Showing posts with label Bleys. Show all posts
Showing posts with label Bleys. Show all posts

97. Een insluiper

Als je ergens geboren bent, heb je daar een binding mee. Zo is het gewoon, punt uit. Het maakt niet uit hoe vaak je er komt, hoe lang je er wegblijft, maar je blijft die binding, dat gevoel van thuis zijn, hebben. Dat heb ik tenminste altijd gedacht. Het vreemde is dat ik het dus allemaal wat anders ervaar. Ja, ik ben hier geboren en opgegroeid en de Peak… er is geen gebied dat opkan tegen de ruwe schoonheid van de Peak. Daar heb ik iets mee en dat zal altijd zo blijven. Arden heeft haar eigen charme en ik heb daar zeker een binding mee. De natuurlijke omgeving in Gormenghast heeft zeker een gelijkenis met de Peak, zij het dat Gormenghast wat bosrijker is en ook in Elysium zijn er gebieden te vinden die een opvallende gelijkenis vertonen met de Peak District. Maar al deze gebieden zijn niet de Peak zelf.
De rest echter - het landgoed waar ik geboren en getogen ben, de directe omgeving, het dorp - ik heb er niets mee. Het oude huis is afgebrand, ik ken het personeel van het nieuwe huis een beetje, de mensen in de omgeving helemaal niet. Ben ik hier werkelijk opgegroeid? Mijn idee om Essilt kennis te laten maken met mijn thuisschaduw is op een jammerlijke mislukking aan het uitlopen. Is het niet triest dat de enige bekenden die hier opduiken een stel ooms zijn? Dat ik eigenlijk vrijwel niets weet van wat er zich hier allemaal afspeelt? Is het niet erg dat ik mijn eigen dochter niet eens fatsoenlijk kan beschermen? Dat ik toch afhankelijk ben geworden van Corwin’s goedwillendheid? Dat ze haar eigen magie daarvoor moet gebruiken? Dat de beloofde treinreis op niets is uitgelopen en dat we nu met een koets ons naar Brighton moeten begeven? Dat ik blij moet zijn dat het pad al gebaand is door één van mijn ooms? Het maakt allemaal dat ik me vreselijk minderwaardig voel, niet in staat op in mijn eigen Schaduw me van A naar B te verplaatsen. In dit geval van Stockport naar Brighton.


Op mijn slaapkamer in de herberg troefde ik naar Mandor. Het was zowat alsof hij erop zat te wachten en er lag een warme blik in zijn ogen toen hij me zag.
“Ik weet wat er zich afspeelt op de Hunting Grounds,” zei hij met een schouderophaal toen ik hem daarover vertelde. “Daar hebben alleen de Huizen last van die het van legers moeten hebben. Voor ons dus onbelangrijk.”
“Ik ben bang dat het naar ons toegespeeld zal worden,” legde ik hem uit. “Je weet wel, dat neutrale Huis Elysium, buffer tussen Chaos en Amber.”
“Oh, zo bedoel je dat. Dat zou inderdaad heel goed kunnen gebeuren, alsof we geen problemen genoeg hebben,” zuchtte hij. “Ik stel voor dat we het voor nu laten rusten, het is vroeg genoeg als er daadwerkelijk gedonder gaat komen en wij mogen bemiddelen.”
De mededeling dat zowel Random als Corwin hier waren, pakte hij niet goed op, hij vond dat zelfs erg vervelend.
“Ik zou Corwin kunnen elimineren,” stelde hij voor. “Dan is mogelijk dat andere probleem ook meteen opgelost.”
“En dan hebben we er tig andere problemen bij,” dacht ik.
Hij knikte instemmend.
“Denk je dat er inderdaad problemen zijn bij jou?” vroeg hij toen.
“Ik denk niet dat ze het verzinnen. Ik voel er alleen niets voor om door hen beschermd te worden.” Ik voelde de ergernis daarover opnieuw toenemen. “Ik ben nog wel tot wat toe in staat!”
“Ik wil niet dat jullie iets overkomt,” zei hij met een zorgelijke trek op zijn gezicht. “Ik kan jullie een demoon mee sturen.”
Ik overwoog het heel even. Een beetje extra bescherming zou geen kwaad kunnen. Maar een demoon zou niet goed gaan met de dieren en dat vertelde ik hem ook.
“Je kunt me altijd troeven als er iets is, ik sta erop dat je dit dan ook doet,” zei hij en keek me doordringend aan.
“Natuurlijk doe ik dat,” grijnsde ik. “Jouw Troef is altijd binnen bereik.”
Hij bleef ernstig.
“Denk er niet te licht over,” waarschuwde hij. “Die twee ooms van jou zijn uitermate irritant en ik heb liever dat je ze uit de weg blijft, maar je bent nu wel gewaarschuwd.”
Daarna vertelde ik hem over het onderzoek en de resultaten ervan en vertelde hij dat thuis alles goed verliep en dat hij en Owen een goede tijd hadden samen.
“Die jongen heeft buitengewoon veel aanleg,” zei hij tevreden. “Precies zoals ik al vermoedde.”
We namen afscheid en hij verbrak de verbinding. Het was uiterst prettig om even met hem gepraat te hebben en van gedachten hebben te kunnen wisselen.
De volgende die ik trachtte te troeven was mijn moeder. Zoals ik al verwachtte, lukte dat niet. Ik ben niet goed genoeg met Troef en mijn moeder al helemaal niet.
Bleys nam mijn pogingen tot contact wel aan, maar aarzelde om door te komen.
“Ik hoef geen problemen met jouw jaloerse echtgenoot,” zei hij voor zijn doen scherp.
“Ik ben echt niet van plan om je in mijn slaapkamer te ontvangen,” zei ik met een zucht, “ik wil alleen maar weten of je even tijd hebt. Zo ja, dan loop ik naar buiten en troef je opnieuw, anders gaat het over.”
Hij zuchtte en dacht even na.
“Doe dan dat maar,” zei hij toen. “Jouw echtgenoot is niet erg gemakkelijk.”
De verbinding werd verbroken en ik dacht na over zijn woorden terwijl ik naar buiten liep. Ik wist dat er wat voorvallen waren geweest, Mandor was inderdaad tamelijk vervelend als hij dacht dat er een man meer interesse voor me toonde dan louter zakelijk. Maar had Bleys daar ook al ervaring mee gehad? Of was het de tamtam die zijn werk had gedaan?
Ik had geen problemen met deze vorm van zorgzaamheid van Mandor, stiekem vond ik het wel leuk zelfs. Een enkele keer was het echter irritant, wanneer ik daardoor belemmerd werd in mijn werkzaamheden.
In de buurt van de paardenstal troefde ik opnieuw naar Bleys, die zich liet doorhalen. Hij keek om zich heen.
“Je hebt weten weg te komen bij je minnaar?” vroeg hij cynisch, voordat hij me begroette door me alleen de hand te schudden. Ooit, voordat ik me officieel verloofde met Mandor, waren de begroetingen van de ooms minder formeel geweest, soms waren ze zelfs ergerlijk opdringerig omdat ze van mening waren dat een begroeting inhield dat er stevig gekust diende te worden. Dezer dagen doet niemand dat meer. Ook Corwin en Random hadden zich beperkt tot een hand. De enige mannen die me nog wel eens omhelzen waren - naast de mannen in mijn eigen gezin - mijn vader en mijn schoonvader. Mandor ergert zich er altijd gruwelijk aan wanneer Gramble dat doet en Gramble trekt zich daar helemaal niets van aan. Zelf heb ik er geen problemen mee, ik mag Gramble wel.
Ik liep wat op en neer met Bleys, die netjes gekleed was in een zwart pak met een hoge hoed, en vertelde hem over de aanwezigheid van zijn twee broers. Hij fronste toen hij hoorde van Random’s aanwezigheid.
“Als je Random tegenkomt, dan is er altijd sprake van een puinhoop,” zei hij. “Dat is vast een vies zaakje waar hij in verwikkeld is. Maar Corwin? Die is meestal wel serieus.”
“Ongetwijfeld,” zei ik. “Toch wil ik hem niet mee. Ik ben hier met mijn dochter en het is deze keer gewoon niet de bedoeling om daar andere familieleden bij te betrekken.”
Op dat moment hoorde ik een ijselijke gil uit de herberg komen. Essilt, wist ik meteen en haastte me naar binnen, zonder acht te slaan op de in het donker geklede figuur dat uit het raam sprong en in de richting van het bos begon te rennen. Ik was me ergens bewust dat Fillipien er achter aan ging.
Essilt stond in haar nachthemd op de gang en ze stopte haar gegil pas toen ze mij in het oog kreeg. De mensen die al toegestroomd waren, zoals Random, de waardin en enkele andere gasten, hadden haar niet weten te bedaren, hoewel ze er eigenlijk niet echt geschokt uit zag.
“Wat is er aan de hand?” vroeg ik terwijl ik mijn vest om haar heen sloeg en haar koude handen in de mijne nam om ze warm te wrijven.
“Er was iemand op mijn kamer!” zei ze, toch wel wat ontstelt.
Random stuurde iedereen weg en wilde zelf de boel gaan onderzoeken.
“Niets ervan,” verbood ik.
Hij trok zijn blonde wenkbrauwen op.
“Kom op, je wilt toch wel weten wat er aan de hand is?”
“Ik wil niet dat jij het onderzoekt,” zei ik scherp. “Je hebt een keer eerder iets onderzocht, dat was hier vlakbij en tijdens je onderzoek heb je van alles gewist. Ik zoek hier andere hulp bij.”
Random haalde zijn schouders op en liep mopperend weg, verbaasd kijkend naar Bleys. Deze bood aan om mijn kamer te onderzoeken toen Random buiten gehoorsafstand was.
“Ik ga Mandor hierbij halen,” zei ik. “Dus niet nodig.”
“Je wilt meteen de artillerie erbij halen?” vroeg hij geërgerd. “Ik beloof je dat ik niets zal verstoren, alleen maar uitzoeken of er iets op jouw kamer is.”
“Goed dan,” zei ik zuchtend.
Bleys liep naar mijn deur, deed iets en even later glipte er iets naar binnen door het sleutelgat. Even later vertelde hij dat er een slaapgasbommetje in mijn kamer gegooid leek te zijn en dat ook mijn kamer was doorzocht. Ook bij Essilt bleek na wat onderzoek zo’n ding te liggen. Er was echter geen sprake van slaapgas.
“Als je nog steeds je echtgenoot erbij wil halen, ga dan je gang,” zei hij, humeurig voor zijn doen en wandelde naar beneden. Al die tijd had hij het fatsoen gehad om Essilt met geen blik te bekijken.

Mandor liet zich onmiddellijk doorhalen en zijn aandacht ging eerst naar Essilt uit. Toen hij er zeker van was dat haar niets was aangedaan, hoorde hij ons verhaal aan, terwijl hij goed rondkeek in beide kamers.
“Ik ben maar gaan gillen, ik wist niet precies wat ik moest doen,” zei Essilt wat verontschuldigend tegen mij.
“Gillen is heel goed,” zei ik. “Het verbaast me alleen dat de valken niets gemerkt hebben.” Tegelijkertijd realiseerde ik me dat ze op mij hadden gelet in plaats van op de kamer van Essilt. Valken zijn eigenwijze beesten en soms gaat dat niet erg goed.
“Dit is dus een slaapgasbom?” vroeg Mandor die een metaalkleurig object had opgepakt en dat nauwkeurig stond te bekijken. Essilt liep naar hem toe om mee te kijken, terwijl ik de beelden volgde die Fillipien me liet zien. Ze was een persoon in het zwart aan het achtervolgen en maakte zich klaar om aan te vallen. De persoon draaide zich ineens om en begon op haar te schieten met een soort geweer. Fillipien liet zich daar echter niet door weerhouden en vloog regelrecht in het gezicht van die persoon terwijl ze met haar klauwen zijn kin open reet en ze met haar snavel zijn ogen trachtte uit te pikken. Ze vloog weer op en maakte zich gereed voor een tweede aanval, toen de persoon een kaart trok en verdween.
“Hij maakt dus gebruik van Troef,” zei Mandor peinzend toen ik het hem beschreef. “En Fillipien heeft bloed getrokken. Dat is heel mooi. Ik zou daar graag iets van willen hebben. Dan kan ik er een demoon achteraan sturen.” Dat laatste kwam er grimmig uit. Mandor heeft er geen begrip voor als men zijn gezinsleden lastig valt.
Hij overhandigde mij de bom om te bekijken. Het leek iets technisch te zijn, meer verstand had ik er niet van. Essilt wees me op de draden aan de binnenkant die er een beetje voor niets bij hingen. Het was vreemd, waarom had de insluiper gebruik van iets gemaakt dat niet op deze Schaduw kon werken? Was het ingecalculeerd dat Essilt en ik op een andere Schaduw zouden zijn? Even dacht ik aan mijn ouders in Antioch… maar daar zou het ook niet gewerkt hebben.
“Ik neem hem mee,” zei Mandor die de bom weer van me overnam. “Dan zal ik deze door iemand laten onderzoeken die er verstand van heeft.”
Ik knikte en liep naar het raam om het open te doen voor Fillipien. Met een doek haalde ik voorzichtig het bloed van haar pootjes af en ze vloog naar buiten nadat ik haar wat gekrauwd had. Mandor wikkelde de doek zorgvuldig in een stuk soepel leer en stak deze in zijn jasje. Essilt had inmiddels al haar spullen nagekeken en meldde dat er niets miste.
“Dan ga ik weer,” zei Mandor en omhelsde Essilt even ten afscheid. “Blijf goed opletten en zorg ervoor dat je je magie paraat hebt,” zei hij ernstig tegen haar. Ze knikte.
Daarop nam Mandor mij in zijn armen en gaf me een uitgebreide zoen die ik net zo uitgebreid beantwoordde. Dit tot grote ergernis van Essilt.
“Dat geplak van jullie ook altijd!” viel ze uit. “Get a room!”
Mandor liet me langzaam los, glimlachte naar haar, pakte de Troef van de waterput en was weg.
“Dit is toch een kamer,” zei ik vriendelijk tegen onze dochter.
“Ja, dat klopt. Mijn kamer om precies te zijn.”
Ik besloot om hier verder niet op in te gaan - van onze kinderen hebben zij en Randal er het meest moeite mee dat hun ouders in hun bijzijn laten merken elkaar leuk te vinden - en keek nog eens goed rond in de kamer.
“Hou je raam nu ook maar dicht en ik stel voor dat Fenris bij jou op de kamer komt.”
Haar gezicht drukte afgrijzen uit, dus ik verwachtte hier enige discussie over die echter niet kwam.
“Als hij maar zo ver mogelijk van me vandaan gaat liggen,” was haar enige eis.
Fenris kwam intussen de kamer binnen gewandeld, snuffelde goed in het rond en koos uiteindelijk voor een plekje onder het enige raam, dat inderdaad het verst van het bed af was. Vervolgens wenste ik Essilt opnieuw een goede nachtrust toe en verliet de kamer. Achter me werd de deur weer in het slot gedraaid.
Ik ging naar mijn kamer en bekeek mijn spullen - ook hier was niets weg gehaald. Het gebeuren vond ik wat zorgelijk, waar hadden ze het op voorzien? Op het ‘iets’ waarvoor mijn tante Lenore de dood in werd gejaagd? Om bepaalde redenen leek me dat nog het meest voor de hand liggend. Corwin’s huis was doorzocht om ‘iets’ te vinden waarbij zijn huishouding omgebracht was. De insluiper met wie Essilt te maken had gehad, was er echter niet op uit geweest om haar of mij te doden. Zou het weer een andere groepering zijn? Met hoeveel groeperingen hadden we hier eigenlijk te maken?

Ik ging nog even naar beneden, alwaar Bleys aan het drinken was met Random.
“Nog iets gevonden?” vroeg Random opgewekt.
“Er worden wat dingen nog onderzocht,” zei ik, ging bij hen zitten en bestelde nog wat thee.
“Die insluiper kan er één van mij zijn,” bedacht Random.
“Ik zou dat liever zeker willen weten,” gaf ik hem ten antwoord.
Hij knikte en vertrok daarop naar buiten.
“Deze Schaduw voelt als heel druk aan,” zei Bleys peinzend.
“Ik merk daar niets van,” zei ik met een schouderophaal. “Ik denk dat het normaal is.”
“Jij zou het zeker moeten weten, met al je Patroon,” was hij van mening.
Ik schudde mij hoofd. Het voelde hier niet anders aan dan anders. Daarop kwam het gesprek op die gasbommen en ik liet het apparaat zien dat op mijn kamer was gevonden. Hij bekeek het nauwkeurig.
“Er ontbreekt iets aan,” zei hij. “Het lijkt op een soort halve kopie van iets, het doet me ergens aan denken. Het is een soort apparaat dat lucht om kan zetten in slaapgas, maar het kan hier gewoon nooit werken. Het is niet af, het is nep en ik kan het ding niet aan de gang krijgen zonder het te reviseren.
“Je kunt het meenemen om te onderzoeken,” bood ik aan.
“Wil je het niet zelf onderzoeken?”
“Ik heb er niet veel verstand van. Bovendien waren er twee, de andere is met Mandor mee die het waarschijnlijk ook door iemand anders uit laat zoeken.”
“Je hebt er één meegegeven aan Mandor? Je hebt hem er dus toch bij betrokken!” riep hij verontwaardigd uit.
“Bleys, ik ben met die man getrouwd! Natuurlijk betrek ik hem in dit soort zaken. Sterker nog, hij staat erop om betrokken te worden.”
Bleys mompelende iets onverstaanbaars en stopte het apparaat weg. Ik vroeg me af wat hij tegen Mandor had. Waarschijnlijk hetzelfde als meer familieleden op hem tegen hebben.
“Ik heb erover nagedacht,” zei hij toen. “Ik zal ervoor zorgen dat Random iets anders te doen krijgt. Ik kan proberen of ik Corwin van je af gepraat krijg, maar ik betwijfel of dat zal lukken.”
Ik bedankte hem, al had ik het vermoeden dat hij niet erg hard zijn best zou doen om Corwin om te praten. Random kwam weer binnen met de mededeling dat de insluiper niet van zijn organisatie was. Ik nam afscheid van de twee ooms en ging naar boven.

Erg rustig slapen deed ik die nacht niet, er waren maar weinig nachten waarin ik goed sliep. Slapeloosheid was iets dat blijkbaar bij me hoorde en na een enerverende dag was het altijd erger. Deze keer verbood ik mezelf om het bed uit te gaan om wat te schrijven, al stond ik mezelf wel toe om nog een poos te lezen. Pas tegen de ochtend viel ik -zoals gewoonlijk - in slaap en werd ik - ook al zoals gewoonlijk - niet veel later alweer wakker gemaakt voor het ontbijt. Uiteraard was Essilt al lang op, ze had schone reiskleding aan, haar lichtblonde haar was netjes in één lange vlecht gevlochten en ze had alles al ingepakt. Ik nam een snel bad, daarna kleedde ik me aan en vlocht mijn haar haastig. Vervolgens propte ik alles haastig in mijn tassen en ging naar beneden. Essilt had al geregeld dat er eten was voor Qenna en Flo.
Tijdens het ontbijt werd er niet veel gesproken. Essilt had goed geslapen en was vroeg wakker geworden. Ze had tijd besteed aan het instuderen van een spreuk en deze op deze Schaduw afgestemd. Verder had ze Iestyn nog heel even gesproken, die het aardig naar zijn zin had op school.
Het meest opvallend was dat de waardin en het personeel deden of er helemaal niets aan de hand was. Eigenlijk hadden ze de vorige avond al redelijk normaal gereageerd, waarschijnlijk hadden mijn ooms wat gemanipuleerd met Patroon. Irritant was echter dat alles al betaald was voor ons en geregeld, inclusief het eten voor onderweg.

Buiten begroette ik eerst de valken. De Barghest werd onder zijn kop gekrauwd en vervolgens begroette ik Boudicca. Vanwege haar grootte had ze niet in de stal zelf gestaan, maar erbuiten en als vanouds had ze alle aangeboden zorg van de stalhouders geweigerd. De nieuwe mensen vond ze verdacht. Ik ook. Het is altijd de vraag waarom mensen van de ene dag op de andere worden vervangen. Ik verzorgde Boudicca uitgebreid en gaf haar te eten. Toen we weg gingen, alweer te voet, wiste ik de stalhouders, we waren hier nooit geweest.
De weg naar Stockport was vrij lang, dus ik regelde een paard en wagen en betaalde de eigenaar zoveel, dat hij het geen enkel probleem vond om deze later op de dag bij het station aldaar weer op te halen. Ook deze wageneigenaar wist even later niet meer wie het paard en de wagen hadden gehuurd, alleen nog maar dat hij deze later op moest halen.

Het bleef vreemd onderweg, we werden in de gaten gehouden. Het beviel me helemaal niets. Ook de dieren voelden zich niet op hun gemak, vaak hadden ze eerder door dat er verdachte figuren waren dan ik. Onderweg heb ik uiteraard wat gerommeld met Patroon, geprobeerd om mensen te wissen, maar het ging allemaal niet echt lekker. Al met al beviel het me helemaal niet. Er leek inderdaad iets aan de hand te zijn hier, maar het was me geheel niet duidelijk wat dit nu met Essilt of mij te maken kon hebben. Even overwoog ik om Mandor’s aanbod aan te nemen en om ons te laten vergezellen van een demoon, tegelijkertijd wierp ik dat idee weer weg. Dat zou wat overdreven zijn.
Op het station besloot ik om een kaartjes te kopen naar Birmingham om de verdachte stationschef te misleiden. Het hele station was vol met mensen waar iets mee was. Ze keken opvallend niet naar ons bijvoorbeeld. Een dame vroeg ons te spreken en wist te vertellen dat we in de gaten werden gehouden. Ze gaf me een kaartje waar de afbeelding van een oranje bloem op te zien was. Fleur d’Orange, stond er op het kaartje. Waarom deed dit me denken aan Flora? Ik meende dat ze wel eens verteld had een eigen organisatie te hebben, maar meer wist ik er eigenlijk niet van.
Vlak voordat de trein binnen zou komen, vroeg ik Fillipien om de trein te volgen, bij het eerstvolgende station zouden we uitstappen. Ze wreef met haar kopje even tegen mijn wang en vloog toen in de richting van Boudicca.
Met Fenris, Flo en Qenna stapten we op de trein. Niemand die er iets van zei, men leek het de normaalste zaak van de wereld te vinden dat twee vrouwen zich laten vergezellen door een vreemde kat, een lynx en een Barghest. Sterker nog, Corwin liet zich door de dieren net weerhouden om bij ons in de coupé te komen zitten. Uitermate ergerlijk, ook al deed hij alsof hij ons niet kende en alsof hij sliep.
We stapten uit in Wilmslow, dat een eigen station had gekregen sinds dit stadje enige jaren geleden samen was gegaan met een zevental omliggende gemeentes. Volgens de officiële papieren was deze agglomeratie daarmee ‘Greater Wilmslow’ geworden, maar er was niemand die die naam gebruikte. Ik vertelde Essilt dat het niet helemaal bekend was waarom deze stad zo heette, de meest populaire versie was dat dit ooit de begraafplaats was van ene William.
Helaas stapte ook Corwin uit en Essilt keek me wanhopig aan.
“Kan hij niet iets anders gaan doen?” zei ze zachtjes. “Ik zal pappa vragen of hij hem in ieder geval bezig wil gaan houden met een demoon.” Ze deed al een greep in een jaszak, waar ze de meest belangrijke Troeven bewaarde. Ik hield haar arm tegen.
“Laat pappa er maar even buiten,” fluisterde ik terug. “Ik zal proberen het anders op te gaan lossen.”
Corwin stond met zijn handen op zijn rug de trein na te kijken en keek op toen ik naderbij kwam. Hij glimlachte.
“Zo zien we elkaar nooit en zo zien we elkaar iedere dag,” begroette hij me in het Thari.
“Iets teveel naar mijn zin,” zei ik eerlijk. “Ik kan het je niet goed uitleggen denk ik, maar mijn dochter en ik zijn hier voor wat persoonlijke zaken. We hebben je niet gevraagd om mee te komen, we hebben ook liever niet dat je ons gezelschap houdt.”
Zijn ogen vernauwden zich iets en de welwillende uitdrukking op zijn gezicht had plaats gemaakt voor een meer dreigende blik.
“Niet gesteld op mijn aanwezigheid…” zei hij langzaam. “Zo langzamerhand begin ik bijna te geloven dat je er inderdaad één van Julian bent, net zo lomp en stug. Ik heb het goed met je voor en ik zeg het je nog maar eens: het is hier gevaarlijk.”
“Ik weet het. We kunnen echter goed op ons zelf passen. Werkelijk Corwin, ik heb liever dat jij je eigen weg gaat, dan gaan wij de onze.”
“Het is ongelooflijk!” riep hij uit. “Waar haal je de arrogantie vandaan om te denken dat ik met jou mee wil reizen! Ik moet toevallig dezelfde richting uit, het is dan echt niet vreemd dat familie samen reist!”
“In onze familie wel!” beet ik terug. “Ik hoef je niet mee te hebben.”
Corwin keek me vernietigend aan, draaide zich om en ging op een bankje zitten alsof hij op de volgende trein wachtte. Ik ging naar Essilt toe, gaf haar een arm en we liepen het station uit. Even verderop zag ik Boudicca langs de weg grazen en de twee valken zaten beiden op het dak van een kruidenierswinkel.
“We zullen een koets huren die ons naar Derby brengt en van daaruit via Londen naar onze bestemming reizen,” zei ik. “Mogelijk geeft Corwin het op, mogelijk ook niet.”

Het was geen probleem om een koets te regelen en niet veel later waren we al op weg. Ik wist dat de valken op afstand mee vlogen om de paarden van de koets niet aan het schrikken te maken en dat Boudicca op eigen gelegenheid ofwel achter de koets aanrenden, of juist een eind vooruit waren. Als ik samen met Owen was geweest, zouden we te paard zijn gegaan, Owen is een uitstekend ruiter. Tevens is hij van onze kinderen de enige die paard rijdt. Randal heeft als kind wel moeite gedaan om te leren rijden - vooral omdat Owen dat deed - maar bij hem is dat nooit een succes geworden. Na een aantal ongelukken besloot hij om niets meer met paarden van doen te willen hebben.
De andere kinderen zijn er nooit aan begonnen. De dieren reageren dan ook zeer onrustig op Randal, Iestyn en Bryana, doch eigenlijk minder op Essilt. Maar Essilt zal geen paard gaan rijden, omdat ze weet dat Iestyn het nooit zal doen. En ook omdat Mandor dit helemaal niet aanmoedigt bij onze kinderen. Misschien zal ze zich er ooit overheen kunnen zetten als ze ouder is.

We kwamen niet tot aan Derby. Ergens op een verlaten stuk weg, midden in een vrijwel onbewoond gebied, werd de koets overvallen. Niets, maar dan ook niets dat me erop voorbereid had, behalve de waarschuwingen eerder van de ooms. De valken hadden het pas laat in de gaten, het was alsof de overvallers uit het niets opdoken. Wij merkten eigenlijk pas iets toen we een klap hoorden en de koets vervaarlijk begon te slingeren. Ik kreeg een beeld door van Fillipien, de twee koetsiers waren uitgeschakeld en de paarden waren ongecontroleerd gaan rennen.
“Je kunt het beste op de grond gaan liggen, ik zal proberen om de koets onder controle te krijgen,” zei ik tegen Essilt en opende het portier.
“Ik kan ook iets doen wat meer nut heeft,” zei mijn dochter terwijl haar ogen glansden. Ze was in het geheel niet bang, ze leek dit eerder als een uitdaging te zien.
“Heel goed,” zei ik en begon aan mijn pogingen om via de zijkant van de koets op de bok te komen. Dat was niet erg gemakkelijk, veel oefening heb ik daar tenslotte niet mee. Het voortdurende geschiet van een aantal Arabisch aandoende ruiters te paard maakte het natuurlijk niet veel beter, gelukkig waren de valken ter plaatse en begonnen met groot succes hun duikvluchten op hun ogen uit te voeren. Uiteindelijk was ik op de bok en wist de paarden een tikje tot rust te krijgen, terwijl ik twee keer een machtswoord gebruikte om de tegenstanders ten val te brengen. Vanuit de koets hoorde ik Essilt hetzelfde machtswoord gebruiken, toen was het even stil. Ineens begonnen zich in de lucht een paar schaduwen te vormen. Zwarte slangen die pijlsnel op de aanvallers toe doken en ze in hun nek beten.
Dat alles was teveel. Het geschiet hield op, er renden een aantal paarden rond zonder berijder en Fillipien liet weten dat ze volgens haar allemaal dood waren.
Uiteindelijk waren de paarden rustig genoeg om halt te houden en kon ik een inspectie gaan uitvoeren.
De koetsiers waren inderdaad dood, beiden in het hart geraakt door een paar goed gerichte geweerschoten. Met respect legde ik ze in het gras en sloot hun ogen. Ik blijf het moeilijk vinden dat er onschuldige mensen dood gaan terwijl ik eigenlijk het doelwit ben.
Essilt was ongedeerd en sprong uit de koets. Met een koele blik bekeek ze de lichamen van de koetsiers, maar aan haar ogen kon ik zien dat dit haar wel schokte. Om zich een houding te geven liep ze om de koets heen om de schade te inspecteren en riep even later dat er een wiel kapot was.
Het was dusdanig stuk dat het niet maar gerepareerd kon worden. Ik concentreerde me om een nieuw wiel te conjuren. Het duurde een hele tijd voordat het er was, een gloednieuw wiel. Samen tilden Essilt en ik de koets een beetje op om het oude wiel eraf te halen en het nieuwe eraan te zetten. Behalve het kapotte wiel waren er her en der kogelgaten te zien.
Vervolgens gingen we een eindje terug om de lichamen van de aanvallers te onderzoeken. Ze waren allemaal dood, een paar zaten onder de slangenbeten.
“Dat is een hele goede spreuk die je daar gedaan hebt,” complimenteerde ik Essilt.
“Sissende slangen, zelf ontwikkeld,” zei ze niet zonder trots en liet me de pols zien van één van de aanvallers. Daarop was de tatoeage van een vlam te zien. Alle aanvallers hadden een dergelijke tatoeage. Nader onderzoek wees ook uit ze allemaal een valse tand hadden - een drietal mensen was omgekomen vanwege cyanide - en een kromme vergiftigde dolk. Om hun polsen hadden ze wurgkoordjes. Verder deden ze inderdaad Arabisch aan en wist ik dat dit niet dezelfde lui waren die eerder onze kamers hadden doorzocht.
Degene die de baas leek te zijn van de bende had een Troef bij zich van een kasteeltje. Op de achterkant was een een zwart vlak met een witte vlam te zien.

Deel 36: Overpeinzingen

Hoe is het om zoveel macht te hebben dat de met een vingerknip iemands leven uit kunt blazen? Gek genoeg voelt het niet als geweldig, fascinerend of beangstigend. Eigenlijk voelt het bijna gewoon. Oh ja, misschien dat 'bizar' ook een goede omschrijving is.
Ja, ik heb even in een dergelijke machtspositie gezeten. En daar beslissingen genomen die misschien niet echt populair zijn bij sommige rassen. Dus er is een mogelijkheid dat ik er een compleet alien ras heb bij gekregen als vijand… als ze tenminste in de gaten hebben gehad dat ik het was die hun hele zorgvuldig opgebouwd bestaan op de kop heeft gezet. Oh, ze zullen zeker weer tot aan het punt kunnen komen waar ze waren, maar mijn schatting is dat dit pas over enkele tienduizenden jaren zal zijn. Als ze voor die tijd niet zijn uitgeroeid door misschien een ander (opkomend) ras.
De afwerking heb ik overgelaten aan Marcella en Rhexenor, die het bestaan in een tank en oorlog veel meer weten te waarderen en graag nog een poosje doorgingen als zodanig.

Ronardo en ik zijn dus eerder terug gegaan. Naar de wereld van Bleys. Heel fijn dat Ronardo erg veel verstand heeft van tech werelden enzo, hij heeft ons als tank via dat soort werelden laten reizen, omdat op een ander soort werelden de tanks geen energie meer zouden hebben.

Ja, het leven als tank is een aparte ervaring geweest, die ik niet nog een keer wil doormaken. Toch is dat het speciale aan Amberiet zijn, je maakt dingen mee waarvan een ander niet eens durft te dromen. Al je nachtmerries kunnen werkelijkheid worden. Cynisch? Misschien. Ik denk ook dat het een stuk nuchterheid is. Ik kan wel zeggen dat al je dromen werkelijkheid worden, maar dat is minder waar. Gedeeltelijk wel natuurlijk, maar als Amberiet heb je altijd te maken met smerige zaakjes, of je wilt of niet. Ik kan er uiteraard voor kiezen om me terug te trekken en ergens incognito te gaan leven, maar dat is niets voor mij. Bovendien denk ik dat je zelfs als ‘onbekende Amberiet’ vroeg of laat te maken krijgt met het gedoe om Amber heen. Dan weet ik liever waar ik mee te maken heb en probeer daar mee te leven en er zelf iets van te maken. Als Amberiet wordt je gedeeltelijk geleefd… oh, je kan er voor kiezen om je ergens niet mee te bemoeien. Maar dan wordt je toch altijd achterhaald door rotzooi, krijg je te maken met teleurgestelde familieleden en dergelijke. Dus ja, ik wil best iets voor een ander doen, maar dan probeer ik dat op mijn manier te doen en zodanig dat ik geen verplichtingen aan die persoon heb of zij/hij aan mij.

Zo probeert Ronardo me weer in 1 van zijn zoektochten te betrekken. Nu is hij achter die zalf van Nefertari aan. Kan interessant zijn natuurlijk, maar aangezien hij heeft besloten om dit helemaal volgens Randoms methode te gaan doen, wil ik hem zo lang mogelijk dit alleen laten uitzoeken (hij zou William kunnen vragen) en me pas laten betrekken als hij er echt niet meer uitkomt. Bovendien heb ik zelf wat zaken waar ik me mee bezig wil houden. Zoals mijn broer met zijn verstoomde machinerie van Larenian afhelpen en ergens laten bouwen waar meer industrie is. Liverpool en omgeving is bij uitstek geschikt.
Ook moet ik er nog achter komen welke bediende hier is geplaatst door Mandor. Nou ja, moet niet, maar dat wil ik gewoon. En ik ga een kijkje nemen in de Toren van 12 Werelden, als Wachter heb je verantwoordelijkheden. Dat geldt ook voor de fontein. En dan mijn vader, die ‘me ergens niet mee wilde vermoeien en me nog zou troeven…’ ja ja. Ik denk dat ik Ronardo nog een poosje laat wachten… ik zal hem wel troeven, dat is misschien wel zo beleefd.

Prettig om thuis te zijn en weer tot mezelf te komen. Om te kunnen rijden in de vertrouwde omgeving. Ik merk dat dit leven toch verder van me af staat dan pakweg een paar jaar geleden. Het is raar dat een leven dat vroeger zo normaal voor me was, nu een beetje vreemd geworden is. Min ouders en broer… ze leven zo anders dan ik, er is een enorme afstand. Mijn bezoeken voelen aan als een soort beleefdheidsbezoekjes, er worden wat ervaringen uitgewisseld, maar alleen degene die we echt kwijt willen. Zo lijkt het leven aan beide kanten een rustig, kabbelend geheel. Misschien gaat dat voor hun kant ook wel op, gedeeltelijk, maar voor mij zeker niet.
Ook vraag ik me wel eens af hoe het geweest zou zij als het allemaal anders was gelopen. Stel dat Jasra niet op zoek was geweest naar kinderen van Amberieten, ik niet in die toren was geweest en niet Kasteel Amber was binnen gerold? Zou mijn vader dan ooit contact met me hebben gezocht? Ik bedoel, op een wat directere manier dan af en toe kijken waar ik uithing en me iets in handen te spelen? Of zou hij hebben gewacht tot 1 van mijn andere vaders dat deed? Wat natuurlijk de volgende vraag oplevert: zouden Corwin en Bleys ooit naar me op zoek zijn gegaan?

Deel 35: Nog meer familie

Goed, het weerzien met mijn vader was heel kort. Hij werd getroefd en moest weg. Dat was dan dat. Vrij kort daarna kwamen Brand en Coral op het toneel, om zich met onze zaken te bemoeien en ongevraagd advies te geven.
Brand mag ik niet. Er is iets met hem dat me de rillingen geeft. Hij is te glad, hij weet dingen van je die niet verteld zijn en hij helpt iets te graag, heeft een manier van zaken voorstellen dat sommige mensen schijnen te denken dat dat het enige antwoord is op hun probleem. Bah en nog eens bah! Ronardo en Rehxenor lijken de man echter wel te mogen en konden niet wachten om zijn advies op te volgen. Welk advies? Om als brein naar de verborgen 13e wereld te gaan. Erg jammer ook dat kort daarna Coral ter plekke was, die een soort van ‘voorspellende’ raad gaf, waaruit de heren opmaakten dat de enige goede manier om daarheen te reizen de manier van Brand was. Ach, ik had geen zin om mijn ideeën op te dringen en aangezien mijn vader schijnt te vinden dat de heren zonder mijn aanwezigheid in zeven sloten tegelijk zullen lopen, heb ik maar braaf meegedaan.
Leuk is anders echter. Als brein in een soort vechtmachine zitten… nee, niets voor mij, zelfs niet om ‘ooit meegemaakt’ te hebben. Dus daarover ga ik verder niet uitweiden.
Coral is een vreemd mens, ik vraag me af of William wel zo gelukkig is met haar als peet. Ik denk dat ze in wezen wel aardig is en ook vriendelijk, maar ze is een behoorlijke chaoot. Ze kwam aanzetten omdat we met iets vreselijks interessants bezig zouden zijn. Blijkbaar de eerste keer dan wat haar betreft? Al die andere keren hebben we haar niet gezien. Ze stelde wat vragen, gaf wat raad en was weer weg.

Verder zijn we nog een paar dagen bij Bleys thuis geweest. Het viel me erg mee, van Ronardo had ik begrepen dat het altijd een groot feest was bij hem, maar dat was niet waar. Het was gewoon gezellig, gewoon wat familieleden bij elkaar.. Een paar interessante films gezien, lekker kunnen paardrijden. Hij heeft alleen een apart soort vriendin, een type waarvan ik niet had verwacht dat hij daar op viel. Nou ja, ieder heeft zo zijn eigenaardigheden. Hij wil nog een keer met me praten over datgene dat wringt tussen Julian en Corwin. Ik vraag me af of dat mijn zaak is. Misschien wel, vanwege de ware vader versie. Ik denk dat dat me mijn hele leven zal achtervolgen.

Deel 32: Alexandrie

Was de bibliotheek van Alexandrie bijzonder? Ja, natuurlijk leuk om er eens geweest te zijn. En een heel vreemd idee om daar te zijn, terwijl in de wereld waar ik ben opgegroeid, deze vernietigd is. Wat heel verbazend was, of misschien juist niet, was dat de priesters totaal niet ‘out the box’ konden denken. Ondanks het feit dat er nogal wat boekwerken over bijvoorbeeld magie waren en ze zelfs een echte wereldbol hadden, waren ze er van overtuigd dat de wereld plat was en dat magie alleen in sprookje voorkwam. Die wereldbol was trouwens heel vreemd. Niemand wist hoe ze eraan waren gekomen. Op die metalen, een soort goud, lijken de continenten nog aan elkaar te liggen.

Ook ben ik bij Ronardo thuis geweest. Heel grappig dat een neef van mij op een totaal andere wereld in een heel andere omgeving is opgegroeid. Nogal veel techniek. Wel wat geleerd over computergebruik en vooral ook dat mensen zich via die techniek bedienen, zich meestal als iemand anders voordoen. Ze gooien hun hele leven op het internet en verkiezen toch een bepaalde anonimiteit door andere namen en avatars te gebruiken.

Daarna ben ik naar Amber gegaan, waar ik verveeld werd met allerlei mogelijke huwelijkskandidaten tijdens de diners. Volgens Random was het Vialle die de tafelschikkingen geregeld had, om een of andere reden geloof ik dat niet zo. En het is gewoon vervelend dat er mannen voor me worden uitgezocht, zo had ik net zo goed bij mijn moeder thuis kunnen blijven.

Bleys heb ik gesproken vanwege de altaren die niet meer bij het beeld waren. Hij heeft ze weg gehaald. Prima, leuk dat hij het me heeft laten weten. Wel aardig van hem om een van de redheads aan te bieden als we verder gaan met zoeken naar Dark End.

Het was leuk om Gerard ‘zomaar’ te ontmoeten. Ik weet zeker dat Random dat heeft geregeld, deze vond dat ik te weinig met bepaalde broers en zuster praatte. Gerard wist eigenlijk niet precies wie ik ook alweer was, hij plaatste me als dochter van Benedict en was al een avontuur met vliegdekschepen en veel schieten aan het plannen. Ik heb hem gezegd dat ik piratenavonturen leuker vind (is ook zo) en daar werd hij helemaal blij van. Hij beklaagde mij omdat Julian mijn vader is: erg moedig van me dat ik dan nog in Amber wilde komen, mijn vader stond niet bepaald bekend als een vrolijk en gezellig familielid (grijns…). Ik kreeg de indruk dat hij een beetje teleurgesteld was in de houding van Boromir, dat lijkt er ook een te zijn
die niets met Amber te maken wil hebben of met de avonturen van Gerard. Tja, waarom die Amberieten daar dan tegen mij over beginnen? Niet dat ik het erg vind….

Deel 22: Het klooster

Goed, om paarden te trainen moet ik dus naar Amber. En William kan beter niet naar Amber, volgens eigen zeggen. Of beter gezegd: Delwin heeft het hem afgeraden. Natuurlijk speel ik met de gedachte om toch te gaan en hem onder de hoede te laten van neef Ronardo. Maar wat als er nu iets gebeurt terwijl ik weg ben? Ik heb die verantwoordelijkheid voor William op me genomen en kan er niet zomaar onderuit omdat ik zin heb om even wat anders te doen.
Mijn vader wilde wel kennis maken met William, misschien meer omdat ik het vroeg dan omdat hij werkelijk nieuwsgierig was. Lollig om het gezicht van mijn vader te zien toen William opmerkte dat hij aan ‘onze kant’ stond. Voor de ‘good guys’ dus. Alleen vanwege het zwaard dat hij heeft, dat schijnt een anti demonenzwaard te zijn. Haha, Julian de ‘good guy’ . Niemand in de familie ziet hem zo en ik geloof dat hij dat allang best vindt.
Ik zou graag meer willen weten van Arden. Die ruïnes die er zijn, klinken erg interessant. Ruïnes in een woud, geweldige combinatie. Eigenlijk zie ik daar wel een stukje toekomst voor mezelf, wachter van de ruïnes van Arden. Klinkt bezopen, toch denk ik dat er behoefte aan is. Mijn vader heeft zijn handen vol aan Arden zelf, die ruïnes interesseren hem maar matig. Of zou hij het zien als bemoeizucht? Maar eens over praten met hem.
Ik vind dat wel wat. Wachter van bepaalde sites, plaatsen. Zoals die Toren van 12 werelden en de Fontein. Ronardo schijnt een eigen wereld te hebben, daar ben ik nog niet zo naar op zoek. Ooit misschien wel en dan zal het vast een soort Arden zijn.
En verder merk ik niet genoeg te weten van kruiden. Ik denk dat het een noodzaak is om daar meer over te weten te komen.

We zijn in de ruïnes van een oud klooster geweest. Daar was het grondig mis, de geest van de abt die de boel verziekte. Mijn geest is niet voldoende afgeschermd tegen zo’n soort geest die als het ware gilt in je oren. William bleek daar helemaal geen last van te hebben. Hij heeft zijn geest heel goed afgeschermd. Zo goed dat hij zelf niet weet wie hij is. Het heeft dus voor en nadelen. Mijn vader heeft gelijk, William staat het goede voor, maar maakt gebruik van zeer duistere krachten. Hoe anders moet het geweest zijn in de tijd van Osric en Finndo? En wat heeft Benedict daar nog van mee gekregen?
Ronardo had Bleys getroefd die doorgehaald wilde worden. Deze maakte natuurlijk meteen een opmerking over mijn haar. Een parapluutje, die vent is niet helemaal lekker! Geen wonder dat mijn moeder het goed met hem kon vinden, die zit ook altijd zo te zeuren over kleding en uiterlijk vertoon. Hoewel ik mijn kledinglijn toch ga veranderen. Maar dat is niet naar aanleiding naar de opmerkingen van Bleys. Tenminste, dat hou ik mezelf voor. Misschien dat me dat een beetje heeft beïnvloed. Maar de tweede ontmoeting met Sand heeft daar mee te maken en in mindere mate Flora.
Voor die kleding wil ik me echter ook nog laten adviseren door iemand die er echt verstand van heeft en die niets te maken heeft met Huis Amber. De kleuren heb ik aardig in mijn hoofd, nu zoek ik nog een goede garderobe, zowel geschikt voor onderweg als voor huiselijk gebruik. En natuurlijk iets voor speciale gelegenheden, maar dat is veel minder dringend.
En dan Caine. Hij wist inderdaad welk stukje patroon er ontbrak naar mijn gevoel. Ik dacht het Oerpatroon, maar tijdens ons gesprek, besefte ik dat het vreemd was dat er bij al die patronen geen Vuurpatroon leek te zijn. Dat is er dus wel en alleen Caine weet dat, de rest van de familie niet. Zegt hij, maar Julian weet het ook. Tenslotte verwees hij me naar Caine toen ik hem zei dat er iets miste.
Caine is bereid om ons naar dat Patroon te brengen als we de tijd rijp achten. Nu nog niet, ook hij denkt dat het niet verstandig is om naar Amber te reizen voorlopig.
Random heeft Coral aangesteld als Peet van William. Ze heeft meteen geregeld dat hij een troevendeck kreeg en twee toverboeken uit Jasra’s verzameling. Ik kreeg het koud toen ik die boeken zag.
Ronardo en ik hebben nu wel een idee waarom William steeds dat koffertje overal mee heen zeult. De sabel die er in zit, is voorzien van edelsteentjes. En wat we weten van magie is dat spreuken ergens in gehangen worden. Heel goed mogelijk dat die steentjes daarvoor zijn, hoewel William nog steeds niet weet wat hij doet en hoe. Maar dat koffertje is altijd bij hem, ook al probeert hij er soms af te komen.

De volgende wereld was Transylvanië. Luguber, somber en miezerig. Hoeveel van dat soort werelden moeten we nog door eer we bij Dark End zijn? En waarom wil mijn vader eigenlijk dat ik daar heen reis? Voordat we daar zijn ben ik vast al gek!

Deel 14: Barbecue in Arden

Toch heb ik gemerkt dat hij tegen mij minder gereserveerd is dan tegen de meeste mensen, maar hij is niet zo’n prater. Ik eigenlijk ook niet. Hij kan goed omgaan met dieren, doet veel moeite ze te leren kennen en gaat natuurlijk met ze om. Er is echter geen twijfel aan wie de baas is. Hij is beter met dieren dan met mensen, voor mensen doet hij maar weinig moeite. In dat licht bezien is het een waar wonder dat ik verwekt ben. Ik ben de uitzondering voor wat zijn omgaan met mensen betreft en ik denk dat hij die keuze heel bewust heeft gemaakt. Het zal alleen niet altijd even gemakkelijk voor hem zijn.
Zijn zelfopgelegde taak, Arden een beetje veilig te houden, neemt hij heel serieus. Ik weet zeker dat niemand weet wat dat allemaal inhoudt en dat er ook niemand is die zijn baan zou willen hebben.
Zijn manschappen zijn eigenlijk net als hij, een verzameling van eenlingen. Ruwe lieden zonder veel manieren, tevens een aantal die verbazend goede manieren hebben, maar verkozen hebben liever alleen te zijn. Ze tonen allemaal een groot respect voor Julian en een blindelings vertrouwen. Ik ken mijn vader nog maar heel kort, toch zal hij dat volledig verdiend hebben.
Nee, ik kan me niet voorstellen dat bijvoorbeeld Corwin mijn vader achterbaks vindt. Aan de andere kant doet mijn vader bijzonder weinig moeite om beschuldigingen naar hem te ontzenuwen of van de hand te wijzen. Julian is trouwens niet erg goed in het mensen beoordelen, maar weet dat ook van zichzelf. Al vroeg in zijn leven heeft hij besloten wie hij wel en niet vertrouwt. Ik weet dat hij Oberon niet vertrouwt en ook de roodharigen in de familie en Chaosieten niet. Ik weet dat hij Caine vertrouwd en ik denk ook Corwin. Ook dat hij Bleys mogelijk de schuld geeft dat dat vertrouwen niet wederzijds is. En ergens in die driehoek Julian, Corwin en Bleys, ben ik dan opgedoken om de situatie nog gecompliceerder te maken…

Ook heb ik nu het idee dat Bleys toch denkt dat ik zijn dochter ben. Wat moet ik daar nu aan doen? Hij weet heel goed dat Julian me heeft erkend. Zou het zijn dat hij zich niet kan voorstellen dat één van zijn broers een kind verwekt zou hebben bij de vrouw met wie hij in dezelfde tijd ook een relatie had? En wanneer heeft hij dan bedacht dat ik zijn kind ben? Voordat ik een erkend kind was, keurde hij me geen blik waardig. Zal het dan zijn dat hij niet goed kan hebben dat Julian officieel verklaard heeft mijn vader te zijn? Terwijl de hele familie weet dat er drie mogelijkheden zijn waaronder Bleys? Wie zal het zeggen…
Hij nam deze keer de moeite om het woord tot me te richten, heeft me zelfs gevraagd hoe het nu was! Ik wist echt niet wat ik daarop moest antwoorden, ik weet zeker dat hij het niet over het onderzoek naar de Wachter van Arden had. En het feit dat ik me niet kan kleden had hij al eerder genoemd, deze keer maakte hij zich echter zorgen over de indruk die ik op anderen zou maken. Hij wist zelfs zeker dat mijn moeder me vast ook goede adviezen had gegeven, maar dat ik er vast nooit naar luisterde omdat ik liever in het bos rond dwaalde…. Hij weet meer van mij dan ik ooit voor mogelijk heb gehouden. Verbazende man, hij deed wat vreemd tegen mij. Zeker als ik denk aan de eerdere ontmoetingen.

Mijn vader heeft me meegenomen met zijn manschappen naar het museum, alwaar medewerkers gearresteerd werden, het beeld eruit gehaald werd door een muur te slopen en met behulp van een tovenaar om het beeld lichter te maken.

Op de plaats waar het beeld thuishoort, hing een akelig sfeertje. De omgeving voelde verpest aan, helemaal niet fijn. Niemand voelde zich op zijn of haar gemak, zelfs Phillipien was erg nerveus en dat is altijd een veeg teken. Terwijl iedereen zich bezig hield met het beeld en de kring van stenen er omheen, mijn vader had Gérard erbij gehaald voor het betere sjouwwerk, merkte ik dat er iets was met de tijd. Iedereen leek zich buiten me om te bewegen, maar in feite deden ze helemaal niets. Ik was buiten plaats of tijd, heel raar. En ik voelde iemand achter me. Toen ik mezelf beschermde door aan het Patroon te denken, stond het voor me. Een gestalte in een mantel van mist, iets wat er niet was. Een grote leegte. Ik vroeg wie het was en waarom het hier was. Een echt antwoord kreeg ik in feite niet.
"Een voorhoede van mijn meesters, jullie zijn zwak! Weldra is jullie wereld van ons!" Toen was de gestalte weg en draaide de wereld weer normaal.

Natuurlijk was het geen gewone ontmoeting en ik hoop zoiets niet meer te hoeven meemaken. Ik vertelde aan mijn vader wat ik had gezien, waarop hij de plaats rondliep. Even later wist hij te vertellen dat er iets, heel lang geleden, langs was geglipt. Nog voor hij Wachter van Arden werd en geloof me, dat is al heel lang. Ik wist trouwens niet dat hij dergelijke dingen uit kon vinden, weer wat geleerd. Maar, zoals ik al eerder zei, ik ken hem nauwelijks.
Natuurlijk zei ik dat ik wilde gaan uitzoeken wie of wat daarachter zat. Ik geloof dat Julian dat wel prettig vond, maar ik heb het niet gezegd om hem te plezieren, ik wil gewoon te weten komen wat hier aan de hand is!

De ontmoeting met Kirk was erg interessant. Een eenling uit mijn vaders manschappen, een soort elfachtig wezen die uit Euterpe komt. Iemand die heel goede manieren heeft, erg knap is, maar ook vriendelijk. Hij heet geen Kirk trouwens, maar zijn naam is niet uit te spreken voor mij nog. Daar wil ik wel op gaan oefenen. Mijn vader heeft trouwens geen problemen met zijn eigenlijke naam.

De volgende ochtend zag ik in de ontbijtzaal dat mijn vader in een ernstig gesprek was met Random. Tot mijn verbazing schoof Ronardo en even later Rhexenor zonder problemen bij hen aan tafel. Ik zag dat het mijn vader ergerde, maar blijkbaar vond Random het juist een welkome afleiding. Ik ben trouwens ook maar bij hen gaan zitten, een beetje idioot om ergens in mijn eentje te gaan zitten of bij dat stelletje Chinezen.
Random had een verfrommeld vod in zijn zak dat een officiële uitnodiging van Rebma bevatte. Natuurlijk werden we als kinderen van Amber geacht daar op in te gaan en ons te gedragen.
Rhexenor vroeg Julian of hij niet voor een dag of zes met hem mee kon, monsters jagen. Ik vertelde over het beeld en vroeg of iemand me kon helpen uit te zoeken wat daar aan de hand was. Ronardo leek dit wel wat, Rhexenor leek het allemaal wat saai, ging liever mee om Arden veilig te houden. Uiteindelijk stemde Julian toe wat ik zeer waardeerde. Ik heb begrepen dat Rhexenor al een paar keer zijn diensten heeft aangeboden binnen de familie, maar dat niemand zijn spierkracht nodig lijkt te hebben. Ik weet ook zeker dat Julian erover gedacht heeft hem af te poeieren en dit meer voor mij deed.
Ook heb ik nog even gesproken met Boromir en Gérard, die hier speciaal waren voor de lessen van Fiona voor Boromir. Arme Boromir kreeg trouwens tijdens het ontbijt, waar iedereen bij zat, te horen dat hij meerdere broers en zussen heeft. Niet dat het feit op zich erg is, maar ik kan me voorstellen dat hij zoiets liever privé had gehoord.

Paarden trainen op reizen door Schaduw lijkt me heel interessant om te gaan doen. De staljongen die de paarden haalde, vertelde dat normaal Corwin of Julian dit doen, maar dat er eigenlijk meer trainers nodig zijn. Ik weet niet precies hoe het allemaal in zijn werk zal gaan, maar daar kom ik vanzelf achter. Ik kreeg het paard waar ik vaker op rijd, ik heb haar Desert Storm genoemd.
We zijn eerst naar de plaats gegaan waar de Waker nu weer is en Kirk was daar nog steeds aan het waken.
De twee altaren die we ontdekten en volgens Phillipien onder het bloed zaten, waren voorzien van tekens en symbolen in een soort latijn. Het ging allemaal over moord en doodslag. Ergens in mijn achterhoofd hangt nog steeds de gedachte dat er iets was met bloed… ik kom er alleen even niet op.
Het was hier dat ik Bleys weer ontmoette, Ronardo had hem doorgehaald. Bleys herkende de plek onmiddellijk, vertelde dat twee vrouwen van Oberon hier waren gevonden met doorgesneden keel. Dat intrigeert me, waarom vrouwen van Oberon? Ik bedoel: ze waren niet tegelijkertijd zijn vrouw. Cymnea was de moeder van Benedict, Faiella de moeder van Corwin, Dierdre, Eric en misschien Caine. Daartussen was nog de moeder van de roodharigen, Clarisse en die schijnt nog in leven te zijn. Dus waarom nu juist die twee?
Die altaren had Bleys trouwens niet eerder gezien. Hij was wat opgelucht toen hij ze zag, want dat nam zijn verdenking op Oberon een beetje weg. Wat ik ook bijzonder vind is dat hij het meteen geloofde toen ik zei dat Fillipien het bloed zag.

Verder hebben we op het kasteel de broer van de handelaar, die het beeld aan het museum heeft verkocht, ondervraagd. Er miste een heel stuk informatie in zijn geheugen, die Fiona er uit kreeg door hypnose toe te passen.

Van Fiona krijg ik werkelijk geen hoogte. Ze doet eigenlijk nooit aardig tegen me, maar dat doet ze tegen niemand. Ronardo is daar echt de uitzondering op. Verder vind ik haar snibbig en humeurig. Ronardo zegt dat dat is omdat al die familieleden steeds een gunst van haar willen en ze het daardoor ongelooflijk druk heeft. Dat zal wel meespelen, al kreeg ik het gevoel dat ze dat eigenlijk heel fijn vind zo. Ze reageerde namelijk zo allergisch toen Ronardo haar vertelde over wat Bleys wist van de handsschoen!

Ik moet zeggen dat ik verbaasd was, maar ook blij dat mijn vader contact opnam met mij. Ik bedoel, tot nog toe nam ik contact op met hem en ik ben wel eens bang dat ik hem lastig val. Blijkbaar heeft hij dan nu een troef van me geregeld.
Hij wilde weten hoe het was gegaan en nodigde me uit voor de barbecue bij hem thuis. Een uitnodiging waar ik graag gehoor aan gaf. Hij ontving ons in een luxe blokhut, waar ook de honden en de valken en het paard. Van alle gemakken voorzien. Heel bijzonder dat hij al die mensen op bezoek had, want natuurlijk mocht Ronardo meekomen en Rhexenor was daar al. Ook leuk om de andere valken eens allemaal te zien. Josefien, Ajax en Mendel.
Nu pas realiseer ik me hoe bijzonder Fillipien is. Een valk van mijn vader, die toen al Fillipien heette. Heel lang heb ik gedacht dat ik haar die naam heb gegeven, nu denk ik dat ze me toen de naam al heeft ingefluisterd.
Ik vertelde wat we aan de weet waren gekomen. Ook dat ik eigenlijk contact op moest nemen met Corwin. Dat ging over de zaakjes van Merlijn en Mandor had Bleys gezegd en dat had weer te maken met de apart wonende baronnen met landgoederen. En waar dat op sloeg? Tijdens de hypnose van de broer van de handelaar hadden we gehoord dat hij een lijst van dat soort mensen had gemaakt en deze aan de knecht van zijn broer had gegeven. Een knecht die er precies zo uit zag als het wezen dat is ik eerder bij het terug plaatsen van het beeld ontmoette.
Julian had blijkbaar niet zo’n zin in een eventueel bezoek van Corwin en vroeg of ik contact met Merlijn kon zoeken? Ik had geen troef van hem, maar via Julia lukte wel.

Julia vond het trouwens niet zo leuk dat ik niet zozeer haar wilde spreken, maar Merlijn. Iets wat ik zeker nog goed moet maken.

Tot mijn verbazing troefde Merlijn me al binnen een paar minuten. En hij wilde ons ook nog gezelschap komen houden. Was dit nu dezelfde jongeman die eerst zich alleen bezig hield met zichzelf en meer macht? Hij wilde wel wat van het bier, dat mijn vader trouwens zelf brouwt. Met een lichte aarzeling –je gaat niet zomaar in het huis van een ander uit zijn vat tappen – vulde ik een kroes bier voor hem. Julian leek daar geen problemen mee te hebben.

Al met al was het best gezellig, vele malen beter dan zo’n feest in het kasteel. Ook al was het verhaal wat Merlijn opdiste wat minder gezellig, over de demoon die gebonden was aan het zusje van Coral.

Deel 5: Nog een vader.

Hmm, ik zat ernaast wat betreft het enthousiasme van deze familie over nog meer familie. Want ik heb Bleys ontmoet. Ook al zo’n mogelijke vader. Als ik zijn dochter ben, voldoe ik totaal niet aan zijn verwachtingen en lijkt hij het idee alleen maar irritant te vinden.

Random was niet zo verbaasd om Deirdre te zien. Zoals ik al eerder schreef: hij had ons naar de Abyss gestuurd met de bedoeling om Deirdre eruit te hengelen. Ik vroeg me af of hij ook die Phoenix had ingecalculeerd.
Al met al werd het weer zo’n familiebijeenkomst. Op het moment dat Fiona binnen kwam, kreeg ze die helm van Rhexenor onder haar neus geduwd. Ze negeerde het een beetje en ging in gesprek met Ronardo over de handschoen. Ze stelde een heleboel manieren voor om de handschoen af te doen, probleem was echter dat daarbij iedere keer de hand zelf was inbegrepen, dus Ronardo zag het, begrijpelijk, niet zo zitten. Rhexenor besloot dat het tijd was om die helm op te zetten en deed dat meteen. Toen hij het vizier naar beneden klapte zei hij dat hij bij heel veel mensen hier allemaal ‘draadjes’ zag.
Random was zeer enthousiast en geïnteresseerd. Ik vertelde wat er was gebeurd bij de Abyss, ondanks het feit dat Corwin zich aan me zat te ergeren en ook Flora wat minder blij leek. Terwijl mijn verhaal vorderde werd het me duidelijk dat Random niet aan het opvissen van een Phoenix had gedacht, ook al was dat er indirect de oorzaak van dat Deirdre hier bij ons aan tafel zat. Inmiddels niet meer trouwens, ze was erg moe en zwak en had zich naar haar kamer laten brengen.
Random dacht dat de Phoenix net zoiets was als de Eénhoorn of het Serpent, die eigenlijk misschien meer een symbool zijn van iets dan een werkelijkheid. De Eénhoorn was in Amber gezien en bij het oerpatroon. Corwin zei dat hij zelfs wel eens met de Eénhoorn én het Serpent had gesproken. Het Serpent wordt gezien als het tegengestelde van de Eénhoorn. En zo zijn er meer van die wezens/symbolen. Sommigen zouden zich verstopt hebben. Fiona zei dat je moest oppassen met al die wezens, ons soort mensen wordt gebruikt voor hun eigen doeleinden.

Corwin bleef zich maar verbazen over het feit dat Deirdre een zoon had en zo langzamerhand begon me dat behoorlijk te ergeren. Zou hij haar altijd gezien hebben als een soort onbevlekte maagd? Als het kleine zusje dat nog steeds met poppen speelt? Wat ongelooflijk kortzichtig! En dan ook nog beweren dat hij, Corwin, het geweten zou hebben als ze een zoon had (en een eigen leven zeker waar hij niets van wist). In deze korte tijd met deze familie was het me meer dan duidelijk geworden dat iedereen zijn of haar eigen zaken had waar vele familieleden niets van wisten.
Flora verwonderde zich over het feit dat er ineens allerlei kinderen van haar broers en zusters opdoken. Corwin vond het toen noodzakelijk om tegen Fiona te beginnen over haar belangstelling voor Ronardo, Random riep dat hij allang wist dat Fiona diens moeder was en Fiona zei plechtig dat ze Ronardo officieel erkende als zoon. Deze was er wat verlegen mee (wat een manier om dat zo te doen, met al die mensen aan tafel. Blijkbaar had ze er privé niets over gezegd tegen hem). Voor Ronardo kon het trouwens wel gevaarlijker worden, nu hij officieel erkend was als zoon van een Amberiet. Corwin mopperde dat hij niet ook kon gaan zitten erkennen (gelukkig niet!), want dan zou Julian er weer tussen komen. Random was stomverbaasd.
"Hebben jij en Fiona… dat had ik nu niet verwacht!"
"Nee," haastte Corwin zich te zeggen, "ik heb het nu over Morwenna."
"Wat?! Denk je nu echt nog steeds dat je haar vader bent?"
Flora besloot zich hier ook mee te bemoeien.
"Waarom zou jij de enige zijn hier met kinderen? En dan zoveel... met haar erbij zouden het er zeker als drie of vier zijn! Dat lijkt me erg sterk"
Hm, waren er dan nog meer behalve Merlijn? Fiona stookte het vuurtje ook nog maar eens op.
"Goh, ik dacht dat Morwenna een dochter van Bleys was. Ietwat dezelfde trekken, geen rood haar, maar dat heeft Ronardo ook niet. Ja, ze weet het wel zeker, want Bleys heeft het wel eens gehad over zijn dochter. Je komt toch uit Engeland?"

Eindelijk kwam er een einde aan de maaltijd. Ik ging naar mijn kamer en Corwin liep een eindje mee.
“Wat denk je daar nu van?” vroeg hij. Ik nam aan dat hij het over nog een mogelijke vader had.
"Het verbaast me niet echt. Misschien is er ook nog wel een vierde of vijfde mogelijkheid," zei ik cynisch.
"Julian wil zo graag een dochter, dat hij jou maar heeft geadopteerd," mopperde Corwin. "Het feit dat zijn valk naar jou is overgevlogen, maakt je nog geen dochter van hem. Zou hij nu echt hebben gedacht dat een valk je voldoende zou beschermen?" Ik realiseerde me dat Corwin al een paar keer over Fillipiens relatie met mij en Julian had gesproken, blijkbaar zat hem dat toch niet helemaal lekker.
Hij stelde voor om maar meteen contact op te nemen met Bleys, beter het ijzer smeden als het heet is. Ach, waarschijnlijk had hij gelijk. Dus Bleys werd via een troef hierheen gehaald.

En dan Bleys. Rood haar, baard, gekleed in rood en oranje, heeft een zwaard en diverse ringen, komt erg sympathiek over en was zeer aanwezig. Ik werd voorgesteld als zijnde zijn mogelijke dochter. Corwin en hij bespraken wanneer en waar dat dan gebeurd was, een beetje of ik er niet bij was. Ja, het was mogelijk vonden beiden, ze trokken toen rond met een leger in het Peak District. Maar hoe Julian hier nu tussen was gekomen? Die had toch daar niets te zoeken gehad?
Bleys deed enthousiast, er was niets van gemeend, merkte ik. En echt interesse had hij niet in mij.
"Als jij mijn dochter bent, zul je je beter moeten kleden." En weg was hij.

Hij liet een leegte achter. En hoe aardig ik hem ook vond, ik hoopte toch dat hij niet mijn vader was. Ik besefte ook dat er iets was (aan mij?) dat hij niet leuk had gevonden.

Corwin zei dat hij binnenkort weer weg moest. Ik vroeg hem beleefd waar naar toe, misschien ook wel omdat ik het echt wilde weten. Want ondanks alles vind ik Corwin best aardig. Net zoals ik Random aardig vind en Flora. Echt erg zou het niet zijn om hem als vader te hebben, desondanks had ik toch een voorkeur voor Julian. Maar je ouders heb je niet voor het kiezen. Van wat ik had gezien leek Corwin me waarschijnlijker als vader (en Bleys helaas ook) dan Julian. Julian lijkt me namelijk geen vrouwenversierder terwijl zijn twee broers hier overduidelijk geen moeite mee hebben. Maar je wist het maar nooit.

Oh ja, Corwin moest dus weg. En als antwoord kreeg ik te horen dat alle informatie zijn prijs had. Dus wanneer hij me iets vertelde, moest daar iets tegenover staan, ik zou een volgende keer ook wat moeten vertellen (en moest dat nu mijn vader zijn? Jee, wat een familie!). Ik kreeg er al spijt van dat ik hem die vraag had gesteld. Maar hoe zit het dan met de etikette? Je behoort toch uit beleefdheid ook interesse te tonen in mensen? Zeer verwarrend allemaal.
Corwin ging verder. Dat van de Phoenix bijvoorbeeld had hij liever niet verteld aan Random. Dat is namelijk kennis en macht.
Maar wat hij nu ging doen had daar iets mee te maken. Hij had een nieuw patroon gemaakt dat hem daardoor verantwoordelijk had gemaakt voor die wereld. In feite kon ik hem zien als de Dworkin van die wereld. Hij moet iemand vinden om dat te beschermen en hij dacht er aan om die Phoenix dat te gaan vragen.
Ik loste maar meteen mijn schuld in door te vertellen dat ik er over aan het denken was om naar huis te gaan om met mijn moeder te gaan spreken. Misschien dat zij me kon vertellen wie mijn werkelijke vader is of wie dat zeker niet is.

Nu hoopte ik maar dat ze me niet zou gaan vertellen dat ze niet mijn echte moeder is, dat zou de zaken wel heel gecompliceerd maken. Maar dat vertelde ik niet aan Corwin.

Eenmaal op mijn kamer keek ik op mijn gemak het kaartendeck door. De ene kaart die Julian persoonlijk aan me had gegeven, voelde anders aan dan de kaart van hem die in het deck zat. Ik besloot om het gewoon eens te proberen om contact te maken. Dat was er onmiddellijk, heel even bekroop me het gevoel dat hij erop gewacht had, maar nee, dat zou wat ver gaan.
Hij was blij me te zien en te spreken. Deze kaart was heel veilig, antwoordde hij op mijn vraag, ik kon vrijuit spreken. Ik begon over het hengelen in de Abyss en meteen zei hij dat hij het gevoel had dat Brand terug is…. Ik vroeg hem of dat kon, of Brand sterk genoeg was om uit die Abyss te komen. Tenslotte was hij er bijna uit, maar weer terug gegooid. Tja, zeker weten deed hij het niet, maar niets was onmogelijk, zeker niet met Brand. Toen vertelde ik hem wat er gebeurd was bij de Abyss en ondanks de waarschuwing van Corwin, vertelde ik ook over de Phoenix. Hij zei dat er wel wat legendes waren over andere Oerwezens, behalve de Eénhoorn en het Serpent. Allemaal zijn ze aan regels gebonden. Misschien was het gewoon nodig om de Phoenix weer terug te brengen, maar ook gevaarlijk.
Hij vroeg zich hardop af of ik niet beter beschermd zou zijn met een vader als Corwin. Ik vertelde hem dat ik Bleys nu ook al mogelijke vader had en ook dat ik hem ontmoet had. Hij fronste licht.
“Dat zou minder gelukkig zijn, voor Bleys is alleen Bleys belangrijk.” Hmm, dat zou wel eens de reden kunnen zijn dat Bleys niet zo blij was me te zien….

Later werd ik weer bij Random geroepen, samen met mijn twee nieuwe neven (in ieder geval heb ik een Amberiet als ouder, welke dat is moet nog worden uitgezocht, maar Ronardo en Rhexenor zijn zeer directe familie).
Deze kondigde aan dat Deirdre Rhexenor officieel had erkend als zoon. Lucky him.
Verder had Dalth opnieuw de oorlog verklaard aan Amber en Random wilde ons als onderhandelaar voor de vrede naar hem gaan sturen. Ach ja, waarom ook niet. Wat moet je anders met die nieuwe familieleden doen. We moesten Dalt maar eens gaan vragen wat hij wilde en of hij wilde stoppen met het plunderen van dorpjes. En dit was een Koninklijk Verzoek. Ai, hij wilde echt van ons af.

Later die dag heb ik in de bibliotheek nog gezocht naar informatie over roodstaarten. Maar weinig gevonden, een verhandeling over hun leven. En oh ja, interessanter: in de Schaduw Ostatia kunnen mensen praten met vogels.
Wat de legenden betreft: de Phoenix komt voor in de meeste werelden, net als de Eénhoorn, draken, wyverns en sfynxen. Erg boeiend.