wonden weer opengaan.”
Het was eigenlijk heel prettig om me te laten verzorgen. Flora was zorgzaam, op een bijna moederlijke manier en ook Dara was erg behulpzaam. Er werd vrijwel niet gesproken, wat wel zo prettig was, want er speelde genoeg door mij hoofd. Wat had Navrashi bezield om hier te komen en me uit te dagen! Wat dacht zij nog met Mandor te hebben? Hij had gezegd dat er niets meer tussen hen was, dat ze alleen samen waren om voor hun kind te zorgen. Na de dood van Dehera was er wat hem betrof niets meer over. Maar het leek erop dat zij er anders over dacht. Hoe was het om jaren, eeuwen opgesloten te zijn? Te weten dat je kind was vermoord door je eigen familie? Het moest verschrikkelijk zijn om een kind te verliezen, ik hoopte dat nooit mee te hoeven maken. Was zij daar misschien nooit bovenop gekomen? Had ze altijd gedacht dat er nog iets was tussen haar en Mandor? Of had ze gehoopt dat hij haar zou komen halen? Zou ze van hem hebben gehouden of nog van hem houden? Mandor zelf zei dat er nog nooit iemand van hem gehouden had, dus wat was het dan wat ze voor hem had gevoeld? Of nog voor hem voelde? Was dit alles misschien gekrenkte trots?
Dara had al mijn kleding weer netjes weten te repareren en schoon gekregen. Flora had na het wassen alle wonden opnieuw verbonden en ik liet het toe dat ze me aankleedden. Flora deed mijn haar opnieuw en net toen ze klaar was, ging de deur open en kwam Mandor binnen.
“Laat ons even alleen,” zei hij tegen Flora en Dara. Dara zag eruit alsof ze wilde protesteren, maar Flora pakte haar bij een arm en nam haar mee. De deur werd zachtjes achter ze dicht getrokken. Mandor wachtte even om zich te verzekeren dat ze echt weg waren en ging toen op een stoel tegenover me zitten.
“Sorry Morwenna,” zei hij. “Dit had niet mogen gebeuren.”
“Je zei dat ze ergens opgesloten zat,” zei ik zacht.
“Daar was ik van overtuigd. Blijkbaar heeft ze gehoord over onze verloving en is ze ontsnapt.”
“Waarom dan nu? Ik bedoel, je was toch niet getrouwd met haar ofzo?”
“Nee. Dit wordt mijn eerste huwelijk. Ik heb geen idee wat voor claim ze op mij denkt te hebben zelfs.”
Ik zweeg even. Ze hadden samen een kind gehad, er was in ieder geval een afspraak geweest om samen voor haar te zorgen. Misschien waren er meerdere afspraken gemaakt, waarvan zij nog dacht dat ze golden. Toch was het raar. Als ze nu kon ontsnappen, had ze dat ook eerder kunnen doen en kunnen proberen om Mandor voor zich terug te winnen. Was het voor haar dan toch een principekwestie geweest? Maar waarom was ze dan zo vreselijk boos?
“Misschien wil ze je weer terug…” zei ik voorzichtig.
“Toen ze daar ineens stond… en ook tijdens het gevecht…” Hij greep mijn handen en keek me recht aan. “Morwenna, ik voelde helemaal niets voor haar.”
Ik wist dat hij de waarheid sprak en voelde me ineens warm worden van binnen.
“Ik ben blij dat te horen. Ik heb dus niet voor niets de uitdaging aangenomen.”
Hij glimlachte, liet mijn handen weer los en ging achterover zitten.
“Je hebt gewonnen.” In zijn stem klonk trots door. “Je hebt het fantastisch gedaan. Je hebt mij gewonnen. Wat voor claim ze ook dacht te hebben op me, die is door jouw overwinning ongedaan gemaakt. Je hebt haar verslagen en als je wilt kun je haar laten doden.”
“Ik heb haar juist in leven gelaten,” zei ik weifelend.
“Het was een gevecht tot de dood,” zei hij. “Dus waarom deed je het?”
“Tot de dood?” vroeg ik verbaasd. “Dat heb ik niet begrepen.” Ineens herinnerde ik me dat ze iets had geroepen in een mij onbekende taal en vroeg hem ernaar.
“Dat betekende dat het gevecht pas beëindigd zou worden door de dood van één van beide tegenstanders. Je stemde daarmee in.”
“Is deze uitkomst dan niet geldig?”
“Jawel. Zo nauw wordt er nu ook niet gekeken. Je hebt haar verslagen en haar leven is nu in jouw handen. Dat kan haar dood betekenen, als je dat niet wilt is verbannen ook een optie. Er wordt verwacht dat je een uitspraak zal doen. Op het moment is ze in verzekerde bewaring. Terug naar haar familie zal ze niet kunnen. Ze is een Xenoban, dat betekent dat ze, doordat ze is ontsnapt, hoogstwaarschijnlijk verstoten zal worden.”
Beslissen over een leven is niet niks. Ik keek hem hulpzoekend aan. Hij schudde zijn hoofd.
“Je zult echt zelf de beslissing moeten nemen,” zei hij zacht. “Dat zijn de regels.”
“Goed,” zei ik. “Dan zal ik haar laten verbannen.”
“Zoals je wilt.” Hij stond op.
“Ik wil je nog één ding zeggen, Mandor.”
Hij keek me vragend aan.
“Toen tijdens dat gevecht… ik besefte dat ik je niet wilde verliezen, je niet aan haar te laten. Misschien klinkt dat stom…”
Hij keek een poosje nadenkend op me neer voordat hij iets zei.
“We praten daar nog over. Niet hier en nu. Ik kan niet langer met jou op één kamer blijven nu, anders gaan ze praten. Ik moet weer gaan.”
“Ik ga mee,” zei ik.
“Weet je het zeker? Voel je je goed genoeg?”
“Ik heb genoeg tijd gehad om bij te komen,” zei ik glimlachend. “Dara en Flora hebben goed voor me gezorgd.”
Hij hielp me overeind, wat wel zo prettig was, want de wonden trokken toch nog behoorlijk. De duizeligheid was gelukkig weg. Hij gaf me een arm en zo gingen we weer samen naar de feestzaal. Een aantal mensen juichten toen we binnenkwamen, anderen keken opgelucht. Random kwam meteen naar me toe.
“Je moet een beslissing nemen,” zei hij.
“Heb ik al gedaan. Ik wil haar laten verbannen.”
“Hmm, dat zal niet echt goed vallen,” zei hij. “Maar de beslissing is aan jou.”
Hij liep naar het midden van de zaal, waar alle sporen van het gevecht inmiddels verwijderd waren en deelde mijn beslissing officieel mee. Het was inderdaad een teleurstelling voor vrijwel iedereen, zowel de Amberieten als de Chaosieten.
“Veel te mild!” werd er geroepen.
“Onthoofding! Vierendeling!” riepen anderen.
Deirdre kwam naar me toe en complimenteerde me met het gevecht.
“Je hebt je uitstekend geweerd,” zei ze, terwijl ze me met een verontschuldigende glimlach naar Mandor naar de koffietafel begeleidde en koffie voor me inschonk.
“Eén van de officiële afspraken die er gemaakt is tijdens de wapenstilstand, is dat een uitdaging als deze altijd geldig is. Dat was nodig, geschillen kunnen op die manier meteen worden uitgevochten, zonder dat er meteen een hele oorlog weer aan vast zit. Een openlijke oorlog is dan ook verboden. Zowel Amberieten als Chaosieten hebben al een aantal keer hiervan gebruik gemaakt. Het feit dat jij deze uitdaging hebt gewonnen is een heel goede zaak. Je hebt namelijk niet voor Amber of Chaos specifiek gevochten, maar je hebt het belang van de wapenstilstand verdedigd en gewonnen.”
Ja, zo kon je het natuurlijk ook bekijken. Terwijl ik, wat mezelf betrof, louter uit egoïstische redenen had gevochten. Daar had zowel Amber als Chaos niets mee te doen gehad, net zomin als het belang van de vrede. Ik had gevochten om een man.

Als ik gedacht had dat het ‘feest’ zo wel voorbij was, had ik het mis. Er lag nog een avond van koffie met gebak en daarna drankjes en hapjes voor ons. Omdat Caine er niet was, besloot ik Benedict aan te spreken aangaande de erkenning. Mijn oom stond met zijn rug tegen een muur aangeleund, stram als altijd, de gasten in de gaten te houden, met name een aantal Helgrams die eerder bij mijn broer aan tafel hadden gezeten. Op zich leken ze zich trouwens helemaal niet verdacht te gedragen, maar Benedict heeft een fijne neus voor herrieschoppers, ik vermoedde dat zijn aandacht voor hen niet geheel onterecht was. Ik liep naar hem toe en hij vestigde zijn ogen op mij.
“Morwenna,” zei hij uitdrukkingsloos.
“Benedict, ik zou graag eens met je willen spreken, liefst zo spoedig mogelijk.”
“Wanneer?” vroeg hij terwijl hij zijn blik weer naar de jongens keerde.
“Als het uitkomt. Nu, vlak na het feest… in ieder geval snel dus.”
“Dat moet kunnen. Een ogenblik.” Terwijl hij de jongeren in de gaten bleef houden, liep hij naar Gérard toe en wisselde een paar woorden met hem. Gérard knikte en liep met een wankele pas naar de plaats waar eerder Benedict had gestaan. Met een domme, halfdronken uitdrukking op zijn gezicht en een grijns van oor tot oor bleef hij staan. Ik wist dat het allemaal toneelspel was, maar ik zag dat mijn moeder er met twee voeten in trapte. Er verscheen een geschokte uitdrukking op haar gezicht die zich omzette naar boosheid. Mijn moeder is soms best naïef, ik voelde wat medelijden met haar. Dit verlovingsfeest had ze zich waarschijnlijk zo heel anders voorgesteld.
“We kunnen het kasteel gaan bekijken,” stelde Benedict voor toen hij naar me toe kwam. Ik knikte en liep samen met hem de trappen op en een aantal gangen door. Af en toe bleef Benedict ergens staan en gaf hij commentaar op de inrichting, die hij wat overdadig vond.
“ik vind het meevallen,” zei ik. “En hier en daar kan er een herinrichting plaats vinden.”
Over de constructie van het geheel was hij echter redelijk te spreken. We liepen een wenteltrap op die uitkwam op een toren met kantelen en die vond hij qua verdedigbaarheid wel gaan.
Dat trappen lopen deden mijn verwondingen overigens flink trekken en ik merkte dat de steek die het eerst was toegebracht opnieuw begon te bloeden. Gelukkig niet zo hard dat het vlekken gaf op mijn kleding.
“Het hele kasteel is redelijk,” was zijn eindconclusie. “Alleen wat veel luxe dus. Ach, wat kun je anders verwachten met Bleys.”
“Het is immers bedoeld als woonkasteel,” zei ik.
Hij schudde medelijdend zijn hoofd.
“Nee Morwenna, de constructie van dit kasteel is gemaakt om in de eerste plaats te kunnen verdedigen. Niet om te wonen. Tenslotte zit je hier aan het front.”
Ik staarde hem aan. Ook dat nog. Alsof we hierop zaten te wachten. Ik begon steeds meer het gevoel te krijgen dat ik alle bijkomende aspecten van deze voorgenomen verbintenis zwaar onderschat had.
“Het front? Hoezo dat?” vroeg ik naar de bekende weg.
“Dit is een plaats waar mensen samen gaan komen uit heel verschillende culturen. Dat schept problemen. Vervelende dingen, zoals aanslagen, gebeuren altijd op dit soort plekken.”
“Oh. Je bedoelt dat we ook nog zoiets als wachters moeten hebben?”
Hij zuchtte eens diep.
“Natuurlijk. En moet ik me dan voorstellen dat jij of je aanstaande die gaan aanvoeren?”
“Eh… nou, misschien dat we dat aan een legerleider kunnen overlaten. Ik zou daarnaar op zoek kunnen gaan.” Eigenlijk interesseerde het hele hoofdstuk wachters en soldaten me maar matig, maar dat kon ik niet laten merken aan deze oom, al had ik toch het gevoel dat hij me goed doorhad.
Hij hief zijn ogen ten hemel en toen keek hij me streng aan.
“Je hebt natuurlijk ook heel veel verstand van legeraanvoerders. Ik durf te wedden dat je het verschil niet weet tussen een luitenant en een korporaal.”
“Dat zou ik dan uit kunnen zoeken,” zei ik hem wat tegemoet komend.
“Laat maar. Ik vermoedde al dat zoiets niet je sterkste kant is, om over die verloofde van jou maar niet te praten. Ik heb Rhexenor gestuurd die een afdeling heeft gehaald. Zo’n honderd man, een beetje weinig, maar daar kan aanvulling op komen. Praat er met hem over.”
“Dat is goed,” zei ik schouderophalend. Legers zijn gewoon niet mijn favoriete onderwerp. Maar het was best een goed idee om dat door Rhexenor te laten regelen, die vond dat leuk om te doen. Zolang hij die draak maar thuis liet.
Het was beter om hier niet verder te praten, beneden liepen teveel mensen rond die af en toe een nieuwsgierige blik omhoog wierpen. We klommen een aantal trappen op naar de hoogste toren terwijl ik mijn tanden op elkaar zette, mijn verwondingen speelden behoorlijk op.
Uiteindelijk kwamen we tot mijn opluchting daar aan. Ik keek tussen de kantelen door naar beneden, we waren te hoog om echt opgemerkt te worden. Fillipien kwam aanvliegen en zette zich op een kanteel, ik wist dat we hier niet afgeluisterd konden worden. Fillipien keek strak naar Benedict, hij keek strak terug. Fillipien liet zich totaal niet intimideren, ze was niet bang voor hem.
Ik trok mijn mouwvest een beetje aan. Het was niet echt koud, maar er stond een stevige wind.
“Jasje?” vroeg Benedict. Voordat ik kon antwoorden had hij het al uit en gaf het aan. Ik sloeg het om me heen, het beschermde goed tegen de wind. Het was opvallend dat, na een hele dag dragen, het jasje niet stonk. Niet naar zweet, niet naar verschaald bier of wat dan ook. Even kwam de gedachte in me op dat Benedict geurloos was zodat de vijand hem niet kon ruiken.
“Benedict, ik wil je spreken over het plan van Caine, over het erkennen van onze zoon,” zei ik, meteen ter zake komend. “We willen hier niet mee verder gaan, maar hem zelf erkennen.”
“Oh.”
“Ik heb nooit het hele plan gehoord,” ging ik verder. “Ik weet dus alleen van zowel jou als Mandor dat het de bedoeling was dat jij als vader van Owen op zou treden. Dat willen we dus niet.”
“We zijn toen niet meer verder gegaan met het plan,” zei hij.
Dat was mooi. Dan hielp ik niet al teveel om zeep.
“Hoe oud is je zoon?”
“Bijna twee.” Ik vroeg me af waar hij naartoe wilde. Hij leek wat berekeningen te maken en knikte toen.
“Prima,” zei hij. “Dan kun je hem over een jaar erkennen.”
Ik staarde hem met open mond aan. Waar dacht hij zich mee te bemoeien? Ik hield me echter in.
“Hoe bedoel je?”
“Sommige werelden draaien sneller,” legde hij uit. “Sommige wel zes keer ten opzichte van Amber. Over een jaar zal jullie zoon een jaar of vijf zijn, als ik het goed heb.”
“Een jaar is te lang,” zei ik beslist. Ik besloot om hem niet te vertellen dat ik op de hoogte was van sneller draaiende Schaduwen. En dat ik heel goed in staat was om dat sneller draaien een flinke hand te helpen. Ten tijde van Owens geboorte draaide die Schaduw razendsnel, iets van een halve dag in Ambertijd was daar een maand geweest. En ik had het nog sneller kunnen laten draaien indien ik had gewild.
“Ik zal je uitleggen waarom het een jaar moet zijn. Het duurt even voordat jullie kind zo oud is als het is. Als je hem sneller erkent, weet iedereen dat het niet kan. Na een jaar zal het geaccepteerd worden en men zal denken dat jullie hem hebben laten opgroeien in een snellere Schaduw. Als jullie het kind eerder erkennen, klopt er iets niet. Je wilt toch niet alles op het spel gaan zetten?”
Ik voelde me wat wrevelig worden, doch deed mijn best om me zo neutraal mogelijk op te stellen.
“Ik ben niet van plan om dat te doen. Ik snap wat je zegt, maar ik zie dat niet zitten.”
“Waarom heb je dit dan allemaal gedaan?”
“Onder andere voor mijn zoon. Zodat hij door dat huwelijk wat beter beschermd zou zijn.”
“Iedereen weet dat jullie een verstandshuwelijk gaan sluiten,” zei hij indringend. “Dat heeft consequenties. Dat houdt in dat jullie ieder je eigen weg gaan, dat jullie ieder je eigen vertrekken hebt, dat jullie ieder op een eigen verdieping slapen. Je zult uitsluitend samen zijn bij officiële gelegenheden of bij het ontvangen van gasten. Iedereen weet dat jullie om verstandelijke redenen gaan trouwen en daarvoor hebben we al die moeite gedaan. En ja, een kind… als je trouwt, kunnen er kinderen komen, zelfs binnen een politiek huwelijk.”
Ik voelde een koude optrekken vanaf mijn voeten. Dit was niet waarvoor ik gekozen had! Oh ja, ik begreep heel goed dat er bepaalde verplichtingen zouden zitten aan het huwelijk, maar dit was een aspect waaraan ik me zeker niet wenste te houden. Dat we naar de buitenwereld toe ons wat formeler zouden moeten opstellen, was nog tot daar aan toe, maar zoals Benedict het stelde was krankzinnig. Was het dit waar mijn vader op doelde toe hij zei dat ik erin geluisd was?
“Een jaar dus,” zei ik honend. “Met hoeveel kinderen kunnen we dan aan kunnen zetten uit Schaduw?” Nu is het heel moeilijk om iets af te lezen van Benedicts gezicht, toch had ik het idee dat hij wat geschokt was.
“Je bedoelt?” vroeg hij langzaam.
“Ik ben zwanger.”
Hij liep naar de kantelen en keek een poosje naar beneden. Toen draaide hij zich weer naar mij.
“Als jij de buitenwereld laat weten hoe het wel zit, breng je iedereen in gevaar. Jezelf, Mandor en je kinderen. Maar als je écht gevaar zo onderschat, kunnen we je niet helpen. Dan wil je dood en dan zijn alle inspanningen die wij hebben gedaan – Caine, je vader en ik – voor niets geweest. Zwanger! Gek ben je! Hoe kan dat nou!”
“Ik hoop dat ik dat niet hoef uit te leggen,” zei ik nijdig. Het gevoel van geleefd te worden werd alleen maar sterker. Benedict leek echt kwaad te zijn nu, zo had ik hem nog niet meegemaakt.
“Jullie hadden je een paar maanden kunnen inhouden!”
Ik had hem van repliek kunnen dienen. Kunnen zeggen men heel erg laat was met het regelen van dit huwelijk. Kunnen zeggen dat Mandor en ik in onze wereld al meer dan een jaar samen leefden. Waarschijnlijk zou hij al deze opmerkingen als ‘onzin’ van tafel hebben geveegd.
“Natuurlijk is het een alternatief om je zoon nu al te erkennen en de buitenwereld te laten weten dat het anders zit,” zei hij sarcastisch. “Wanneer was je zelf eigenlijk van plan dat te doen?”
“Zo snel mogelijk na de huwelijksvoltrekking,” zei ik. “Op die manier…”
“Waarom niet nu meteen!” viel hij me in de rede. “Als iedereen weet hoe het zitten, lopen jullie allemaal gevaar! Maar natuurlijk kun je ook je eigen zin doen.” Zijn stem klonk snerend en ik merkte dat ik woedend begon te worden. Alles, maar dan ook alles wat ik had bedacht werd in feite simpel onderuit gehaald door een superieure Amberiet. Waarom zou ik in vredesnaam nog een gesprek aangaan met iemand als ik alleen maar te horen kreeg wat wel te doen en vooral wat niet te doen! Ik klemde mijn kaken op elkaar en luisterde wat deze oom nog meer te zeggen had.
“Je hebt toch om hulp gevraagd!?”
Ik dacht even na. Eerlijk gezegd hadden we alleen aan mijn vader hulp gevraagd die er zo nodig Caine bij moest halen. En die vond het noodzakelijk om er Benedict bij te betrekken. Het enige dat ik ooit aan Benedict had gevraagd was om moeite te doen bij de koninginnen om vaart te zetten achter de voorbereidingen voor het huwelijk. Dat was al zowat een jaar geleden geweest in Amber tijd. Het had echter geen enkele zin om hierover te gaan lopen zeuren, dus ik knikte onwillig.
“Je bent heel erg dom bezig. Het de hele wereld laten weten, bah! Als jij ooit dacht dat er een normale relatie mogelijk was tussen jou en die eh… Mandor, had het dan in Schaduw gehouden.”
“Dat was in ons geval niet echt mogelijk geweest,” zei ik. Verder ging ik er niet op door, zei dus niet dat zoiets nog veel meer in de gaten zou zijn gaan lopen dan via de officiële weg. Ieder van ons alleen had een misschien een redelijk ‘veilige’ relatie kunnen hebben in een Schaduw, maar niet met elkaar, zeker niet omdat er al sprake was van een kind. Maar dat ging deze dooie visjesvreter helemaal niets aan.
“Maar nee, iedereen moet het weten!” tierde hij verder. “Het gaat erom dat er iets gebeurd is binnen jullie relatie en wát anderen daarvan mogen weten. Je hebt een keuze Morwenna, je praat met mij omdat je een keuze wilt maken. Als jij niet luistert naar wat ik te zeggen heb, dan val je helemaal terug op jezelf en dan zoek je het maar uit!”
“Het gaat er niet om dat ik niet wil luisteren.” Ik hoorde dat mijn stem schril klonk, ik wist ook dat ik veel te emotioneel was. Ik had gewoon zijn argumenten aan kunnen horen en misschien redelijk met hem kunnen praten. Maar alles wat hij zei, viel verkeerd, ik kon het er eigenlijk niet meer goed bij hebben. Deze dag had veel van me gevergd. En ik was emotioneel wat onstabiel de laatste tijd, dat had niet alleen te maken met de zwangerschap.
“Ik wil gewoon kunnen toegeven dat we een kind hebben. Daarom het liefst meteen na die voltrekking. Dan is het duidelijk voor iedereen. Ik weet dat het door een heleboel mensen niet geaccepteerd zal worden, maar als ze dan iemand moeten hebben, pakken ze mij maar.”
Hij kwam vlak voor me staan en keek met een priemende blik op me neer.
“Denk je dat dat zal gebeuren? Dat ze jou pakken? Als ze kunnen, zullen ze het niet nalaten. Maar een kind is zwak en is tevens de zwakke plek van de ouders. Wat zullen mensen doen zal ze jullie dwars willen zitten? Ze pakken je kind. Ze pakken jou of Mandor door middel van het kind!”
“Denk je dat ik dat niet weet?”
“Als je dat weet, waarom doe je dan zo vreselijk naïef! Op het moment dat jullie in een verstandelijke relatie zitten, dan heeft het voor de buitenwereld meer zin om jou of hem te beïnvloeden dan harde actie te ondernemen tegen een kind. Als ze echter weten dat het jullie iets kan schelen, is harde actie tegen het kind interessanter.”
Ik voelde me wat slap worden en liep een paar passen naar achteren, zodat ik wat steun had aan een kanteel. Fillipien hipte tot vlak bij mij en duwde haar kopje tegen mijn wang. Bijna werktuigelijk krauwde ik haar in haar nek en keek ondertussen mijn oom aan.
“Ik denk dat het lastig is om zwanger te worden terwijl we worden geacht het bed niet te delen. Volgens mij kunnen in dat verhaal helemaal geen kinderen voorkomen.”
“Kinderen kunnen ook zonder liefde worden verwekt.”
Ik zuchtte. Dit gesprek ging echt helemaal verkeerd. Hij deed geen enkele poging om mijn kant van de zaak te zien en ik zag wel wat waarheden in zijn beweringen. Zo ging het altijd. Ik liet me zo gemakkelijk intimideren door mijn ooms…
“Jullie krijgen gewoon de verplichte opvolger en die wordt erkend. Dat is een logische stap. In dat licht bezien is die nieuwe zwangerschap zeer ongunstig. Het moment waarop je een kind erkent, is belangrijk.”
“Benedict, ik vind een jaar veel te lang,” zei ik. “Het is niet haalbaar. Wij gaan verplichtingen krijgen, de wereld waar we het kind hebben is afgeschermd tegen elke vorm van contact. We kunnen het niet maken om steeds zo lang onbereikbaar te zijn. En in het kader van die samenwerking klopt het ook niet als er hier steeds maar één van ons aanwezig is.”
Zoals ik al verwachtte, werd ook dit argument onderuit gehaald.
“Zo zijn gewoon de feiten, het is niet anders. Dat heb je jezelf aangehaald doordat je al een kind hebt.”
“Goed,” zei ik. “Wat stel je dan voor?”
“Dat heb ik net gezegd,” zei hij scherp. “Ik heb je net antwoord gegeven en je zult geen ander antwoord krijgen. Dat je hem zelf wilt erkennen is natuurlijk al levensgevaarlijk. Dat je dat op korte termijn wilt gaan doen is dodelijk. Je brengt hem eerder in gevaar dan nodig en iedereen die met hem te maken heeft ook.”
“Benedict, ik begrijp je argumenten, maar ik ben het er niet helemaal mee eens. Deze verloving is om een brug te slaan tussen Amber en Chaos, waarom is het dan niet mogelijk om in dat kader Owen te erkennen!”
“Dat werkt niet zo. Je weet volgens mij niet eens wie erop uit is om jou te vermoorden.”
“Dat klopt. Kun je me wijzer maken?”
“Het is niet nodig dat je dat weet. En zoals je je nu gedraagt, maakt het niets uit. Je gaat gewoon dood. Als jij je relatie met Mandor niet geheim kunt houden, ga je eraan. En daar komt ook nog iets bij, maar dat is niet goed uit te leggen.”
“Probeer het maar,” zei ik terwijl ik mijn rug rechtte en weer rechtop ging staan.
“Sommige dingen zijn niet voor eeuwig. Jullie relatie is niet voor eeuwig, de kinderen die eruit geboren worden zijn dat echter wel. Het is verstandiger om te kiezen voor die kinderen. Dit is echt niet de eerste keer dat iemand dit soort beslissingen neemt, waaruit voortvloeit dat het mis kan gaan. Je kinderen zul je minstens moeten beschermen tot ze volwassen zijn. Met Mandor kun je geen normale relatie verwachten. Als jou dit wel lukt neem ik mijn petje voor je af.”
Ik vroeg me heel even af of hij op de relatie van mijn overgrootouders doelde. Maar ik was zo boos dat ik geen zin had om hem ernaar te vragen. Benedict bemoeide zich met dingen die hem niet aangingen, dat ouwe betweterende fossiel! Misschien had Flora gelijk en had hij romantiek nodig in zijn leven. Dan zou hij wat beters te doen hebben dan domme nichtjes uitkafferen en te beleren.
“Ik stel voor dat je dit met Mandor doorspreekt en dat jullie samen jullie huidige gevoelens opzij zetten en de zaak objectief bekijken. Er is meer op het spel dan jouw gevoelens voor Mandor.”
“Zal ik doen,” zei ik ingehouden. “Al weet ik al wat de uitkomst zal zijn.” Daarbij was ik zeker niet van plan om alles uit dit gesprek aan Mandor te vertellen. Hoe onze relatie zich zou ontwikkelen was louter en alleen onze zaak en daar hadden we het doemdenken van een ouwe soldaat niet bij nodig.
“Ik neem aan dat je dit al met je vader hebt doorgesproken?” zei hij streng.
“Nee, niet aan toegekomen,” zei ik. Hij hoefde niet te weten dat mijn vader niet erg bereikbaar was geweest.
“Dus hij weet niet dat er meer problemen onderweg zijn?” vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen. Ik zweeg.
“Weet Mandor ervan?” vroeg hij door.
Ik knikte zwijgend.
“Is hij de vader?”
“Natuurlijk,” zei ik terwijl ik hem giftig aankeek. Zoals te verwachten viel was hij niet onder de indruk.
“Weet je dat je geluk hebt dat je niet in de tijd van Oberon leeft?”
“Al eerder gehoord,” zei ik dwars. “Luister Benedict, ik heb begrip voor je argumenten, maar zelfs als we het zo zouden doen – erkennen na een jaar van meerdere kinderen – er is altijd een kans dat de hele boel onderuit gehaald wordt. Er loopt wat dat betreft een tijdbom rond.”
“Je bedoelt Jurt?” vroeg hij. Ik vroeg me af hoe hij dat wist. Vast van mijn vader.
Op dat moment kwam er iemand de trap op. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om even wat op en neer lopen, mijn benen voelden stram aan van het te lang in één houding staan. Natuurlijk was het Jurt, die verbaasd leek ons hier aan te treffen.
“Men is je aan het zoeken,” zei hij tegen mij. “De taart moet aangesneden worden.”
“Zeg maar dat we er zo aankomen,” zei ik. “Wat mij betreft mag er al begonnen worden aan de taart.”
“Dat hoort niet,” zei hij. “Maar ik zal ze laten weten dat je eraan komt.” Hij draaide zich om en was meteen verdwenen, blijkbaar had hij geen zin om al die trappen weer af te dalen.
Ik zocht mijn plekje tegen de muur weer op en wreef heel voorzichtig over de wond op mijn linkerarm die wat stak.
“Niet hij, maar jij bent de tijdbom!” ging Benedict verder alsof er geen interruptie was geweest. “Ik zie hoe je tegen die aanstaande van je doet en naar hem kijkt. Dat gaat anderen ook opvallen!”
“In dat geval is het helemaal niet zo gek om toe te geven dat er meer is tussen ons,” dacht ik hardop.
“Je moet je wel afstandelijk gedragen tegen hem Morwenna! Je moet! Als het lot van je kinderen je iets kan schelen moet je sterker zijn dan je gevoelens. Je valt me tegen, ik had gedacht dat je sterker zou zijn, maar je eigen gevoelens gaan voor!”
Alweer zweeg ik. Ik voelde me koud en afgemat. Hij had het recht niet om me zo uit te foeteren, maar sommige mensen denken dat ze alles kunnen maken.
“Waarom vraag je dan in vredesnaam om hulp!” raasde hij door.
“Niet dat het uitmaakt, maar ik ben niet erg goed in het bedenken van een plan. Ik hoopte dat er iemand met een goed idee zou komen,” legde ik vermoeid uit. “Ik heb niet gevraagd of ze de rest van mijn leven voor me wilden bepalen.”
“Jammer dat je er zo over denkt. Ik denk dat het lot van je kinderen je gewoon helemaal niets kan schelen. Wil je ze soms vinden als lijk! Als mensen uitvinden dat je iets om hem geeft, dat jullie kinderen uit liefde geboren zijn, gaan ze jullie veel hardnekkiger aanpakken dan wanneer ze denken dat het niet zo is. Je bent niet logisch, niet verstandig, maar wel gevaarlijk bezig!”
“Het spijt me. We zullen het er maar op gooien dat ik de training van opa Oberon heb gemist,” zei ik cynisch.
Die opmerking deed hem wit wegtrekken.
“Over die training van Oberon zal ik je één ding vertellen. Als je zo’n soort training wilt hebben wordt je op een ochtend wakker naast het lijk van je kind. Wil je die training missen… Ja!!”
Hoewel ik al een aantal keer had gehoord dat Opa er niet voor terugdeinsde om zijn eigen kinderen en kleinkinderen om te brengen als ze niet in ‘het plan’ pasten, schrok ik hier toch van. Ik keek mijn oom onderzoekend aan. Behalve kwaad had ik hem nu ook emotioneel bezig gehoord. Het vermoeden kwam bij me op dat hij sprak uit eigen ervaring. Inmiddels had hij zich voldoende hersteld en was er uiterlijk niets meer aan hem te zien.
“Ik zal zien wat ik doe,” zei ik zacht. “Ik zal erover praten met Mandor, misschien nog met mijn vader. Ik vermoed dat het zal gaan zoals jullie wensen.”
“Doe moeite om mensen van het denkbeeld af te helpen dat je iets om hem geeft. Het is nog gevaarlijker dat je al om hem gaf voordat jullie gingen trouwen. Men gaat anders graven. Zie het als een uitdaging.” Hij keek me strak aan, ik haalde mijn schouders op. Op dat moment had ik alleen maar zin om alles af te blazen, zo verschrikkelijk murw was ik.
“Laat het kind op een Schaduw opgroeien en kom ermee aanzetten over een redelijke tijd. Dat is heel wat anders dan plotseling met een kind op de proppen te komen, om met voorkinderen aan te komen. Het is gemakkelijker de schijn op te houden als je laat merken niets om hem te geven. Ben je het daarmee eens?”
“Nee,” zei ik. “Ik zie nog steeds het verschil niet helemaal. Maar ik zal alles wat je gezegd hebt meenemen.”
Hij trok een misprijzend gezicht.
“Het is me volkomen duidelijk wat je ervan vindt. In dat geval zal ik je niet dwarsbomen. Ik ben er niet op uit om jullie kinderen te vermoorden of te ontvoeren, van mij zul je geen last hebben, ik zal jullie niet saboteren. Maar denk eraan wat ik gezegd heb, dit is een verstandelijke verbintenis, gedraag je er ook naar. Zie het als een uitdaging, het gaat je lukken! En nu moeten we weer naar de feestzaal, er moet taart worden aangesneden.”
Ik streelde Fillipien nog eens en liep achter mijn oom al die trappen weer af naar beneden. Op de eerste verdieping gaf ik hem zijn jasje terug, excuseerde me en ging even een kamer binnen om mezelf tot rust te kunnen brengen. Het verband om mijn linkerbovenarm was doordrenkt met bloed, ik verwisselde dat moeizaam terwijl ik nadacht. Ik was het moe om op te boksen in mijn eentje tegen de wil van de familie. Alles ging heel anders dan ik wilde en dat maakte me boos. Ik had het gevoel dat ik nergens invloed op uit kon oefenen, overal werd mijn mening overschaduwd door de ervaringen van de ouderen. Want zo was het, dat besefte ik heel goed. Ik had idealen en ideeën, de ouderen hadden alles al gedaan en geprobeerd en konden me alleen maar helpen met hun ervaringen.
Toch was er iets vreemds. Van iedereen hoorde ik dat men hun kinderen had verstopt in Schaduw, desondanks werden die kinderen toch met een verbeten fanatisme opgespoord en vermoord of ontvoerd. De stiekeme methode leek dus net zo min te werken als de open methode.
Toch zag ik erg weinig mogelijkheden. Het enige dat ik had gewonnen was dat Owen niet als adoptiekind zou opgroeien maar gewoon als onze eigen zoon. Voor de rest had ik op alle fronten verloren. Over het gesprek dat ik met Mandor zou moeten voeren, had ik niet veel illusies. Hij had al eerder laten weten het liefst zo laat mogelijk bekend te laten worden dat we een kind hebben, dit wat Benedict had gezegd zou zijn mening alleen maar versterken.
Over het gesprek dat ik met mijn vader zou moeten voeren dacht ik liever helemaal niet na. Hij zou woedend zijn als hij hoorde over de nieuwe zwangerschap.
Ik had niet te klagen over hulp in deze situatie, er waren genoeg mensen die onze zaak op een bepaalde manier steunden. Desondanks voelde ik me toch helemaal alleen staan.
Na een paar minuten had ik mezelf weer voldoende onder controle en ging ik naar de feestzaal, waar men al begonnen was aan de taart.